Adrienne von Speyr

Een selectie uit de
overwegingen bij het Johannes-evangelie

Joh. 13,1-20 - Voetwassing

 

Tekst

  1. Het paasfeest was op handen. Jezus, die wist dat zijn uur gekomen was om uit deze wereld over te gaan naar de Vader en die de zijnen in de wereld bemind had, gaf hun een bewijs van zijn liefde tot het uiterste toe.
  2. Het avondmaal was begonnen. De duivel had reeds aan Judas Iskariot, de zoon van Simon, het plan ingegeven om Hem over te leveren.
  3. In het bewustzijn dat de Vader Hem alles in handen had gegeven en dat Hij van God was uitgegaan en naar God terugkeerde,
  4. stond Hij van tafel op, legde zijn bovenkleren af, nam een linnen doek en omgordde zich daarmee.
  5. Daarop goot Hij water in het wasbekken en begon de voeten van de leerlingen te wassen en ze met de doek waarmee Hij omgord was af te drogen.
  6. Zo kwam Hij bij Simon Petrus die echter tot Hem zei: 'Heer, wilt Gij mij de voeten wassen ?"
  7. Jezus gaf hem ten antwoord: 'Wat Ik doe begrijpt ge nu nog niet, maar later zult ge het inzien.'
  8. Toen zei Petrus tot Hem: 'Nooit in der eeuwigheid zult Gij mij de voeten wassen !' Jezus antwoordde hem: 'Als ge u niet door Mij laat wassen, kunt ge mijn deelgenoot niet zijn.'
  9. Daarop zei Simon Petrus tot Hem: 'Heer, dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd.'
  10. Maar Jezus antwoordde: 'Wie een bad heeft genomen, behoeft zich niet meer te wassen (tenzij de voeten), hij is immers helemaal rein. Ook gij zijt rein, ofschoon niet allen.'
  11. Hij wist immers wie Hem zou overleveren. Daarom zei Hij: 'Niet allen zijt gij rein.'
  12. Toen Hij dan hun voeten had gewassen, zijn bovenkleren had aangetrokken en weer aan tafel was gegaan, sprak Hij tot hen: 'Begrijpt gij wat Ik u gedaan heb ?
  13. Gij spreekt mij aan als Leraar en Heer, en dat doet gij terecht, want dat ben Ik.
  14. Maar als Ik, de Heer en Leraar, uw voeten heb gewassen, dan behoort ook gij elkaar de voeten te wassen.
  15. Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gij zoudt doen zoals Ik u gedaan heb.
  16. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: een dienaar staat niet boven zijn heer en een gezant niet boven degene die hem gezonden heeft.
  17. Wanneer gij dit beseft: zalig als gij er naar handelt.
  18. Ik kan dit niet van u allen zeggen. Ik weet wie Ik heb uitgekozen, maar het Schriftwoord moet vervuld worden: Die mijn brood eet, heft zijn hiel tegen Mij op.
  19. Nu reeds zeg Ik het u, voordat het gebeurt, opdat gij wanneer het gebeurt, zult geloven dat Ik het ben.
  20. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie hem aanvaardt, die Ik zal zenden, aanvaardt Mij, en wie Mij aanvaardt, aanvaardt Hem die mij gezonden heeft.'

 

Overwegingen

 

1. Het paasfeest was op handen. Jezus, die wist dat zijn uur gekomen was om uit deze wereld over te gaan naar de Vader en die de zijnen in de wereld bemind had, gaf hun een bewijs van zijn liefde tot het uiterste toe.

De Heer weet dat Hij van de Liefde is uitgegaan en naar de Liefde terugkeert, en dat Hij zelf Liefde is. Deze liefde wil Hij aan de zijnen geven, zoals Hij ze bezit: totaal en overvloedig.

 

Hij kan zich niet onttrekken aan het lijden, want dit zou betekenen dat Hij zijn liefde onthoudt aan de mensen die Hij liefheeft. Hij wil een bewijs geven van deze liefde tot het uiterste, tot op het kruis, maar ook op heel de weg die er naartoe leidt, zolang Hij nog in staat is te geven.

