Terug naar archief

Bijbelcitaten - 2004

 

1-1 / Deut.5,33
Bewandel van het begin tot het eind de weg die God de Heer u heeft voorgeschreven. Dan zult gij leven.

2-1 / Rom.12,2
Stem uw gedrag niet af op deze wereld. Word andere mensen, met een nieuwe visie. Dan zult ge in staat zijn uit te maken wat God van u wil, wat goed is, wat zéér goed is en volmaakt.

3-1 / Ps.23,3b
God de Heer leidt mij in sporen van waarheid, getrouw aan zijn naam.

4-1 / Mt.2,11a
De drie wijzen gingen binnen, zagen het Kind met zijn moeder Maria en op hun knieën neervallend betuigden zij het hun hulde.

5-1 / Hebr.13,15-16
Door Jezus willen wij God voortdurend een lofoffer brengen, de hulde namelijk van lippen die zijn naam prijzen. Vergeet ook nooit elkaar goed te doen en te helpen, want dat zijn de offers die God behagen.

6-1 / Spreuk.3,13-14
Gelukkig de mens die wijsheid vindt, de mens die inzicht verkrijgt, want men kan beter inzicht verwerven dan zilver, beter wijsheid winnen dan goud.

7-1 / Mt.13,44
Jezus zei:
“Het rijk der hemelen gelijkt op een schat, verborgen in een akker. Toen iemand hem vond verborg hij hem weer, en in zijn blijdschap ging hij allen te gelde maken wat hij bezat en kocht die akker.

8-1 / Jezus Sirach 10,23
Als leem, dat de pottenbakker in zijn hand heeft om het te boetseren naar zijn welbehagen; zo zijn de mensen in de hand van hun Maker, die aan ieder geeft naar zijn beslissing.

9-1 / Ps.23,4
Moest ik gaan door het dal van de schaduw des doods, kwaad zou ik niet vrezen. Want Gij gaat naast mij.

12-1 / Joh.14,23
Jezus zei:
“Als iemand mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden; mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen.”

13-1 / Jak.1,23-25
Wie het woord hoort maar niet volbrengt, lijkt op iemand die het gelaat waarmee hij geboren is in een spiegel bekijkt; nauwelijks heeft hij zichzelf bekeken, of hij gaat heen en is vergeten hoe hij eruit zag. Maar wie zich verdiept in de volmaakte wet, de wet van de vrijheid, en daarbij blijft, niet als een vergeetachtig toehoorder, maar als een uitvoerder metterdaad, die zal zalig zijn door zijn doen.

14-1 / Jes.55,10-11
Zoals de regen en de sneeuw uit de hemel neerdalen en daarheen pas terugkeren wanneer zij de aarde hebben gedrenkt, haar hebben bevrucht en met planten bedekt, wanneer zij zaad hebben gegeven aan de zaaier, en brood aan de eter; zo zal het ook gaan met mijn woord dat voortkomt uit mijn mond; het keert niet vruchteloos naar Mij terug, maar pas wanneer het heeft gedaan wat mij behaagt, en alles heeft volvoerd waartoe Ik het gezonden heb.

15-1 / Joh.8,31b-32
Jezus zei:
“Indien gij trouw blijft aan mijn woord, zijt gij waarlijk mijn leerlingen. Dan zult ge de waarheid kennen en de waarheid zal u vrijmaken.”

16-1 / Hebr.11,8
Door het geloof heeft Abraham gehoor gegeven aan de roepstem van God en ging hij op weg naar een land dat bestemd was voor hem en zijn erfgenamen. Hij vertrok zonder te weten waarheen.

17-1 / Apoc.3,20
Jezus zegt:
"Ik sta voor de deur en Ik klop. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden, en hij met Mij.”

18-1 / Joh.2,5
Toen op het bruiloftsfeest te Kana de wijn op was, zei Maria tot de bedienden: “Doe maar wat Jezus u zeggen zal.”

19-1 / Ps.19,9
Wat God de Heer voorschrijft is goed, een vreugde voor het hart. Wat Hij verordent is helder, een licht voor de ogen.

20-1 / Joh.8,12
Jezus zei: “Ik ben het licht van de wereld. Wie mij volgt dwaalt niet rond in de duisternis, maar zal het licht van het leven bezitten.”

21-1 / Ef.5,8-9
Eens waart gij in duisternis, nu zijt gij licht door uw gemeenschap met de Heer. Leef dan ook als kinderen van het licht. En de vrucht van het licht kan alleen maar zijn: goedheid, gerechtigheid en waarheid.

22-1 / Jes.61,4
Zoals de aarde groen voortbrengt en een tuin het opgenomen zaad ontkiemen doet, zo laat God de Heer uw heil ontkiemen, uw luister voor het oog van alle volken.

23-1 / Lc.13,19
Jezus zei:
“Het Rijk Gods gelijkt op een mosterdzaadje dat iemand in zijn tuin zaaide; het groeide en werd een grote boom en de vogels uit de lucht nestelden in zijn takken.

24-1 / Ps.119,162
Heer, ik prijs mij gelukkig om uw belofte; ik ben gelukkiger dan de mens die een rijke buit in de schoot krijgt geworpen.

25-1 / Lc.4,17-19,21
Ze reikten Jezus de boekrol aan van de profeet Jesaja. Hij opende de rol en vond de plaats waar geschreven stond: ‘De geest des Heren is over mij gekomen, omdat Hij mij gezalfd heeft. Hij heeft mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken, aan blinden dat zij zullen zien, om verdrukten te laten gaan in vrijheid, om een genadejaar af te kondigen van de Heer.’

Toen begon Hij hen toe te spreken: “Het schriftwoord dat gij zojuist gehoord hebt, is thans in vervulling gegaan.”

