Terug naar archief

Bijbelcitaten - 2003

 

27.7 / Deut.6,4-7
Luister, Israël, de Heer is onze God, de Heer alleen !
Gij moet de Heer uw God beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel en met al uw krachten. De geboden die Ik u heden voorschrijf moet ge in uw hart prenten. Ge moet er met uw kinderen telkens opnieuw over spreken; wanneer ge thuis zijt en onderweg, wanneer ge slapen gaat en opstaat.

28.7 / 2 Tess.3,10b-13
Als iemand niet wil werken, zal hij ook niet eten. Wij hebben namelijk gehoord dat sommigen bij u werkeloos rondhangen, alle moeite schuwen, maar zich wel met alles bemoeien. In de naam van de Heer Jezus Christus gebieden en vermanen wij zulke mensen, dat zij regelmatig moeten werken en hun eigen kost verdienen.
En gij allen, word niet moe het goede te doen.

29.7 / Rom.13,11b12-13a
Het uur om uit de slaap te ontwaken is reeds aangebroken. De nacht loopt ten einde, de dag breekt aan. Laten wij ons dus ontdoen van de werken der duisternis en ons wapenen met het licht.
Laten wij ons behoorlijk gedragen, als op klaarlichte dag.

30.7 / Tob.4,14b-15a-16,19a
Neem je in acht, mijn zoon, bij al wat je doet en gedraag je als een welopgevoed man. Wat jij niet wil dat jou geschiedt, doe dat ook een ander niet. Deel je brood met de hongerige en je kleren met de naakte. Besteed al wat je overhebt zonder te aarzelen aan aalmoezen. Prijs onder alle omstandigheden God de Heer en vraag Hem dat je altijd de rechte weg mag behandelen en dat al wat je onderneemt tot een goed einde raakt.

31-7 / Jes.66,2b
Dit zegt de Heer: Ik ben vol zorg voor degenen die nederig zijn zonder pretenties, en vol ontzag voor mijn woord.


01.8 / Ef.4,29-32
Laat geen slecht woord over uw lippen komen, maar spreek een goed woord, opbouwend, als het nodig is, tot zegen voor de hoorders.
Wil Gods heilige Geest niet bedroeven; gij zijt met zijn zegel gewaarmerkt voor de dag der verlossing.
Wrok, gramschap, toorn, geschreeuw en gevloek, kortom alle boosaardigheid moet bij u verdwijnen.
Wees goed voor elkaar en hartelijk.
Vergeef elkaar zoals God u vergeven heeft in Christus.

02.8 / Spreuk.4,23
Behoed je hart meer dan alles wat je moet behoeden, want daar ontspringt de bron van het leven.

03.8 / Joh.6,26-27b
Jezus zei:
"Voorwaar voorwaar Ik zeg u: Gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen hebt gezien, maar omdat gij van de broden hebt gegeten en u verzadigd hebt. Arbeid niet voor de spijs die vergaat, maar voor de spijs die blijft tot in het eeuwige leven, en die de Mensenzoon u zal geven."

04.8 / Jer.15,16
Zodra uw woord mij bereikte verslond ik het; het was mijn vreugde, het maakte mij zielsgelukkig. Ik draag immers uw naam, Heer, God van de heerscharen.

05.8 / 1 Tess.5,4-5
Gij leeft niet in de duisternis zodat de dag u als een dief zou verrassen. Gij zijt allen kinderen van het licht, kinderen van de dag. Wij behoren niet aan nacht en duisternis.

06.8 / Gedaanteverandering van de Heer / Mt.17,5
Een lichtende wolk overschaduwde hen en uit die wolk klonk een stem:
“Dit is mijn Zoon, de welbeminde, in wie Ik mijn welbehagen heb gesteld; luister naar Hem”.