 

Hij denkt nu niet aan de terugkeer naar de Vader. (...) Hij richt zich helemaal naar hen die Hij hier beneden liefheeft. En toch verschilt de liefde waarmee Hij hen liefheeft niet van de liefde tot de Vader. Het is omwille van de Vader dat Hij de mensen liefheeft. Er bestaan geen twee soorten liefde. (...) Hij wil de ene niet losmaken van de ander. (...) Daarmee keert Hij zich niet van de Vader af, want terwijl Hij zich overvloedig aan de mensen geeft, gaat Hij totaal op in de wil van de Vader.

 

 

2. Het avondmaal was begonnen. De duivel had reeds aan Judas Iskariot, de zoon van Simon, het plan ingegeven om Hem over te leveren.

 

Heel dicht naast de uiterste liefde van de Heer staat de uiterste boosheid van de duivel. (...) Beiden zitten aan dezelfde tafel; de Heer, heel en al liefde, en Judas, bezeten van zijn boze bedoelingen.

 

Waar christelijke liefde is, is Satan niet ver af.

 

Dat de de duivel mee aan tafel zit, dwingt de christelijke liefde steeds op de hoede te zijn en de houding van innerlijke onthechting aan te nemen.

 

 

3-4-5. In het bewustzijn dat de Vader Hem alles in handen had gegeven en dat Hij van God was uitgegaan en naar God terugkeerde, stond Hij van tafel op, legde zijn bovenkleren af, nam een linnen doek en omgordde zich daarmee. Daarop goot Hij water in het wasbekken en begon de voeten van de leerlingen te wassen en ze met de doek waarmee Hij omgord was af te drogen.

 

De Heer denkt aan de liefde. Daarom ziet Hij nu zijn uitgaan en zijn terugkeer. In deze beweging bestaat immers de liefde. (...) Zo ook bij de voetwassing die nu volgt. Ook hierin ligt een zich-verwijderen en een weer-nabij-komen, een afdalen en een opnieuw-verhogen.

 

Hij staat van tafel op. (...) Hij begint nu vrijwillig een reeks daden te stellen die allen in het lijden onvrijwillig zullen terugkeren. Het is een actie die de passie weerspiegelt.

 

In de voetwassing vernedert de Heer zich niet louter tot het niveau van de leerlingen, maar Hij plaatst zich nog lager, onder hen. Hij moet zich lager plaatsen om hen te kunnen reinigen. (...)

Alleen wanneer de liefde, die de mensen te boven gaat, weerkaatst in de spiegel van de deemoed, wordt het mogelijk zijn schuld te bekennen en zo gereinigd te worden. (...) Op deze lage plaats die Hij inneemt, tracht de Heer ons te winnen. (...) Hij neemt zo'n lage plaats in dat niemand, van de grootste tot de kleinste, zich gepasseerd kan voelen. In zijn deemoed zal de Heer altijd nog lager staan dan welke mens ook.

Hoe vernederend de biecht ook mag zijn, de Heer vernedert zich daarbij nog oneindig veel meer.

 

Hij legt zijn bovenkleed af. (...) Hij wilt zich naakt aan de zonde blootstellen. Hij wilt heel rechtstreeks in ontvangst nemen wat het slechtste aan ons is.

 

De leerlingen hebben werkelijk vuile voeten, maar ze hadden er geen aandacht aan besteed. Op het ogenblik dat de Heer tot hen komt, denkt wellicht iedereen bij zichzelf: 'Als ik had geweten wat de Heer wilde doen, dan had ik mij vooraf gewassen.' Ze hebben het nu eenmaal niet geweten, en Hij heeft het ook niet aangekondigd. Alles was besmeurd aan hen is, wilt Hij immers op zich nemen en dragen. Zelf zouden ze het trouwens ook niet kunnen afleggen; zonder dit vuil zouden ze geen berouw over hun zonden kunnen hebben.

Immers, als het berouw gewoon van de mensen zou komen, zou het niets te betekenen hebben; het zou ambitie zijn, meer willen zijn dan hij is. Het is puur geschenk van God.

 

We moeten zien hoe ernstig de Heer zich met de zonde bezighoudt, hoe Hij er zich als het ware 'in verdiept', en daaruit leren Hem ook te vinden middenin deze levensrealiteit die ons doet walgen. (...) De Heer sluit de ogen niet voor de miserie van het menselijk leven. Hij ziet het recht in het gelaat.

 

Hij wast de zonde weg door het water van zijn genade. Het berouw zelf maakt deel uit van dit water; ook dit is genade en een element dat wast.