26-1 / Rom.13,14a
Bekleed u met de Heer Jezus Christus.

27-1 / Jes.61,10
Ik verheug mij uitbundig om Jahwe, ik jubel en juich om mijn God, want Hij heeft mij bekleed met gewaden van redding, mij gehuld in een mantel van heil, zoals de bruidegom een kroon opzet en de bruid zich met haar opschik tooit.

28-1 / Gen.1,27
God sprak: “Nu gaan Wij de mens maken, als beeld van Ons, op Ons gelijkend.”

29-1 / Ef.4,24
Bekleed u met de nieuwe mens die naar Gods beeld is geschapen in ware gerechtigheid en heiligheid.

30-1 / Mat.5,48
Jezus zei:
“Wees volmaakt zoals uw Vader in de hemel volmaakt is.”

31-1 / Ps.84,6
Gelukkig de mensen die sterk zijn in God, met de pelgrimsweg in het hart.


1-02 / Lc.4,29-30
Ze sprongen overeind, joegen Jezus de stad uit en dreven hem voort tot aan de steile rand van de berg waarop hun stad gebouwd was, om Hem daar in de afgrond te storten. Maar Hij ging midden tussen hen door en vertrok.

2-02 / Opdracht van de Heer in de tempel / Lc.2,34b-35a
Simeon sprak tot Maria: ‘Zie, dit Kind is bestemd tot val of opstanding van velen in Israël, tot een teken dat weersproken wordt, opdat de gezindheid van vele harten openbaar moge worden’.

3-02 / Jer.14,20
Heer, wij erkennen onze misdaden en de schuld van onze voorvaderen. Wij hebben inderdaad tegen U gezondigd.

4.02 / Mt.9,13b
Jezus zei:
“Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars”.

5.02 / Hand.10,34-35
Petrus nam het woord en sprak: “Nu besef ik pas goed dat er bij God geen aanzien des persoons bestaat, maar dat uit welk volk ook ieder die godvrezend is en het goede doet, Hem welgevallig is”.

6.02 / Tobit 12,6
Loof God en dank Hem, eer Hem en laat alles wat leeft jullie dankbaarheid horen voor hetgeen Hij voor jullie gedaan heeft. Het is goed om God te loven en zijn naam te verheerlijken door vol ontzag melding te maken van zijn werken. Aarzel niet Hem jullie erkentelijkheid te betuigen.

7.02 / Ps.5,12a
Heer God, iedereen die bij U schuilt vindt vreugde en mag zingen zonder ophouden.

8.02 / Lc.5,10b
Na de uitdrukkelijke grote visvangst zei Jezus tot Simon: “Wees niet bevreesd, voortaan zult ge mensen vangen”.

9.02 / Hand.1,8
Jezus zei:
“Gij zult kracht ontvangen van de heilige Geest die over u komt om mijn getuigen te zijn in Jeruzalem, in geheel Jedea en Samaria tot aan het uiteinde der aarde.”

10.02 / Ps.73,28
Mijn rijkdom is de nabijheid van God; tot Hem heb ik mijn toevlucht genomen. Van al zijn werken zal ik getuigen.

11.02 / Joh.15,22
Jezus zei:
“Was Ik niet gekomen en had Ik niet tot hen gesproken, zij zouden geen schuld hebben. Nu echter hebben zij voor hun zonde geen verontschuldiging.”

12.02 / Job 36,3
Ik haal mijn wijsheid van ver, namens mijn Maker verkondig ik u de waarheid.

13.02 / Kol.4,6
Laat uw spreken steeds innemend zijn, met een vleugje zout erbij, zodat gij iedereen het juiste antwoord weet te geven.

14.02 / Jez.Sir.51,29
Verheug jullie in de barmhartigheid van de Heer en schaam je niet Hem te loven.

15.02 / Lc.6,22-23a
Jezus zei:
“Zalig zijt gij wanneer de mensen u haten, wanneer men u buitensluit en beschimpt, wanneer men uw naam door het slijk haalt omwille van de Mensenzoon; dans die dag van blijdschap, want groot zal uw loon zijn in de hemel.”

16.02 / Gal.5,19-21a
De uitingen van de zelfzucht zijn bekend: ontucht, onreinheid, losbandigheid, afgodendienst, tovenarij, vijandschap, twist, afgunst, uitbarstingen van woede, intriges, ruzies, partijschappen, jaloersheden, drinkgelagen, orgieën en dergelijke.

17.02 / Gal.5,22
De vrucht van de Geest is liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtheid, ingetogenheid.

18.02 / Gal.5,24
Zij die Christus Jezus toebehoren hebben het vlees gekruisigd met zijn hartstochten en begeerten.

19.02 / Spr. 4,23
Behoed je hart meer dan alles wat je moet behoeden, want daar ontspringt de bron van het leven.

20.02 / Joh.12,46
Jezus zei: “Als een licht ben Ik in de wereld gekomen, opdat al wie in Mij gelooft niet in de duisternis blijft.”

21.02 / Ps.147, 10,4
Wat God begeert is geen kracht van paarden en stoere mannen zijn hem niets waard. Hij hecht er slechts aan dat men Hem eerbiedigt en op zijn genade vertrouwt.

22.02 / Lc.6,27-28
Jezus zei:
“Tot u die naar Mij luistert zeg Ik: Bemin uw vijanden, doe wel aan die u haten, zegen hen die u vervloeken en bid voor hen die u mishandelen”.

23.02 / 1 Sam.2,9b
De mens is niet door zijn eigen kracht sterk.

24.02 / Gal.2,20
Ikzelf leef niet meer; Christus is het die leeft in mij.