07.8 / Rom.14,17-19
Het koninkrijk van God is geen kwestie van spijs en drank, maar is gerechtigheid, vrede en vreugde door de heilige Geest. Wie op deze wijze Christus dient, is door God aanvaard en geacht bij de mensen. Wij streven dus naar wat de vrede en de opbouw van onze gemeenschap bevordert.

08.8 / Ps.139,12
Voor u heerst in het duister geen duister; lichtend is de nacht als de dag, de duisternis is gelijk licht.

09.8 / Rom.12,14-16a
Zegen hen die u vervolgen; ge moet hen zegenen in plaats van hen vervloeken.
Verblijd u met de blijden en ween met hen die wenen.
Wees eengezind.
Schik u zonder hooghartigheid in de omgang met gewone mensen.
Wees niet eigenwijs.

10.8 / Joh.6,51
Jezus sprak:
“Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid. Het brood dat Ik zal geven is mijn vlees, ten bate van het leven van de wereld.”

11.8 / Jak.2,12
Spreek en handel als mensen die door de wet der vrijheid geoordeeld zullen worden.

12.8 / 1 Joh.4,14-15
Wij hebben gezien en wij getuigen dat de Vader zijn Zoon heeft gezonden om de Heiland van de wereld te zijn. Als iemand erkent dat Jezus de Zoon van God is, woont God in hem en hij in God.

13.8 / Kol.3,15
Laat de vrede van Christus heersen in uw hart; daartoe zijt gij immers geroepen als leden van één lichaam. En wees dankbaar.

14.8 / 1 Petr.4,10-11
Dien elkaar, als goede beheerders van Gods veelsoortige genade, met de gaven zoals ieder die heeft ontvangen. Wie spreekt moet beseffen dat hij Gods woorden spreekt, wie een dienst verricht moet weten dat God het is die hem die kracht verleent. Dan zal God in alles worden verheerlijkt door Jezus Christus.

15.8 / Tenhemelopneming van Maria / Lc.1,46-48b
Maria sprak:
“Mijn hart prijst hoog de Heer. Van vreugde juicht mijn geest om God, mijn redder, omdat Hij welwillend neerzag op de kleinheid van zijn dienstmaagd.

16.8 / 1 Sam.15,22
Zouden brand- en slachtoffers de Heer even lief zijn als gehoorzaamheid aan zijn woord ? Nee, gehoorzaamheid is beter dan offeren, volgzaamheid meer waard dan het vet van bokken.

17 t.e.m. 24.8 geen citaten

25.8 / Apoc.3,20
Ik sta voor de deur en Ik klop. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden, en hij met Mij.

26.8 / Jes.55,1
Kom allen die dorst hebben, kom naar het water, kom ook als ge geen dorst hebt. Drink wijn en melk zonder te betalen. Koop en eet zonder geld.

27.8 / Deut.4,39-40a
Erken heden en prent het in uw hart: de Heer is God en in de hemel boven en op de aarde beneden; er is geen ander. Onderhoud zijn voorschriften en geboden die Ik u heden geef.

28.8 / Mat.13,45-46
Jezus zei: “Het Rijk der hemelen gelijkt op een koopman, op zoek naar mooie parels. Toen hij een parel van grote waarde had gevonden, ging hij alles verkopen wat hij bezat en kocht haar.”

Pauze Bijbelcitaat tot 13 september ‘03


13.9 / Hebr.13,20-21
Moge de God van de vrede, die onze Heer Jezus, de grote herder der schapen, door het bloed van het eeuwig verbond heeft teruggebracht uit de dood, u bevestigen in alle goeds om zijn wil te doen. Moge Hij in ons uitwerken wat Hem behaagt door Jezus Christus.
Hem zij de heerlijkheid tot in de eeuwen der eeuwen ! Amen.

14.9 / Joh.3,17
Jezus zei tot Nicodemus:
“God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden om de wereld te oordelen, maar opdat de wereld door Hem zou worden gered.”