 

De Heer heeft zich met een linnen doek omgord, maar er wordt niet gezegd dat Hij deze doek gebruikt bij het wassen. Hij gebruikt hem veeleer pas om af te drogen. Wassen doet de Heer zelf. (...) Hij gebruikt zichzelf om te wassen.

 

Pas na het wassen bedient de Heer zich van de linnen doek waarmee Hij zich omgord heeft, (...) van de priester namelijk. Door zijn wijding, evenals door zijn celibaat, staat de priester volledig in dienst van de Heer. (...) Zo is de priester de doek waarmee de Heer zich heeft omgord, en die Hij gebruikt om af te drogen. De priester wast niet, want het wassen is de daad van de Heer.

 

De Heer verlangt van zijn leerlingen niet dat zij in het openbaar en gedetailleerd hun zonden belijden. Het volstaat dat iedereen er zich van bewust is dat Hij door de Heer moet gereinigd worden. De leerlingen weten van elkaar niets méér, dan dat elk van hen vuile voeten had en dat de Heer hen allen moest wassen. Niemand let op de voeten van de ander.

In de Kerk hoeft de biecht niet publiek te zijn. Het enige publieke aspect eraan is, dat ieder van hen weet dat hij ook de biecht nodig heeft.

 

De voetwassing is de rechtstreekse voorbereiding op de instelling van de Eucharistie. Tussen biecht en communie bestaat er deze rechtstreekse overgang. De biecht is geen doel op zich; ze is een reiniging die louter gericht is op een welbepaald doel. Eenmaal gezuiverd, ziet men niet meer naar zijn voeten, maar alleen naar de Heer met wie men aan tafel zit.

 

 

6-7. Zo kwam Hij bij Simon Petrus die echter tot Hem zei: 'Heer, wilt Gij mij de voeten wassen ?' Jezus gaf hem ten antwoord: 'Wat Ik doe begrijpt ge nu nog niet, maar later zult ge het inzien.'

 

Pas later zal voor Petrus alles duidelijk worden. Daarin ligt voor hem de aanmaning niet verder te gaan. Petrus moet blijven staan waar hij is, en zich overgeven waar hij niet begrijpt. Het moet voor hem voldoende zijn te weten dat de Heer het zo wilt.

 

Zo is het het hier, en zo zal het steeds opnieuw zijn in de Kerk: wat de Heer te verstaan geeft overtreft altijd datgene wat de mens verwacht, en hij moet zich daardoor laten overtreffen.

Op een bepaald punt moet hij stilstaan, daar waat het altijd-grotere, het altijd-zuiverdere en daarom ook het altijd-meer-onbegrijpelijke van de Heer een aanvang neemt. Hij moet alles aanvaarden, zich buigen, aan zich laten gebeuren, alleen door zich ter beschikking van de Heer te stellen. Hij moet ophouden zelf subject te willen zijn; hij moet de Heer het subject laten zijn en zich als object aan Hem toevertrouwen. (...) Hij moet dit alles doen in de onwrikbare zekerheid dat alles wat de Heer verlangt goed is, maar dat niets in ons de daden van de Heer kan verklaren voor dat Hij het wilt, vooraleer de tijd gekomen is.

Wanneer die tijd nu precies gekomen is, wordt alleen door de Heer bepaald, en deze tijd kan hier op aarde aanbreken, maar even goed pas in het hiernamaals.

 

Sommige dingen in het levenslot van een of andere mens zullen altijd onduidelijk blijven en ze zullen pas in het hiernamaals helder worden. Op elke weg die de mens op een meer persoonlijke wijze naar de Heer leidt, liggen dergelijke geheimen en duistere gebeurtenissen, die pas later, onderweg of bij het doel, zullen oplichten.

 

Op het ogenblik dat de Heer daden stelt, begrijpen wij in feite nooit wat Hij doet. Hij vraagt dat men kruiken met water zal vullen, Hij maakt een mengsel van speeksel en slijk, Hij laat de steen van het graf wegrollen. Al deze eenvoudige handelingen hebben altijd een heel andere zin en inhoud dan wij ons voorstellen of dan wij verwachten. Ook al gelijken de daden van de Heer uiterlijk op de onze, toch hebben ze altijd een onverwachte draagwijdte. Ze zijn als het ware explosief. Daar waar wij een arimetische progressie verwachten, bezitten ze een geometrische. Ze hebben een goddelijke zin, daar waar wij alleen een menselijke zin zien. Ze zijn dan ook daden van de Heer.