25.02 / Aswoensdag / Mt.7,16-18
Jezus zei:
“Als gij vast, zet dan geen somber gezicht zoals de schijnheiligen; zij verstrakken hun gezicht om aan de mensen te tonen dat zij aan het vasten zijn. Voorwaar Ik zeg u: zij hebben hun loon al ontvangen. Maar als gij vast, zalf dan uw hoofd en was uw gezicht, om niet aan de mensen te laten zien dat gij vast, maar vast voor uw Vader die in het verborgene is, en uw Vader die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.”

26.02 / Joël 2,13
Scheur uw hart en niet uw kleren, keer terug tot Jahwe, uw God, want genadig is Hij en barmhartig, lankmoedig en vol liefde.

27.02 / 2 kor.6,1
Als Gods medewerkers sporen wij u aan: zorg dat ge Gods genade niet tevergeefs ontvangt.

28.02 / Ps.51,9
God, sprenkel mij met hysop dat ik rein word, was mij dat ik witter word dan sneeuw.

29.02 / Lc.4,4
Jezus gaf de duivel ten antwoord: “De mens leeft niet van brood alleen”.


1-3 / Ezech.18,23
Zou Ik soms behagen scheppen in de dood van de zondaar, zo luidt de godsspraak van de Heer, uw God, en niet veel liever zien dat hij zijn leven betert en in leven blijft ?

2-3 / Rom.12,1
Ik smeek u bij Gods erbarming: wijd uzelf aan Hem toe als een levende, heilige offergave, die Hij kan aanvaarden. Dat is de geestelijke eredienst die bij u past.

3-3 / Mt.9,13a
Jezus zei: “Ga heen en leer wat het zeggen wil: Ik wil liever barmhartigheid dan offers”.

4-3 / Jes.55,6-7
Zoek de Heer nu Hij te vinden is; roep Hem aan nu Hij nabij is. Laat de boosdoeners ophouden, laat de zondaars van gedachte veranderen en terugkeren naar de Heer. Onze God zal zich over hen ontfermen: zijn vergevingsgezindheid is groot.

5-3 / Ps.84,12
De Heer is een zon, de Heer is een schild, Hij is liefde en luister; geen enkel goed zal Hij onthouden aan degenen die eerlijk zijn wegen gaan.

6-3 / 1 Joh.4,16b
God is liefde; wie in de liefde woont, woont in God, en God is met hem.

7-3 / Lc.9,35
Uit de wolk klonk een stem die sprak:
‘Dit is mijn Zoon, de Uitverkorene, luister naar Hem’.

8-3 / Ps.43,3
God, zend mij uw licht en uw trouw, zij zullen mij leiden, meevoeren naar uw heilige berg, naar de tent waar Gij woont.

9-3 / Jes.50,4b
De Heer wekt mij met een woord in de morgen. Hij wekt mijn oor om als een leerling te luisteren.

10-3 / Joh.10,27
Jezus zei:
“Mijn schapen luisteren naar mijn stem; Ik ken ze en ze volgen Mij.”

11-3 / 1 Joh.2,9
Wie zegt in het licht te wonen maar zijn broeder haat, die woont nog steeds in duisternis.

12-3 / Ef.5,14b
Ontwaak, slaper, sta op uit de dood en Christus’ licht zal over u stralen.

13-3 / Ps.18,31
Het woord van de Heer is puur goud; het is een schild voor wie zijn heil bij Hem zoekt.

14-3 / Lc.13,8b-9a
‘Heer, laat die boom dit jaar nog staan; dan zal ik eerst de grond er omheen omspitten en bemesten; misschien draagt hij volgend jaar vrucht.'

15-3 / Gal.5,13
Gij zijt geroepen tot vrijheid. Misbruik de vrijheid niet als voorwendsel voor de zelfzucht. Integendeel, dien elkaar door de liefde.

16-3 / Wijsh.7,24
De wijsheid is beweeglijker dan alle beweging; zij doordringt en doortrekt alles door de kracht van haar zuiverheid.

17-3 / Joh.14,6a
Jezus zei:
“Ik ben de weg, de waarheid en het leven.”

18-3 / Jez.Sir.27,9b
De waarheid keert steeds terug naar wie haar beoefenen.

19-3 / heilige Jozef / Mt.1,20-21,24
In een droom van Jozef verscheen een engel van de Heer die tot hem sprak:
“Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen; het kind in haar schoot is van de heilige Geest. Zij zal een zoon ter wereld brengen die gij Jezus moet noemen, want Hij zal zijn volk redden uit hun zonden.”
Ontwaakt uit de slaap deed Jozef zoals de engel van de Heer hem bevolen had en nam zijn vrouw tot zich.

20-3 / 2 Kor.5,19a
God was het die in Christus de wereld met zich verzoende.

21-3 / Lc.15,23-24a
De vader gelastte zijn knechten: ‘Haal het gemeste kalf en slacht het; laten we eten en feest vieren, want deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden; hij was verloren en is teruggevonden.’

22-3 / 2 Kronieken 30,9b
Jahwe, uw God, is genadig en barmhartig; Hij zal zijn aanschijn niet van u afwenden als gij u tot Hem bekeert.

23-3 / Hebr.4,16
Laten wij vrijmoedig naderen tot de troon van Gods genade, om barmhartigheid en genade te vinden en zo hulp krijgen op de juiste tijd.

24-3 / Ps.86,5
Gij , Heer, zijt goed en schenkt vergeving. Gij zijt vol liefde voor ieder die U aanroept.

25-3 / Lc.6,36
Jezus zei: “Wees barmhartig zoals uw Vader barmhartig is.”

26-3 / 2 Sam.24,14b
David zei:
“Wij kunnen beter in de handen van de Heer vallen, want zijn barmharigheid is groot, dan in de handen van mensen.”