15.9 / Joh.19,26-27
Toen Jezus
(van op het kruis) zijn moeder zag en naast haar de leerling die Hij liefhad (Johannes), zei Hij tot zijn moeder: “Vrouw, zie daar uw zoon”. Vervolgens zei Hij tot de leerling: “Zie daar uw moeder”. En van dat ogenblik af nam de leerling haar bij zich in huis.

16.9 / Zach.2,14
Juich en verheug u, dochter Sion, want zie, Ik kom en Ik zal bij u wonen – zo luidt de godsspraak van de Jahwe.

17.9 / Lc.9,46-48
Zij kregen woorden over de vraag, wie van hen wel de grootste was. Maar Jezus die wist wat zij dachten, nam een kind, zette het naast zich en sprak tot hen:
“Wie dit kind opneemt in mijn Naam, neemt Mij op, en wie Mij opneemt, neemt Hem op die Mij gezonden heeft. Wie dus de kleinste is onder u allen, die is de grootste.”

18.9 / 2 Tim.9,6-9b
God heeft ons niet een geest geschonken van vreesachtigheid, maar een geest van kracht, liefde en bezonnenheid. Schaam u dus niet van onze Heer te getuigen. Schaam u evenmin voor mij, zijn gevangene. Draag uw deel in het lijden voor het evangelie, door de kracht van God, die ons gered en geroepen heeft met een heilige roeping; niet op grond van onze verdiensten, maar volgens het vrije besluit van zijn genade.

19.9 / Spr. 17,1
Beter een stuk droog brood met vrede erbij, dan een huis vol feestmaaltijden en tweedracht.

20.9 / Jak.3,18
Gerechtigheid is een vrucht van de vrede, en slechts wie de vrede nastreven, zullen haar oogsten.

21.9 / Mc.9,33-35
Zij kwamen in Kafarnaüm en, eenmaal thuis, ondervroeg Jezus hen: “Waar hebt ge onderweg over getwist ?” Maar ze zwegen, want ze hadden onderweg een woordenwisseling gehad over de vraag wie de grootste was. Toen zette Hij zich neer, riep de twaalf bij zich en zei tot hen: “Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen moeten zijn, én de dienaar van allen.”

22.9 / Jes.60,18-20
Men hoort niet langer van geweld in uw land, van verwoesting en puin binnen uw grenzen. Uw muren zult gij ‘redding’ noemen, en uw poorten ‘roem’. Bij dag zal de zon uw licht niet meer zijn, de glans van de maan u ’s nachts niet verlichten; de Heer zelf zal uw licht zijn voor eeuwig, uw God en uw luister.

23.9 / Fil.3,14
Vergetend wat achter me ligt, me uitstrekkend naar wat voor me ligt, storm ik af op het doel waartoe God me geroepen heeft in Christus.

24.9 / Wijsh.3,19
Zij die op God vertrouwen zullen de waarheid verstaan en zij die trouw zijn zullen in liefde bij Hem verblijven, want genade en barmhartigheid vallen zijn uitverkorenen ten deel.

25.9 / Joh.4,14
Jezus zei tot de Samaritaanse: “Wie van het water drinkt dat Ik hem zal geven, krijgt in eeuwigheid geen dorst meer; integendeel, het water dat Ik hem zal geven zal in hem een waterbron worden, opborrelend tot eeuwig leven.”

26.9 / Spr.16,23
Het hart van een wijze maakt zijn mond verstandig en geeft kracht aan het betoog van zijn lippen.

27.9 / Jak.3,16
Waar naijver en eerzucht heersen, daar treft men ook onrust aan en allerlei minderwaardige praktijken.

28.9 / Mc.9,42
Jezus zei:
“Als iemand een van deze kleinen die geloven aanleiding tot zonde geeft, het zou beter voor hem zijn als men hem een molensteen om de hals deed en in zee wierp.”

29.9 / Ps.139,13-14a
God, Gij zijt het die mijn kern hebt gevormd, die mij weefde in de schoot van mijn moeder. En ik loof U in het besef dat ik eerbiedwekkend ben van maaksel; een wonder is het wat Gij schiep.