 

De mens moet de Heer laten handelen, zonder zijn daden te willen begrijpen, zoals Maria in haar jawoord aan de engel alles liet gebeuren zonder een overzicht te verlangen.

 

 

8. Toen zei Petrus tot Hem: 'Nooit in der eeuwigheid zult Gij mij de voeten wassen !' Jezus antwoordde hem: 'Als ge u niet door Mij laat wassen, kunt ge mijn deelgenoot niet zijn.'

 

Wanneer Petrus heftig neen zegt, antwoordt de Heer met een categorisch ja. Als gij u niet door Mij laat wassen, kunt ge mijn deelgenoot niet zijn. Als Petrus niet gehoorzaamt, kan hij niets meer van de Heer verwachten, niets meer met Hem in gemeenschap hebben.(...) Hij moet zich laten wassen. Als de Heer zich tegenover hem en tegenover de Kerk vernedert, dan moet hij dat aanvaarden. Daar waar de Heer een beslissing treft, mag hij geen tegenwerping maken, hoe goed deze ook bedoeld is. Petrus moet instemmen.

 

Als de Heer de zonde delgt, als Hij in deze vorm van de voetwassing het fundament legt voor de latere biecht, dan doet Hij dat reeds binnen de gevestigde Kerk, binnen het ambt dat aan Petrus wordt toevertrouwd. Zo behoort deze daad niet enkel uitsluitend aan de Heer; Petrus heeft medebeslissingsrecht.

De onvoorwaardelijke gehoorzaamheid wordt precies geëist van hem die het gezag van de Kerk zal belichamen.

 

 

9. Daarop zei Simon Petrus tot Hem: 'Heer, dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd.'

 

Nu wil Petrus zich helemaal laten wassen. Hij zou zich in zekere zin nog meer ter beschikking willen stellen dan de Heer het verlangt. Hij is gegrepen door de liefde, die zich in de deemoed van de Meester openbaart. In het licht van deze liefde is hij ervan overtuigd dat hij zelf door en door zondaar is, en dat al zijn ledematen delen in de zonde. En hij denkt dat de Heer, die hem de voeten wast om hem op te nemen, hem des te meer zal opnemen naarmate hij vollediger gereinigd wordt.

Toch heeft Petrus de bedoeling van de Heer slechts ten dele begrepen, hoewel hij doet alsof hij de hele situatie doorheeft. (...) Hij moet zich eenvoudig onderwerpen aan het voorschrift van de Heer, zoals later de biechtelingen zich moeten onderwerpen aan het ambt van de Kerk. Ze zullen moeten biechten volgens de richtlijnen van de Kerk en niet zoals het henzelf past.

 

De bereidwilligheid van Petrus mag dan wel aandoenlijk zijn, de biecht is niet bedoeld om het christelijke volk te ontroeren en te stichten, maar vooral om de christen de mogelijkheid te bieden zich beter ter beschikking van de Heer te stellen. Ze is geen subjectieve ontboezeming, geen instelling om de persoonlijke schuldgevoelens af te reageren, ook geen middel om zelfkennis te verwerven of aan zelfbeschouwing te doen, maar een objectieve zuivering door de Heer zodat men zich in de communie beter kan verenigen met zijn zending.

 

De voetwassing brengt met zich mee, dat wat de Heer als vuil bestempeld, steeds weer moet gereinigd worden. Ook als het in elke biecht hetzelfde zou zijn. Het zijn gewoon de voeten die telkens weer vuil zijn. Men moet niet ter afwisseling iets anders willen biechten. (...) De voeten wassen betekent een inspanning, maar de Heer verlangt zich deze moeite te getroosten. Door de voeten te kiezen, belast Hij zich met het zwaarste, en wil Hij er zich telkens weer mee belasten. Wij moeten weten dat wij het opnieuw nodig hebben. Dat wij het daar meest nodig hebben, waar het Hem de meeste inspanning kost.

 

In de biecht bepaalt het ambt wat de Heer wast en wat men zelf moet wassen.