27-3 / Fil.3,8-9a
Ik beschouw alles als verlies, want mijn Heer Jezus Christus kennen gaat alles te boven. Om Christus heb ik alles prijsgegeven en houd ik alles voor afval als het erom gaat Hem te winnen en één te zijn met Hem.

28-3 / Joh.8,7b,9-11
Jezus richtte zich op en zei tot hen:
“Laat degene onder u die zonder zonden is het eerst een steen op haar werpen.” Toen zij dit hoorden dropen zij een voor een af, de oudsten het eerst, totdat Jezus alleen achterbleef met de vrouw die daar was blijven staan.
Jezus sprak tot haar:
“Vrouw, waar zijn ze gebleven ? Heeft iemand u veroordeeld ?” Zij antwoordde: “Niemand Heer.” Toen zei Jezus: “Ook Ik veroordeel u niet; ga heen en zondig van nu af niet meer.”

29-3 / Spr.20,22
Zeg toch niet: ‘Ik zal het kwaad vergelden’. Vertrouw op de Heer en Hij zal u bevrijden.

30-3 / Kol.3,19
Mannen, heb uw vrouw lief en wees niet ruw tegen haar.

31-3 / Tim.3,11
Ook de vrouwen moeten eerzaam zijn, geen kwaadspreeksters, matig en in ieder opzicht betrouwbaar.


1-04 / Spreuken 15,12b
Een blij hart maakt het aangezicht vrolijk.

2-04 / Jes.5,20
Wee hen die het kwade goed noemen en het goede kwaad, die van het duister licht maken en van het licht duisternis, van bitter zoet en van zoet bitter.

3-04 / 3Joh.11
Dierbare vriend, volg niet het kwade, wel het goede. Wie goed doet is uit God, wie kwaad doet heeft God niet gezien.

4-04 / Palmzondag / Lc.19,42a
Toen Jezus Jeruzalem naderde, liet Hij zijn blik over de stad gaan en weende over haar, terwijl Hij zei: “Mocht ook gij op deze dag inzien wat u tot vrede strekt !”

5-04 / Jez.Sir.4,28
Tot de dood toe moet ge voor de waarheid vechten; dan zal God de Heer voor u strijden.

6-04 / Lc.9,23-24
Jezus sprak: “Wie mijn volgeling wil zijn moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en elke dag opnieuw zijn kruis op te nemen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest, om Mijnentwil, die zal het redden.”

7-04 / Spr. 24,1-2
Benijd de boosdoeners niet en verlang niet naar hun gezelschap, want hun hart overweegt geweld en hun lippen spreken onheil.

8-04 / Witte Donderdag / Joh.13,8b
Jezus sprak tot Petrus:
“Als ge u niet door Mij laat wassen, kunt ge mijn deelgenoot niet zijn.”

9-04 / Goede Vrijdag / Joh.19,30
Toen Jezus van de zure wijn genomen had, zei Hij:
“Het is volbracht”. Daarop boog Hij het hoofd en gaf de geest.

10-04 / Stille Zaterdag / Ps.37,7a
Wees stil voor de Heer; kijk naar Hem uit.

11-04 / Pasen / Joh.20,16-18
Jezus zei tot Maria Magdalena:
“Maria !” Zij keerde zich om en zei tot Hem in het Hebreeuws “Raboeni !”, wat leraar betekent.
Toen sprak Jezus:
“Houd Mij niet vast, want Ik ben nog niet opgestegen naar mijn Vader, maar ga naar mijn broeders en zeg hun: Ik stijg op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God.”
Maria Magdalena ging aan de leerlingen berichten dat zij de Heer gezien had en wat Hij haar gezegd had.

12-04 / Joh.20,19b-20
Jezus ging in hun midden staan en zei:
“Vrede zij u.” Na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. De leerlingen waren vervuld van vreugde toen zij de Heer zagen.

13-04 / Joh.20,21-22
Nogmaals zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Vrede zij u. Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u.” Na deze woorden blies Hij over hen en zei: “Ontvang de heilige Geest.”

14-04 / 1 Petr.1,3
Gezegend is God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons in zijn grote barmhartigheid deed herboren worden tot een leven van hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de dood.

15-04 / 2 Kor.4,14a
Wij weten dat Hij die de Heer Jezus van de doden heeft opgewekt, ook ons met Jezus ten leven zal wekken, om ons tot zich te voeren.

16-04 / Rom.6,13b
Bied uzelf aan God aan als mensen die uit de dood ten leven zijt opgestaan.

17-04 / 1 Kor.6,14
God heeft niet alleen de Heer opgewekt uit de dood, Hij zal ook ons laten opstaan door zijn kracht.

18-04 / Joh.20,19
Jezus zei tot Thomas:
“Omdat ge mij gezien hebt, gelooft ge ? Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben.”

19-04 / Apocalyps 21,23
De stad heeft het licht van zon en maan niet nodig, want de heerlijkheid van God verlicht haar, en haar lamp is het Lam.

20-04 / Jes.2,5
Kom, laat ons wandelen in het licht van de Heer.

21-04 / Mc.10,49
Jezus bleef staan en zei:
“Roep hem.” Ze riepen de blinde toe: “Houd moed, sta op, Hij roept u.”

22-04 / Spr. 17,22
Een blij hart bevordert de genezing.

23-04 / Ps27,4
Ik heb één verzoek aan de Heer, ik ken slechts één verlangen: wonen in zijn huis, al de dagen van mijn leven. Daar wil ik genieten van zijn pracht, met vreugde zijn heiligheid in mij opnemen.

24-04 / Rom.12,12
Laat de hoop u blij maken, houd stand in de verdrukking, volhard in het gebed.