30.9 / Jud.16,13-14
Ik zing voor mijn God een nieuw lied: Heer, groot zijt Gij en heerlijk, wonderbaarlijk is uw kracht, onoverwinnelijk. Dat al uw schepselen U dienen. Want Gij hebt gesproken en zij waren er, Gij zond uw Geest en Hij bracht tot stand; geen is er die uw stem weerstaat.


1 okt./Joh.10,9a
Jezus zei: “Ik ben de deur. Als iemand door Mij binnengaat, zal hij worden gered.”

2 okt./Rom.8,5-6
Zij die leven volgens het vlees, zinnen op wat het vlees wil. Die geleid worden door de Geest, zinnen op de dingen van de Geest. Het streven van het vlees loopt uit op de dood, het streven van de Geest op leven en vrede.

3 okt./Jes.43,1b
Wees niet bevreesd, want Ik heb u verlost, u geroepen bij uw naam; gij zijt van Mij.

4 okt./Hebr.2,11
Hij die heiligt en zij die geheiligd worden, hebben een en dezelfde oorsprong; daarom schrikt Jezus er ook niet voor terug hen zijn broeders en zusters te noemen.

5 okt./Mc.10,7-9
Jezus zei: “Daarom zal de man zijn vader en moeder verlaten om zich te binden aan zijn vrouw en deze twee zullen één vlees worden. Zo zijn zij dus niet langer twee, één vlees als zij geworden zijn. Wat God derhalve heeft verbonden mag een mens niet scheiden.”

6 okt./Spreuken 17,3
De smeltkroes toetst het zilver, de over het goud, maar Jahwe toetst de harten.

7 okt./Rom.813b
Als gij door de Geest de praktijken van de zelfzucht doodt, zult gij leven.

8 okt./1Joh.2,6
Wie aanspraak maakt op verbondenheid met God, moet leven juist zoals Christus geleefd heeft.

9 okt./Mt.5,8
Jezus zei: “Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien.”

10 okt./Jak.1,13-15
Niemand mag zeggen, als hij bekoord wordt: ik word door Gods toedoen bekoord. God brengt niemand in verzoeking, zo min als Hij zelf door het kwade kan worden bekoord. Word iemand bekoord, dan is het altijd door het trekken en lokken van eigen begeerte. Daarna, als de begeerte bevrucht is, baart zij de zonde, en de zonde eenmaal volgroeit, baart de dood.

11 okt./ps.119,29-32
Houd mij ver van de weg der onwaarheid, geef genadig mij deel aan uw wet. De weg der waarheid wil ik kiezen; ik houd mij uw rechtsbestel voor. In uw uitspraken vind ik mijn vastheid; maak Heer dat ik niet wordt beschaamd. Mij valt licht de weg van uw geboden; Gij neemt de druk van mijn hart.

12 okt./Mc10,25
Jezus zei: “Voor een kameel is het gemakkelijker door een oog van een naald te gaan dan voor een rijke in het Koninkrijk Gods te komen”.

13 okt./2Kor.8,1-3
Broeders, wij willen u meedelen welk een gunst God aan de kerken van Macedonië heeft bewezen. Door verdrukkingen zwaar beproefd verheugden zij zich bovenmate en hun bittere armoede werd overrijk in mildheid. Want zij hebben naar vermogen gegeven; ik moet eigenlijk zeggen, boven hun vermogen.

14 okt./Hoogl.1,4
Trek mij mee, laat ons vluchten, neem mij mee, o koning in uw vertrekken ! Wij willen juichen, ons met u verblijden, wij willen zingen van uw liefde, zoeter dan wijn; iedereen moet wel van u houden !

15 okt./Jezus Sirach 3,17
Wat gij doet, mijn zoon, doe dat met zachtheid en gij zult meer bemind worden dan iemand die geschenken geeft.

16 okt./Joh.10,10b
Jezus zei: “Ik ben gekomen opdat zij leven zouden bezitten, en wel in overvloed.”

17 okt./Deut.22,1-3
Wanneer ge een rund of een schaap tegenkomt, dat bij uw broeder is weggelopen, moogt ge niet toezien zonder een hand uit te steken. Het is uw plicht het dier terug te brengen. Als uw broeder niet bij u in de buurt woont of als ge hem niet kent, moet ge het dier mee naar huis nemen en bij u houden, tot uw broeder het komt zoeken. Dan moet ge het hem teruggeven. Hetzelfde geldt voor zijn ezel, voor zijn kleed, in één woord, voor alles wat uw broeder verliest en door u gevonden wordt. Het mag u in geen geval onverschillig laten.

18 okt./1Kor.3,19a
De wijsheid van deze wereld is dwaasheid voor God.

19 okt./Mc10,43b-44
Jezus zei: “Wie onder u groot wil worden, moet dienaar van u zijn, en wie onder u de eerste wil zijn, moet de slaaf van allen zijn.

20 okt./Spreuken 3,3
Laat liefde en trouw u niet verlaten ! Bind ze om uw hals, schrijf ze op de tafel van uw hart.

21 okt./Jes.66,13a
Zoals een moeder haar kind troost, zo zal Ik u troosten.

22 okt./Klaagl.3,23
Uw grote trouw, Heer, is iedere morgen weer nieuw.

23 okt./2Kor.5,15
Christus is voor allen gestorven, opdat zij die leven niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem die ter wille van hen is gestorven en verrezen.

24 okt./Lc.15,1-2
Telkens kwamen tollenaars en zondaars van allerlei slag bij Jezus om naar Hem te luisteren. De farizeeën en de schriftgeleerden morden daarover en zeiden:
‘Die man ontvangt zondaars en eet met hen.’

25 okt./1Joh.4,21
Dit gebod hebben wij van Jezus gekregen: wie God liefheeft moet ook zijn naaste liefhebben.

26 okt./Mc.10,51-52
Jezus vroeg aan de blinde:
“Wat wilt ge dat Ik voor u doe ?”. Hij antwoordde Hem: “Rabboene, maak dat ik zien kan !” Jezus sprak tot hem: “Ga, uw geloof heeft u genezen.” Terstond kon hij zien en hij sloot zich bij Jezus op zijn tocht aan.

27 okt./Spreuken 15,1
Een vriendelijk antwoord doet de gramschap wijken maar een krenkend woord wekt de toorn op.

28 okt./Lc.15,7
Jezus zei:
“In de hemel zal er meer vreugde zijn over één zondaar die zich bekeert, dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben.”

29 okt./Apocal.20,13-14
Christus zegt: “Ik ben de Alfa en de Omega, de eerste en de laatste, de oorsprong en het einde. Zalig die hun kleren rein wassen. Zij zullen recht krijgen op de boom des levens en door de poorten mogen ingaan in de stad.”

30 okt./Deut.15,4
Armen zullen er altijd blijven in het land; juist daarom gebied ik u: doe uw beurs wijd open voor uw behoeftige en arme landgenoot.

31 okt./ps.40,6
Hoe ontelbaar, Heer onze God, zijn de wonderen die Gij verricht hebt; uw bestemmingen om onzentwille; uw grootheid is onvergelijkelijk; wilde ik die onthullen met woorden, het was boven de macht van mijn taal.


1 nov./Mt.5,9
Jezus zei:
“Zalig die vrede brengen, want zij zullen kinderen van God genoemd worden.”

2 nov./Joh.11,25-26a
Jezus sprak tot Martha:
“Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en ieder die leeft in geloof aan Mij, zal in eeuwigheid niet sterven.”

3 nov./Ez.16,49
De ongerechtigheid van je zuster Sodom en haar dochters bestond hierin dat ze leefden in een overdaad waar ze prat op gingen en in zorgeloze rust, en zich over de misdeelde en de behoeftige niet bekommerden.

4 nov./Spreuken 15,2
De tong van de wijzen vloeit over van kennis, maar de mond van de dwazen druipt van domheid.

5 nov./Judas vs.20-21
Dierbare vrienden, bouw uw leven op uw hoogheilig geloof, bid in de kracht van de heilige Geest, bewaar uzelf in Gods liefde, in afwachting van de barmhartigheid van onze Heer Jezus Christus, die u het eeuwige leven zal schenken.

6 nov./Lc.12,22-23
Jezus sprak tot zijn leerlingen: “Wees niet bezorgd voor uw leven, wat ge zult eten en ook niet voor uw lichaam, wat ge zult aantrekken. Het leven is meer dan het voedsel en het lichaam meer dan de kleding.

7 nov./Jes.54,10a
Al wijken de bergen en wankelen de heuvels, mijn trouw, zo spreekt Jahwe, wijkt niet van u.

8 nov./Apoc.21,6
Jezus zegt:
“Wie dorst heeft zal Ik te drinken geven uit de bron van het water des levens, om niet.”

9 nov./Joh.2,16b
Jezus riep uit:
“Maak van het huis van mijn Vader geen markthal.”

10 nov./Tobit3,2b
Rechtvaardig zijt Gij, Heer, en al uw werken en heel uw beleid getuigen van uw barmhartigheid en trouw.

11 nov./Joh.15,27
Jezus zei: “Vrede laat Ik u na, mijn vrede geef Ik u. Niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u.”

12 nov./Rom.8,38-39
Ik ben ervan overtuigd dat noch de dood noch het leven, noch engelen noch boze geesten, noch wat is noch wat zal zijn, en geen macht in de hoge of in de diepte, noch enig wezen in het heelal ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jezus onze Heer.

13 nov./Spreuken 26,27
Wie een kuil graaft, valt er zelf in. Wie een steen voortrolt, wordt er zelf door getroffen.

14 nov./Rom.6,12-13
Laat de zonde niet heersen in uw sterfelijk lichaam, gehoorzaam haar niet, stel uw ledematen niet in haar dienst als werktuigen van ongerechtigheid. Bied uzelf aan God aan als mensen die uit de dood ten leven zijt opgestaan. Offer Hem uw ledematen als werktuigen in dienst van de gerechtigheid.

15 nov./Ps.23,1-3b
De Heer is mijn herder, mij zal niets ontbreken. Hij wijst mij te liggen in grazige weiden. Hij voert mij naar wateren der rust. Hij behoedt mij voor verdwalen.

17 nov./Wijsh.7,10
Meer dan gezondheid en schoonheid kreeg ik de wijsheid lief en ik verkoos haar boven het licht, want de glans die zij uitstraalt dooft nimmer.

18 nov./1 Sam.2,3a
Praat toch niet steeds zo verwaand, laat uit uw mond geen vermetelheid komen.

19 nov./Mt.7,12
Jezus zei: “Alles wat gij wilt dat de mensen voor u doen, doe dat ook voor hen. Dat is Wet en Profeten.”

20 nov./Rom.5,10-11
Toen wij vijanden waren, zijn wij met God verzoend door de dood van zijn Zoon. Des te zekerder zullen wij eenmaal verzoend, gered worden door zijn leven. En dat niet alleen: nu reeds juichen wij in God door Jezus Christus, daar wij de verzoening hebben ontvangen.

21 nov./Pred.5,1b
Als je voor God staat, wees dan niet te vlug met je tong; spreek niet overhaast.

22 nov./Ef.2,10
Gods werk zijn wij, geschapen in Christus Jezus, om in ons leven de goede daden te realiseren die God voor ons al bereid heeft.

23 nov./Joh.18,36
Jezus zei tot Pilatus: “Mijn koningschap is niet van deze wereld. Zou mijn koningschap van deze wereld zijn, dan zouden mijn dienaars en wel voor gestreden hebben dat Ik niet aan de joden werd uitgeleverd. Mijn koningschap is evenwel niet van hier.

24 nov./Ps.92,2-5
Heerlijk is het te loven de Heer, te bezingen uw naam, Allerhoogste, met de dageraad uw goedheid te roemen, in de nachten uw trouw, spelend op de tien snaren, de harp, tokkelend muziek makend op de citer. Want Gij brengt mij in verrukking oh Heer, door alles wat Gij verricht hebt. Mij lied is het werk van uw handen.

25 nov./Zach.8,19b
Heb de waarheid en de vrede lief !

26 nov./Mt.18.21-22
Petrus vroeg aan Jezus:
“Heer, als mijn broeder tegen mij misdoet, hoe dikwijls moet ik hem dan vergeven? Tot zevenmaal toe?” Jezus antwoordde hem: “Nee, zeg Ik u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventigmaal zevenmaal.”

27 nov./Kor.3,17b
De tempel van God is heilig, en die tempel zijt gij.

28 nov./Jes.26,8
Ook wij, Heer God, hopen op de weg die Gij in uw rechtvaardigheid baant, en naar uw naam en gedachtenis gaat ons verlangen uit.”

29 nov./Pred.5,3-4
Heb je God een belofte gedaan, volbreng ze dan zonder uitstel. Hij houdt niet van dwazen. Wat je beloofd hebt moet je volbrengen. Je kunt beter niets beloven dan een gedane belofte niet nakomen.

30 nov./Lc.21,36a
Wees ten allen tijde waakzaam, en bid.


 

1-12 / Klaagl.3,26
Het is goed om in stilte op redding van de Heer te wachten.

2-12 / Jak.5,16b
Het vurig gebed van een rechtvaardige bereikt veel.

3-12 / Mt.6,6
Jezus zei:
“Als gij bidt, ga dan in uw binnenkamer, sluit de deur achter u en bid tot uw Vader die in het verborgene is, en uw Vader die in het verborgene ziet zal het u vergelden.”

4-12 / Ps.31,25
Wees sterk, onverslagen van hart, gij die allen hoopvol op de Heer wacht.

5-12 / Filip.3,20
Ons vaderland is in de hemel, en uit de hemel verwachten wij onze verlosser, de Heer Jezus Christus.

6-12 / Wijsh.1,1b
Richt uw gedachten op de Heer in goede gezindheid en zoek Hem in eenvoud van hart.

7-12 / Lc.3,5b-6
Joh.de Doper riep uit:
“De kronkelpaden moeten recht worden, de ruwe wegen geëffend. En heel de mensheid zal Gods redding zien !”

8-12 / Tobit 4,19a
Prijs onder alle omstandigheden God de Heer en vraag Hem dat je altijd de rechte weg mag bewandelen.

9-12 / Jak.5,7
Heb geduld, broeders en zusters, op de komst van de Heer. De boer die uitziet naar de kostelijke vrucht van zijn land kan alleen maar geduldig wachten totdat in de herfst en het voorjaar de regen valt.

10-12 / Mc.13,37
Jezus zei tot zijn leerlingen:
“Wat Ik jullie zeg, zeg Ik tegen iedereen: Wees waakzaam !”

11-12 / Ps.25,8-9
De Heer is mild en waarachtig, wie dwalen wijst Hij de weg, de nederigen brengt Hij op het rechte spoor, Hij leert hun zijn weg.

12-12 / Jes.26,7
Het pad van de vrome mens is effen. Gij, Heer God, baant een rechte weg voor hem.

13-12 / Jes.52,7
Hoe lieflijk zijn op de bergen de voeten van de vreugdebode die vrede meldt; de vreugdebode met goed bericht die de boodschap van heil laat horen en tot Sion zegt: ‘Uw God is Koning !’

14-12 / Lc.3,10-11,18
De mensen stelden Johannes de Doper de vraag:
“Wat moeten wij doen ?” Hij gaf hun ten antwoord: “Wie dubbele kleding draagt, laat hij delen met wie niets heeft, en wie voedsel heeft, laat hij hetzelfde doen.” Zo, en met nog vele andere vermaningen verkondigde Johannes de Blijde Boodschap.

15-12 / Jes.56,1£
Zo spreekt de Heer: ‘Onderhoud het recht, beoefen de gerechtigheid, want de komst van mijn redding is nabij en mijn gerechtigheid wordt weldra geopenbaard.’

16-12 / Zach. 7,9-10
Spreek eerlijk recht en bewijs elkander liefde en barmhartigheid. Verdruk niet de weduwe en de wees, de vreemdeling en de arme, en beraam tegen elkaar geen kwaad.

17-12 / Mc.1,8
Johannes de Doper zei tot het volk:
“Ik heb u gedoopt met water maar Hij die na mij komt, zal u dopen met de h.Geest.”

18-12 / Zach. 8,16
Wat gij doen moet is het volgende: Spreek de waarheid tegen elkander, vel in uw poorten eerlijke vonnissen; vonnissen die vrede stichten. Beraam tegen elkaar geen kwaad en verafschuw valse eden. Want al die dingen haat Ik, zo luidt de godsspraak van Jahwe.

19-12 / Hand.10,4b
De engel sprak tot Cornelius:
“Uw gebeden en aalmoezen zijn omhoog gestegen en zijn voortdurend in Gods gedachte.”

20-12 / Rom. 3,3a-4a
Gij zegt dat sommigen van hen ontrouw zijn geworden ? Dan vraag ik u: kan hun ontrouw Gods ontrouw teniet doen ? Nooit ! God is waarachtig.

21-12 / Lc.1,41b-42
Vervuld van de h.Geest sprak Elisabeth tot Maria met luide stem:
“Gij zijt gezegend onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot.” “Zalig zij die geloofd heeft dat tot vervulling zal komen wat haar vanwege de Heer gezegd is.”

22-12 / Ps.25,1
Tot U, Heer, stijgt mijn verlangen.

23-12 / Rom.13,12
De nacht loopt ten einde, de dag breekt aan. Laten wij ons dus ontdoen van de werken der duisternis en ons toerusten met de wapens van het licht.

24-12 / Baruch 4,36
Kijk naar het oosten, Jeruzalem, naar de vreugde die God u brengt.

25-12 / Lc2,15-16 / Kerstmis
De herders zeiden tot elkaar: “Kom, laten we naar Betlehem gaan om te zien wat er gebeurd is en wat de Heer ons bekend heeft gemaakt.” Ze haastten zich erheen en vonden Maria en Jozef en het pasgeboren Kind liggend in de kribbe.

26-12 / Titus 2,11
De genade van God is verschenen, bron van redding voor alle mensen !

27-12 / Lc.1,67-69
Vervuld van de h.Geest sprak Zacharias: ‘Geprezen zij de Heer, de God van Israël, omdat Hij zijn volk heeft bezocht en het bevrijd. Een redder heeft Hij ons verwekt, in het geslacht van David, zijn getrouwe.

28-12 / Lc.2,49-51
Jezus zei tot zijn ouders: “Wist ge dan niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn ?” Zij begrepen echter niet wat Hij daarmee bedoelde. Hij ging mee naar Nazareth en was hun onderdanig. Maria bewaarde alles wat er gebeurd was in haar hart.

29-12 / Ps.23,6b
Verblijven mag ik in het huis van de Heer tot in lengte van dagen.

30-12 / Jes.49,15
Zal een vrouw haar zuigeling vergeten, een liefhebbende moeder het kind van haar schoot ? En zelfs als die het zou vergeten, Ik vergeet u nooit !

31-12 / Ef.5,20
Zeg altijd dank aan God, die Vader is, in de naam van onze Heer Jezus Christus.

 

Terug naar archief