Zo moeten bijvoorbeeld de apostelen de handen zelf wassen. Zekere dingen horen niet thuis in de biecht. De biechtvader kan aan de biechteling zeggen dat er in het vervolg geen sprake meer zal zijn van bepaalde dingen (zodat meer aandacht kan besteed worden aan de werkelijke zonden, of zodat de zondaar zich minder met zichzelf bezighoudt). Het kan ook zijn dat iemand helemaal niet aan zijn voeten gedacht heeft, dat de Heer of de priester hem allereerst de kern van de zonde moet tonen, deze moet blootleggen. Het komt immers vaak genoeg voor dat de mens zich niet bewust is van zijn voornaamste fout, en de priester kan hem die vanuit zijn ambt onthullen.

 

 

10. Maar Jezus antwoordde: 'Wie een bad heeft genomen, behoeft zich niet meer te wassen (tenzij de voeten), hij is immers helemaal rein. Ook gij zijt rein, ofschoon niet allen.'

 

De leerlingen werden voor de eerste maal gereinigd toen zij tot de Heer kwamen en Hem zichzelf aanboden en ten diensten stelden. (...)

Elke christen afzonderlijk wordt voor de eerste maal gewassen bij het doopsel; op basis van dit wassen heeft hij nadien het recht en de plicht om te biechten en hij moet en mag zich daarbij alleen beschuldigen van de zonden die hij sedert de laatste reiniging bedreven heeft. Naar wat vroeger gebeurde moet hij niet angstvallig teruggrijpen. (...) Hij mag het oude niet altijd opnieuw oprakelen.

Hij mag het kleed van de genade niet tot op de draad verslijten door het telkens opnieuw te reinigen. Veeleer moet hij de Heer danken, dat Hij ons gereinigd heeft. Maar ook dan blijft een levensbiecht of een generale biecht mogelijk. Daar moet echter alleen gebruik van gemaakt worden waar de Heer en de Kerk het verlangen en aanbevelen. Ze mag geenzins als een waarborg of een zogenaamde bekrachtiging van de absolutie worden beschouwd, maar altijd moet de ziel zich er vernieuwd in openstellen voor de genade.

 

Ook gij zijt rein, ofschoon niet allen. De Heer beschouwt de leerlingen als rein. (...) Ze zijn echter slechts rein op voorwaarde dat zij zich niet verzetten. (...) Zo is ook iemand die berouw heeft rein, zelfs al heeft hij zijn zonden nog niet voor de priester beleden. In zijn berouw is echter de wil vervat om te biechten. Immers, berouw en belijdenis samen, vormen in de ogen van de Heer een duidelijke eenheid.

Deze reiniging is louter genade. In zijn geheel is ze het werk van Gods volkomen liefde en vernedering. Dat wij ons daarbij moeten vernederen kan Hij ons echter niet besparen, doch daarin schept Hij geen behagen, integendeel; door zijn eigen vernedering wil Hij ons de onze zo weinig mogelijk laten voelen.

In elke biecht zouden de christenen de vernedering van God steeds dieper als de hunne moeten ervaren.

 

 

11. Hij wist immers wie Hem zou overleveren. Daarom zei Hij: 'Niet allen zijt gij rein.'

 

Hoewel de Heer zijn verrader kent, duidt Hij hem niet aan. Uiterlijk beschouwd maakt deze nog deel uit van de gemeenschap, hoewel hij zich innerlijk van de Heer heeft afgekeerd. De Heer stoot niemand uit; als iemand zich verwijdert, dan sluit deze zichzelf uit. De Heer verwijst evenmin naar Hem, als naar degene die weldra de gemeenschap zal verlaten. De schanddaad is immers helemaal nog niet openbaar. Zo kan de Kerk de schanddaden niet aan het licht brengen, vooraleer degene die aanstoot geeft er zelf toe noopt.

 

De schandelijke daad van Judas is van die aard, dat ze moest plaatsvinden. Er zijn echter zoveel andere schanddaden in de Kerk die geen duidelijke reden hebben. Maar ook dan bespaart de Heer haar die ergernis niet. Is het omdat de Heer zelf de schande van het kruis op zich genomen heeft ? Is het omdat door de schanddaad van de één, de anderen in de Kerk opgeschrikt werden en daarmee bevestigd in hun trouw aan de Kerk ? In elk geval wordt er geduld dat er ergernis is in de Kerk, en wel tot in het meest heilige toe. Precies in de zaal van het laatste avondmaal verdraagt de Heer ze. De Kerk moet de schanddaden verdragen, ze mag ze niet uit de weg gaan, niet ontkennen, niet doen alsof ze er niet zijn, er geen afstand van nemen.

 

Er wordt echter ook niet gezegd dat de Kerk onmiddelijk en met alle middelen een schanddaad moet onderdrukken, door het kwaad uit te stoten. Het is immers mogelijk dat de zondaar zich nog bekeert. Zo laat de Heer ook Judas niet vallen. Het kan beter zijn het gezwel te laten te laten rijpen, dan het mes er te vroeg in te zetten om alles in de kiem te smoren. Niet elk aanstootgevend boek hoeft onmiddelijk verboden te worden, ook niet als het misschien niet onmiddelijk beantwoordt aan de leer van de Kerk. Wellicht kan men het beter eerst laten uitspreken en de misverstanden op klaarlichte dag en in der minne weer in het reine brengen. De zondaars in de Kerk zijn talrijk en iedere zonde is een schanddaad en een verborgen ketterij. De Kerk echter wordt samengehouden door de liefde.

 

De Heer heeft altijd geweten wie Hem zou verraden. En toch heeft Hij hem geroepen om deel uit te maken van de uitverkorenen. Zo heeft Hij erop gewezen dat het ook in de Kerk altijd zo zal zijn. Geen enkele geroepene mag zich veilig wanen in de overtuiging dat hij geen verraad zou kunnen plegen. Wij moeten niet bouwen op onze roeping, maar op de genade van de Heer.

Precies uit de intieme kring van de apostelen komt het beslissend verraad. Het komt van iemand aan wie de volheid van de liefde van de Heer werd aangeboden. Hij heeft ze echter niet aanvaard. Velen zijn in waarheid en niet alleen in schijn geroepen tot het priesterschap of het religieuze leven, en toch worden zij verraders.

 

 

12. Toen Hij dan hun voeten had gewassen, zijn bovenkleren had aangetrokken en weer aan tafel was gegaan, sprak Hij tot hen: 'Begrijpt gij wat Ik u gedaan heb ?"

 

De Heer heeft de voeten gewassen van elk van de leerlingen. Vanaf het ogenblik dat het eens op officiële wijze gebeurd is, gebeurt het verder, en eenieder die tot de Kerk behoort, komt aan de beurt. Bij ieder zal de Heer zelf de handeling voltrekken.

 

Vanaf dit ogenblik zijn de leerlingen vrij om de verkregen genade in hun apostolaat verder te geven. Het is dan ook noodzakelijk dat zij objectief begrijpen waarin de genade bestond.

De Heer wijst er echter vooral op dat Hijzelf er een noodzakelijke rol in speelde. Het was niet de daad van een willekeurig iemand, maar de daad van Hem, de Heer. Op dit ogenblik schrijft Hij zijn daad niet eens aan de Vader toe, maar Hij maakt er zelf aanspraak op. Hij is de Heer die de sacramenten schenkt.

 

 

13. "Gij spreekt mij aan als Leraar en Heer, en dat doet gij terecht, want dat ben Ik."

 

De Heer is inderdaad de Meester van hen die Hem erkennen, en die door deze benaming Leraar en Heer, uitdrukking geven aan deze erkenning.

De Heer erkennen betekent niet alleen Hem als Heer en Leraar belijden, maar alle gevolgen van deze belijdenis aanvaarden: zich laten betrekken in alles wat de Heer van ons eist en waartoe wij ons noodzakelijkerwijs ter beschikking moeten stellen. De Heer erkennen betekent een deur openen die men niet opnieuw mag sluiten.

 

De Heer van zijn kant erkent deze erkenning: dat zegt gij terecht want dat ben Ik. De Heer keurt zijn eigen naam goed, met alles wat deze aan verplichtingen inhoudt. Zodra een mens zijn zoektocht begonnen is en Hem de eerste maal erkent, krijgt hij van de Heer deze aanmoediging en bevestiging.

 

Toch wacht Hij ermee tot na de voetwassing. Zijn leerlingen mogen Hem slechts Leraar en Heer noemen, wanneer zij erkend hebben dat zij zondaars zijn. Het is onmogelijk de Heer te zoeken en te erkennen vanuit het gevoel van eigen volmaaktheid, vanuit de volheid van zijn eigendunk.

De eerste stap in het erkennen van God is altijd het gevoel van eigen beperktheid. Wie erkent dat hij zondaar is, wordt onmiddelijk door de Heer erkend en hem wordt de gelegenheid geboden de Heer te erkennen.

De vernedering echter die de Heer als voorwaarde stelt, wordt vergemakkelijkt door het feit dat de Heer zich tevoren nog veel meer vernederd heeft. Nergens komt de liefde van de Heer beter tot uiting dan in de biecht.

 

Want dat ben Ik. Dit is een beslissende en volledige uitspraak, als een teken dat de biecht op een bijzondere wijze door Hem persoonlijk werd ingesteld als een weg en een getuigenis van de verlossing. Daarom verwijst de Heer hier niet naar de Vader, maar spreekt Hij over zichzelf. Omdat Hij het echter is, en omdat Hij dit waarborgt, hoeft niemand zich te kwellen met de gedachte hoe het bij de Vader mag staan met zijn zonden. Daarvoor staat de Heer borg.

Zo is het ook niet de Vader die door de priester belichaamd wordt, maar de Heer. (...)

Uiteindelijk gaat de biecht, zoals alle sacramenten en alles wat de Zoon gedaan en ingesteld heeft, op de Vader terug. De Zoon deelt ze uit in de houding van volkomen deemoed en overgave aan de Vader. (...)

De sacramenten zijn immers ingesteld met het oog op het terugschenken van de wereld aan God. In de sacramenten begeleidt de Heer de verlosten zo op weg naar de Vader, dat Hij hen telkens opnieuw hun zonden vergeeft en hen in deze voorlopige verlossing voorbereidt op de grote verlossing in de hemel, waarbij Hij hen definitief aan de Vader zal teruggeven.

 

 

14. "Maar als Ik, de Heer en Leraar, uw voeten heb gewassen, dan behoort ook gij elkaar de voeten te wassen."

 

Het is de eerste maal dat de Heer hier de rechtstreekse overgang maakt van zijn daad naar zijn gebod. Voor de eerste maal weerklinkt het gebod van de Heer, het gebod van de liefde, als deelname aan de daad van de Heer.

Het is pas nadat de deelname zelf is ingesteld, dat de Heer dit gebod kan formuleren.

 

Door te delen in de liefde van de Heer, kan onze beperkte en persoonlijke liefde zich nu verruimen tot de maat van zijn liefde, die in ieder opzicht eindeloos en alomvattend is. (...) Op deze wijze worden wij door zijn liefde allen broeders onder elkaar, en door ons in zijn liefde te laten delen, kunnen wij elkaar ook als broeders liefhebben.

 

Het is merkwaardig dat de naastenliefde precies door de Heer op het voorplan wordt geschoven naar aanleiding van de voetwassing, een omgaan met vuile voeten. Het gebod dat de Heer nu proclameert is een realistisch gebod, ontdaan van alle dweepzucht. Wat onrein is, moet gewassen worden; en wat men moet tonen, moet werkelijk getoond worden. Zo duikt de liefde op middenin het vuilnis van deze wereld.

 

 

15. "Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gij zoudt doen zoals Ik u gedaan heb."

 

De Heer heeft het volmaakte en stralende voorbeeld van de liefde gegeven, en dit bestaat niet alleen in de liefdesdaad zelf, maar heeft zijn wortels in de liefde tot de Vader en is daarom ook een verwijzing naar de liefde van de Vader.

In dit veelomvattende en oorspronkelijke symbool heeft de Heer alle mensen ingesloten: Johannes, de geliefde leerling, Petrus, die het ambt vertegenwoordigt, Judas, de verrader en de ontelbaar velen die Hem niet kennen en zich van Hem afkeren. Zijn voorbeeld is universeel.

 

Op grond van dit voorbeeld van de Heer zijn wij eerst en vooral tegenover elkaar verplicht om de voeten van onze broeders te wassen, omdat ieder deze opdracht rechtstreeks van de Heer ontvangen heeft.

Verder zijn wij er door dit voorbeeld toe verplicht, ons in het sacrament de voeten te laten wassen door het gevestigde ambt.

En tenslotte verplicht dit voorbeeld ons ertoe, ons door de Heer te laten beminnen en dit precies op de manier die Hij zelf beschikt.

 

Al het ministeriële en al het persoonlijke, alle afzonderlijke wegen, daden en mogelijkheden van de liefde hebben niets te betekenen, als ze geen uitdrukking en geen actualisatie zijn van de liefde van de Heer in de wereld.

 

 

16. "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: een dienaar staat niet boven zijn heer en een gezant niet boven degene die hem gezonden heeft."

 

De leerlingen hebben gelijk, wanneer zij de Heer als hun Leraar en Heer beschouwen. Zij zijn de dienaars. Zij zijn dus niet groter dan Hij. Zij zijn echter niet kleiner omwille van hun dienst, maar omwille van hun mens-zijn, terwijl de Heer de Zoon van God is.

 

De gezant is niet groter dan degene die hem gezonden heeft. De mensen worden door God gezonden om bepaalde taken te verrichten. Ook de Zoon werd gezonden. Door zijn zending van God te aanvaarden, werd Hij niet groter dan God die Hem gezonden heeft. Hij bleef dezelfde die Hij was. En toch maakt zijn zending Hem rijker. (...)

Op dezelfde wijze groeit ook de mens in zijn opdracht en daarin, en alleen daarin, verwezenlijkt hij zichzelf. Hij stijgt echter nooit uit boven Hem die hem gezonden heeft.

 

Omdat echter de mensen groeien samen met hun opdracht, en binnen hun opdracht de mogelijkheid krijgen eraan te beantwoorden, kan de Heer door dit woord tegelijk een hiërarchie vestigen waarin geen dienaar groter is dan degene die hem heeft aangesteld: de kerkelijke hiërarchie, met Petrus aan het hoofd.

Ieder die hier aangesteld wordt moet indachtig zijn, door wie hij aangesteld werd, en dat hij nooit groter kan zijn dan deze en dat hij het zich niet moet aanmatigen groter te willen worden, dat hij niet mag dulden als groter beschouwd te worden dan degene die hem gezonden heeft. Hij moet er zich veeleer helemaal op toeleggen om aangezien te worden als iemand die onder de opdrachtgever staat.

 

De Heer is de liefde en in de Kerk bestaat er geen persoon, en evenmin een ambt, dat belangrijker zou zijn dan deze liefde. Geen opdracht van een mens, ook zijn zending niet, staat boven de Heer, en niemand mag zich op basis van zijn zending, hoe absoluut het karakter ervan ook schijnt te zijn, boven de Heer, boven zijn liefde en zijn liefdegebod verheffen.

 

 

17. "Wanneer gij dit beseft: zalig als gij er naar handelt."

 

Weten betekent, door een waarheid gegrepen zijn, niet alleen zo dat men ze kan beredeneren en verklaren, maar in vertrouwen op de kennis en de bevoegdheid van de Heer. Het is de bereidheid alles zo aan te nemen als de Heer het bedoelt, en dit is zeker groter dan men het zich kan voorstellen.

Weten betekent, God niet alleen met het verstand gelijk geven, maar ook met heel de liefdevolle bereidheid van het hart, met het hele verlangen naar God; niet alleen de waarheid willen begrijpen, maar in de waarheid binnendringen, zich door haar laten grijpen; niet alleen op grond van een overweging voor de waarheid openstaan, maar zich in haar armen werpen, ze reeds liefhebben dus.

Weten betekent tenslotte reeds overgaan in de gehoorzaamheid en in de navolging. Wanneer gij dit weet, betekent dus: wanneer gij bereidt zijn Mij te volgen op een onzekere weg, die echter mijn weg is.

 

Wanneer de leerlingen dit weten zullen zij zalig zijn. Dan vervullen zij de hoogste verwachting, zij staan namelijk open voor de liefde die geen uitstel duldt, voor de onvoorwaardelijke overgave. In dit vervullen zijn zij zelf vervuld: dit is de zaligheid. Maar deze vervulling moet niet enkel een begin, een aanzet zijn, maar een voortduren en standhouden. Dit is het wat de Heer bedoelt met het woord als gij er naar handelt. In deze volharding ligt een grote belofte van de Heer: die van deel te hebben aan Hem, zoals Hij het aan Petrus beloofd heeft.

 

Het hele vers bevat dus een beweging van de mens, die in de beweging van de Heer wordt binnengetrokken en er zich laat binnentrekken.

 

 

 

 

Terug naar startpagina Adrienne Von Speyr