25-04 / Joh.21,18
Jezus sprak tot Petrus: “Waarachtig Ik verzeker u: als jongeman deed je zelf je gordel om en je ging de weg die je zelf wilde; als je oud bent zul je je armen uitstrekken en je gordel laten omdoen, en je zult een weg gaan die je zelf niet wilt.”

26-04 / Neh.9,5
Kom, prijs de Heer uw God, tot in eeuwigheid. Laat zijn glorierijke naam, die alle lof en roem te boven gaat, geprezen zijn.

27-04 / Joh.5,24
Jezus zei:
“Wie naar mijn woord luistert, wie Hem gelooft die Mij gezonden heeft, bezit eeuwig leven. Voor hem is er geen oordeel meer; hij is al overgegaan van de dood naar het leven.”

28-04 / Kol.3,16a
Laat het woord van Christus in volle rijkdom onder u wonen.

29-04 / Hebr.4,12
Het woord van God is levend en krachtig. Het is scherper dan een tweesnijdend zwaard en dringt door tot het raakpunt van ziel en geest, van merg en beenderen. Het ontleedt de bedoelingen en gedachten van het hart.

30-04 / Jak.1,21
Verwijder elke smet, elk restant van slechtheid, en neem met zachtmoedigheid het woord van God aan, dat in u werd geplant en de kracht bezit uw zielen te redden.


1-5 / Jak.1,22  
Wees uitvoerders van het woord en niet alleen toehoorders; dan zou je jezelf bedriegen.

2-5 / Joh.10,27
Jezus zei:
"Mijn schapen luisteren naar mijn stem; Ik ken ze en ze volgen Mij."

3-5 / Jes.40,11
Als een herder zal God de Heer zijn kudde weiden; in zijn armen brengt Hij de lammeren samen en draagt ze aan zijn borst terwijl Hij de ooien voortleidt.

4-5 / Lc.5,27b-28
Bij het tolhuis richtte Jezus zijn blik op een tollenaar die daar zat, een zekere Levi. Hij zei tot hem:
"Volg mij." De man stond op, liet alles achter en volgde hem.

5-5 / Jak.5,12b
Uw ja zij ja en uw nee zij nee.

6-5 / Mich.6,8
God de Heer heeft u gezegd wat goed is, mens, en wat Hij van u verlangt. Hij wil niets anders dan dat gij u houdt aan het recht, dat gij de trouw eerbiedigt en u tegenover uw God ootmoedig gedraagt.

7-5 / Jez.Sir.10,23
Het is niet rechtvaardig een vrome bedelaar zonder respect te benaderen en het is onbehoorlijk een zondaar te verheerlijken.

8-5 / 1 Joh.4,19
Wij hebben lief omdat God ons het eerst heeft liefgehad.

9-5 / Joh.13,35
Jezus zei :
"Een nieuw gebod geef Ik u: gij moet elkaar liefhebben. Zoals Ik u heb liefgehad, zo moet ook gij elkaar liefhebben. Hieraan zullen allen kunnen opmaken dat gij mijn leerlingen zijt: als gij de liefde onder elkaar bewaart."

10-5 / 1 Joh.3,16
Wat liefde is hebben wij geleerd van Christus. Hij heeft zijn leven voor ons gegeven. Dus zijn ook wij verplicht ons leven te geven voor onze broeders.

11-5 / Ps.23,6
Uw goedheid en liefde, Heer,  blijven mij volgen, alle dagen van mijn leven. Zo mag ik telkens weer wonen in uw huis, tot in lengte van dagen.

12-5 / Kor.5,17a
Wie in Christus is, is een nieuwe schepping.

13-5 / Jez.Sir.42,16b
Het werk van de Heer is vol van zijn heerlijkheid.

14-5 / Gal.5,8
Wie zaait op de akker van zijn zelfzucht zal verderf oogsten; wie zaait op de akker van de Geest, zal van de Geest eeuwig leven oogsten.

15-5 / Rom.6,18
Gij zijt bevrijd van de zonde en dienaren geworden van de gerechtigheid.

16-5 / Joh.14,26
Jezus zei :
"De Helper, de heilige Geest, die de Vader in mijn Naam zal zenden, zal u alles leren en u alles in herinnering brengen wat Ik u gezegd heb."

17-5 / Ps.1,1-2
Gelukkig de mens die niet te rade gaat bij goddeloosheid,
geen voet zet op de wegen van het kwaad, niet neerzit in de kring waar wordt gespot om God en zijn gebod. Gelukkig de mens die met heel zijn hart het woord van de Heer zoekt, en daarvan de diepe wijsheid proeft, dag en nacht.

18-5 / Petr.3,17
Het is beter te lijden voor het goede dat men doet - zo God dat wil - dan voor het kwaad dan men bedrijft.

19-5 / Lc.24,49
Jezus zei tot zijn leerlingen :
"Ik zend u wat door mijn Vader beloofd is; blijf dus in de stad totdat ge wordt toegerust met kracht van boven."

20-5 / Hemelvaart van de Heer / Lc.24,50-53
Jezus leidde hen naar buiten tot bij Betanië, hief de handen omhoog en zegende hen. En terwijl Hij hen zegende, verwijderde Hij zich van hen en werd ten hemel opgenomen.
Zij aanbaden Hem en keerden met grote blijdschap naar Jeruzalem terug. Zij hielden zich voortdurend op in de tempel en verheerlijkten God.

21-5 / Hand.1,12-13a,14
Na de hemelvaart keerden zij van de berg, die de Olijfberg heet, naar Jeruzalem terug. Deze ligt dichtbij Jeruzalem op sabbatafstand. Daar aangekomen gingen ze naar de bovenzaal waar ze verblijf hielden. Ze bleven allen eensgezind volharden in het gebed samen met de vrouwen, met Maria, de moeder van Jezus, en met zijn broeders.

22-5 / Ef.1,13
Ook gij zijt in Christus, nadat gij het woord der waarheid, het evangelie van uw heil, hebt aanhoord. In Hem zijt gij ook tot het geloof gekomen, vergezeld met de beloofde heilige Geest.

23-5 / Joh.17,25-26
Jezus bad :
"Rechtvaardige Vader, al heeft de wereld U niet erkend, Ik heb U erkend, en dezen hier hebben erkend dat Gij Mij gezonden hebt. Uw naam heb Ik hun geopenbaard en Ik zal dit blijven doen, opdat de liefde waarmee Gij Mij hebt liefgehad, in hen moge zijn en Ik in hen."

24-5 / Zach.12,10a
Over het huis van David en de bevolking van Jeruzalem zal Ik een geest van mededogen uitstorten die hen tot bidden brengt.

25-5 / Joh.16,13a
Jezus zei:
"Wanneer Hij echter komt, de Geest der waarheid, zal Hij u tot de volle waarheid brengen."

26-5 / Hand.1,5
Jezus zei:
"Johannes doopte met water, maar gij zult over enkele dagen gedoopt worden met de heilige Geest."

27-5 / Ps.51,16
Verlos mij van mijn sprakeloosheid, oh God, die mijn redder zijt, en mijn tong zal uw goedheid loven.

28-5 / Hand.1,8
Jezus zei:
"Gij zult kracht ontvangen van de heilige Geest die over u komt om mijn getuigen te zijn in Jeruzalem, in geheel Judea en Samaria, tot het uiteinde der aarde."

29-5 / Joh.14,15-16a
Jezus zei :
"Als ge Mij liefhebt, zult ge mijn geboden onderhouden. Dan zal de Vader op mijn gebed u een andere Helper geven om voor altijd bij u te zijn."

30-5 / Pinksteren / Hand.2,1-4
Toen de dag van Pinksteren aanbrak, waren allen bijeen op dezelfde plaats. Plotseling kwam uit de hemel een gedruis alsof er een hevige wind opstak en heel het huis waar zij zaten was er vol van. Er verscheen hun iets dat op vuur geleek en dat zich, in tongen verdeeld, op ieder van hen neerzette. Zij werden allen vervuld van de heilige Geest en begonnen in vreemde talen te spreken, naargelang de Geest hun te vertolken gaf.

31-5 / Hand.2,32-33
Petrus sprak tot het volk :
"God heeft Jezus doen verrijzen en daarvan zijn wij allen getuigen. Verheven aan Gods rechterhand heeft Hij de beloofde heilige Geest van de Vader ontvangen en uitgestort, zoals ge ziet en hoort."


1-6 / 1 Kor.6,19
Uw lichaam is een tempel van de heilige Geest die in u woont, die gij van God ontvangen hebt. Gij zijt niet van uzelf.

2-6 / Deut.6,4-7
Luister, Israël, de Heer is onze God, de Heer alleen ! Gij moet de Heer uw God beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel en met al uw krachten. De geboden die ik u heden voorschrijf moet ge in uw hart prenten. Ge moet er met uw kinderen telkens opnieuw over spreken; wanneer ge thuis zijt en onderweg, wanneer ge slapen gaat en opstaat.

3-6 / Jes.66,2b
Dit zegt de Heer: Ik ben vol zorg voor degenen die nederig zijn zonder pretenties en vol ontzag voor mijn woord.

4-6 / Mt.6,19-21
Jezus zegt:
“Verzamel u geen schatten op aarde, waar ze door worm en mot vergaan en waar dieven inbreken om te stelen. Verzamel u schatten in de hemel, waar ze niet door worm of mot vergaan en waar dieven niet inbreken om te stelen. Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.”

5-6 / 1 Tes.5,19
Blus de Geest niet uit.

6-6 / Heilige Drie-eenheid / Joh.16,13a
De Geest der waarheid zal u tot de volle waarheid brengen.

7-6 / 1 Tes.5,21
Keur alles, behoud het goede.

8-6 / Gen.4,7
Als gij het goede doet, is er opgewektheid, maar doet gij het goede niet, dan loert de zonde als belager aan uw deur, begerig u te grijpen. Zult gij hem meester kunnen blijven ?

9-6 / 1 Tes.5,22
Hou u verre van alle soort kwaad.

10-6 / Mt.6,24
Jezus zei:
“Niemand kan twee heren dienen; hij zal de een haten en de ander liefhebben, ofwel de een aanhangen en de ander verachten. Gij kunt niet God dienen én de mammon.”

11-6 / Jez.Sir.27,27
Als iemand kwaad bedrijft valt het op hemzelf terug, en hij weet niet eens vanwaar het hem treft.

12-6 / Jak.1,26
Als iemand meent vroom te zijn, terwijl hij zijn tong niet beteugelt en zijn hart misleidt, is zijn vroomheid waardeloos.

13-6 / Lc.7,47a
Jezus sprak:
“Haar zonden zijn haar vergeven, al zijn ze nog zo talrijk, want zij heeft veel liefde betoond.”

14-6 / Ex.20,13
Gij zult niet doden.

15-6 / 1 Joh.3,15
Ieder die zijn broeder haat is een moordenaar, en gij weet dat geen moordenaar eeuwig leven in zich draagt.

16-6 / Ef.1,17
Ik smeek de God van onze Heer Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u de geest te geven van wijsheid en openbaring om Hem waarachtig te kennen.

17-6 / Apoc.2,7
Christus zegt: Wie ore heeft, hore wat de Geest tot de gemeenschappen zegt: Wie overwint zal Ik te eten geven van de boom des levens die staat in de tuin van God.

18-6 / Hgl.5,1b
Eet vrienden, en drink en word dronken van liefde !

19-6 / Jes.32,17
De gerechtigheid brengt vrede voort; rust en veiligheid zijn haar vruchten.

20-6 / Lc.9,20
Jezus zei tot hen: “Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben ?”

21-6 / Spreuk.18,21
Dood en leven zijn in de macht van de tong; wie zijn tong graag gebruikt, zal haar vruchten eten.

22-6 / Jak.3,5
De tong is maar een klein deel van ons lichaam, toch voert zij een hoge toon. Bedenk hoe weinig vuur er nodig is om een groot bos in brand te steken.

23-6 / Jak.3,9-11
Met de tong zegenen wij onze Heer en Vader, en met haar vervloeken wij de mensen, die naar Gods gelijkenis zijn geschapen. Uit een en dezelfde mond komt zegen en vloek voort. Dit mag niet zo zijn, broeders ! Laat een bron soms uit dezelfde ader zoet en brak water opwellen ?

24-6 / Ef.4,29
Laat geen slecht woord over uw lippen komen, maar spreek een goed woord, opbouwend, als het nodig is, en tot zegen voor de hoorders.

25-6 / Num.6,26
Moge de Heer zijn gelaat naar u keren en u vrede schenken.

Pauze Bijbelcitaat tot 15 augustus ‘04


15-08 / Maria-tenhemelopneming / Lc.1,41
Zodra Elisabeth de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot.

16-08 / Deut.30,1
Mozes sprak:
“De geboden die ik u heden geef, zijn niet te zwaar voor u en zij liggen niet buiten uw bereik.”

17-08 / Deut.30,14
Mozes sprak:
“Het woord is dicht bij u, in uw mond en in uw hart. Gij kunt het dus volbrengen.”

18-08 / Joh.1,14
Het woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond.

19-08 / Rom.13,8b-9
Wie zijn naaste bemint, heeft de wet vervuld. Want de geboden: gij zult niet echtbreken, niet doden, niet stelen, niet begeren, en alle andere, kan men samenvatten in dit ene woord: Bemin uw naast als uzelf.

20-08 / Rom.12,10
De liefde berokkent de naaste geen enkel kwaad. Liefde vervult de gehele wet.

21-08 / Ps.105,7
De Heer is onze God; zijn woord is beslissend voor heel de aarde.

22-08 / Lc.13,22-24
Jezus trok rond door steden en dorpen, gaf er onderricht en zette zijn reis voort naar Jeruzalem. Iemand vroeg Hem: “Heer, zijn het er weinig die gered worden ?” Hij sprak tot hen: “Span u tot het uiterste in om door de nauwe deur binnen te komen, want, Ik zeg u, velen zullen het proberen, maar er niet in slagen binnen te komen.”

23-08 / Spr.10,28
Voor de rechtvaardige is vreugde weggelegd, maar de hoop van de goddelozen gaat ten onder.

24-08 / Kol.1,12
Zeg met blijdschap dank aan de Vader die u in staat stelde te delen in de erfenis van de heiligen in het licht.

25-08 / Ex.13,21-22
De Heer ging voor hen uit, overdag in een wolkkolom, ’s nachts in een vuurzuil om hun licht te zijn. Zo konden zij dag en nacht doortrekken. Nooit week de wolkkolom overdag en de vuurzuil ’s nachts van de spits van het volk.

26-08 / Joh.3,20
Jezus sprak:
“Ieder die slecht handelt, heeft een afschuw van het licht en gaat niet naar het licht toe uit vrees dat zijn werken openbaar gemaakt worden.”

27-08 / Joh.3,21
Jezus sprak:
“Wie de waarheid doet, gaat naar het licht opdat van zijn daden mogen blijken dat zij in God zijn gedaan.”

28-08 / Ps.150,1
Loof God in zijn heilig domein, loof Hem in zijn groots firmament.

29-08 / Lc.14,11
Jezus zei:
“Al wie zichzelf verheft zal vernederd worden, en wie zichzelf vernedert zal verheven worden.”

30-08 / Jez.Sir.2,6
Vertrouw op de Heer en Hij zal u helpen. Bewandel rechte paden en stel uw hoop op Hem.

31-08 / Hebr.12,3
Denk aan Hem die zoveel tegenstand van zondaars te verduren had; dat zal u helpen om niet uit vallen en de moed niet op te geven.


01-9 / Mat.23,10
Jezus zei: “Laat u geen leraar noemen. Gij hebt maar één leraar: de Christus.”

02-9 / Tob.5,20
Wat de Heer ons gegeven heeft om van te leven, dat is ons genoeg.

03-9 / Jez.Sir.27,6a
De vrucht van de boom laat het werk van de kweker zien.

04-9 / Ef.6,10
Zoek uw kracht bij de Heer en zijn almacht. Leg de wapenrusting Gods aan om te kunnen standhouden tegen de listen van de duivel.

05-9 / Lc.14,33
Jezus zei:
"Niemand van u kan mijn leerling zijn als hij zich niet losmaakt van al wat hij bezit.”

06-9 / Gen.1,27
God schiep de mens als zijn beeld: als het beeld van God schiep Hij hem, man en vrouw schiep Hij hen.

07-9 / Lev.11,44a
Ik ben de Heer uw God; zorg dat ge heilig zijt. Wees heilig omdat Ik heilig ben.

08-09 / Mc.13,5-6
Jezus zei:
“Wees op uw hoede dat niemand u in dwaling brengt. Want velen zullen optreden in mijn Naam en zeggen ‘ik ben het’. Velen zullen zij misleiden.”

09-9 / Ps.5,5
Heer, Gij zijt geen God bij wie laagheid ingang vindt; bij U kan het boze niet wonen.

10-9 / 1 Kor.23-24
Wij verkondigen een gekruisigde Christus; voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid. Maar voor hen die geroepen zijn, Joden zowel als heidenen, is Hij Gods kracht en Gods wijsheid.

11-9 / Ps.62,11
Als je rijkdom tot overmaat groeit, verpand daar dan nooit je hart aan.

12-9 / Lc.15,20b
Zijn vader zag hem
(de verloren zoon) al in de verte aankomen, werd door medelijden bewogen, snelde op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem hartelijk.

13-9 / Spr.6,16-19
Dit zijn zes dingen die God de Heer verfoeit, ja, zeven, die Hem een gruwel zijn: hoogmoedige ogen, een leugenachtige tong, handen die onschuldig bloed vergieten, een hart dat misdadige plannen smeedt, voeten die zich haastig reppen naar het kwade, een valse getuige die leugen uitslaat en degene die onder broeders ruzie teweegbrengt.

14-9 / Kruisverheffing / Fil.2,6-11
Hij die bestond in goddelijke majesteit heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God; Hij heeft zich van zichzelf ontdaan en het bestaan van een slaaf aangenomen.
Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen heeft Hij zich vernederd; Hij werd gehoorzaam tot de dood, tot de dood aan het kruis.
Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam verleend die boven alle namen is, opdat bij het noemen van zijn naam zich iedere knie zou buigen in de hemel, op aarde en onder de aarde, en iedere tong zou belijden tot eer van God de Vader: Jezus Christus is de Heer.

15-9 / Joh.6,29
Jezus zei:
"Dit is het werk dat God van u vraagt: te geloven in Degene die Hij gezonden heeft."

16-9 / 1 Kor.1,9
God is getrouw, die u geroepen heeft tot gemeenschap met zijn Zoon, onze Heer Jezus Christus.

17-9 / Ps.81,11b
Open uw mond als gij hongerig zijt; wijd open en Ik zal hem vullen.

18-9 / Hab.3,19
God de Heer is mijn kracht; Hij maakt mijn voeten als die van hinden, over de bergtoppen leidt Hij mijn pad.

19-9 / Lc.16,13b
Jezus zei: “Gij kunt niet God dienen en de mammon.”

20-9 / 1 Kor.3,18-19
Laat niemand zich iets wijs maken. Als iemand onder u meent wijs te zijn – wijs namelijk volgens de normen van deze tijd die voorbij gaat – dan moet hij dwaas worden om de ware wijsheid te leren. De wijsheid van de wereld is dwaasheid voor God.

21-9 / Wijsh.1,4
In een ziel die op het kwade belust is neemt de wijsheid niet haar intrek, en zij woont niet in een lichaam dat zich aan zonde heeft overgegeven.

22-9 / Wijsh.1,5
De heilige Geest die wijsheid leert is afkerig van onoprechtheid en wars van dom geredeneer en Hij trekt zich terug waar de ongerechtigheid nadert.

23-9 / Joh.12,35b
Jezus zei:
“Wie zijn weg gaat in de duisternis, weet niet waar Hij terecht komt.”

24-9 / 1 Joh.5,11b
God heeft ons eeuwig leven gegeven, en dat leven is in zijn Zoon.

25-9 / Deut.5,1
Mozes riep heel Israël bijeen en sprak: “Israël, luister naar de voorschriften en bepalingen die ik heden voor u verkondig. Leer die en volbreng ze nauwgezet.”

26-9 / Lc.16,31
Als men naar Mozes en de profeten niet luistert, zal men zich ook niet laten overreden als er iemand uit de doden opstaat.

27-9 / 1 Kor.5,6-7
Uw zelfvoldaanheid staat u niet fraai. Ge weet toch dat een beetje zuurdeeg genoeg is om het hele deeg zuur te maken ? Doe het oude zuurdeeg weg om vers deeg te worden. Ge moet immers zijn als ongezuurde paasbroden, want ook ons paaslam is geslacht: Christus zelf.

28-9 / 1 Kor.5,8
Wij moeten ons feest niet vieren met het oude zuurdeeg, met het bederf van slechtheid en boosheid, maar met het zuivere brood van reinheid en waarheid.

29-9 / Jes.43,10
Gij zijt mijn getuigen – zo luidt de godsspraak van Jahwe – en mijn dienstknechten, die Ik heb uitverkoren. Gij moet inzien en in Mij geloven. Gij moet begrijpen dat Ik het ben. Eerder dan Ik werd er geen God gevormd, en ook na Mij zal er geen zijn.

30-9 / Mt.11,28
Jezus zei:
“Kom allen tot Mij die uitgeput zijn en onder lasten gebukt gaan; Ik zal u rust en verlichting schenken.


1-10 / Joh.1,38-39a
Jezus keerde zich om en toen Hij zag dat ze Hem volgden, vroeg Hij hun: ‘Wat verlangt ge ?’ Ze zeiden tot Hem: ‘Rabbi – vertaald betekent dit Meester – waar verblijft ge ? Hij zei hun: ‘Ga mee om het te zien’.

2-10 / Deut.5,24
De Heer onze God heeft ons zijn grote heerlijkheid laten aanschouwen en wij hebben Hem vanuit het vuur horen spreken.
Wij hebben vandaag ervaren dat een mens in leven kan blijven als God tot Hem spreekt.

3-10 / Lc.17,6
Jezus sprak:
“Als je een geloof zou hebben als een mosterdzaadje, zou je tot die moerbeiboom zeggen: Maak uw wortels los uit de grond en plant u in de zee; en hij zou u gehoorzamen.

4-10 / Jes.7,9b
Als gij niet standvastig gelooft, houdt gij geen stand.

5-10 / 1 Kor.2,12
Wij hebben niet de geest van de wereld ontvangen, maar de Geest die van God komt. