Adrienne von Speyr

Een selectie uit de
overwegingen bij het Johannes-evangelie

Joh. 6,1-15 - De broodvermenigvuldiging

 

Tekst

  1. Daarna begaf Jezus zich naar de overkant van het meer van Galilea, bij Tiberias.
  2. Een grote menigte volgde Hem, omdat zij de tekenen zagen die Hij aan de zieken deed.
  3. Jezus ging de berg op en zette zich daar met zijn leerlingen neer.
  4. Het was kort voor Pasen, het feest van de Joden.
  5. Toen Jezus zijn ogen opsloeg en zag dat er een grote menigte naar Hem toekwam, vroeg Hij aan Filippus: 'Hoe moeten wij brood kopen om deze mensen te laten eten ?'
  6. Dit zei Hij om hem op de proef te stellen, want zelf wist Hij wel wat Hij ging doen.
  7. Filippus antwoordde Hem: 'Wil ieder ook maar een klein stukje krijgen, dan is voor tweehonderd denariën brood nog te weinig.'
  8. Een van zijn leerlingen, Andreas, de broer van Simon Petrus, merkte op:
  9. 'Er is hier wel een jongen met vijf gerstebroden en twee vissen, maar wat betekent dat voor zo'n aantal ?'
  10. Jezus echter zei: 'Laat de mensen gaan zitten'. Er was daar namelijk veel gras. Zij gingen dan zitten; het aantal mannen bedroeg ongeveer vijfduizend.
  11. Toen nam Jezus de broden en na het dankgebed gesproken te hebben, liet Hij ze uitdelen onder de mensen die daar zaten, alsmede de vissen, zoveel men maar wilde.
  12. Toen ze verzadigd waren zie Hij tot zijn leerlingen: 'Haal nu de overgebleven brokken op om niets verloren te laten gaan.'
  13. Zij haalden ze op en vulden van de vijf gerstebroden twaalf manden met brokken, welke door de mensen na het eten overgelaten waren.
  14. Toen de mensen het teken zagen dat Hij had gedaan, zeiden ze: 'Dit is stellig de profeet die in de wereld moet komen.'
  15. Daar Jezus begreep dat zij zich van Hem meester wilden maken om Hem mee te voeren en tot koning uit te roepen, trok Hij zich weer in het gebergte terug, geheel alleen.


Overwegingen

1-2. Daarna begaf Jezus zich naar de overkant van het meer van Galilea, bij Tiberias. Een grote menigte volgde Hem, omdat zij de tekenen zagen die Hij aan de zieken deed.

De grote menigte volgt de Heer. Zij doet dit (nog) niet in het geloof, (nog) niet in de liefde, maar in de nieuwsgierigheid en in de zelfzuchtige verwachting van verdere tekenen.
De Heer maakt van de zwakheid van de nieuwsgierigheid gebruik om er een weg naar het geloof uit te banen.
In haar nieuwsgierigheid begint de menigte een vaag vermoeden van de genade van de Heer te krijgen. Zij is niet meer totaal met zichzelf bezig. Zij is begonnen zich open te stellen in de richting dat niet van haarzelf is.


3-4.
Jezus ging de berg op en zette zich daar met zijn leerlingen neer. Het was kort voor Pasen, het feest van de Joden.

Tegenover de menigte bevindt zich de Heer, die de berg bestijgt en zich neerzet.


5. Toen Jezus zijn ogen opsloeg en zag dat er een grote menigte naar Hem toekwam, vroeg Hij aan Filippus: 'Hoe moeten wij brood kopen om deze mensen te laten eten ?'

De leerling moet deelhebben aan datgene wat nu gaat gebeuren, hij moet van meet af aan de gehele weg van het wonder mee afleggen.
Voortaan zal de Heer hen, die dicht bij Hem staan, die Hij uitverkiest, steeds een klein aandeel geven aan zijn daden, evenals aan zijn lijden.
Hij trekt mensen in zijn mysteriën en in zijn intimiteit binnen, opdat zij deze aan het volk zouden overdragen.
Ook wanneer Hij occasioneel aan één van de zijnen de macht geeft om wonderen te verrichten, of hem aan zijn lijden laat deelnemen, hem misschien zijn smarten schenkt of hem een druppel laat proeven van zijn angst of van zijn Godverlatenheid aan het kruis, dan gebeurt dit alleen om deze mens als een medium en een middelaar tussen zichzelf en het volk te gebruiken.

Vervolg in voorbereiding...

 

 

 

 

Terug naar startpagina Adrienne Von Speyr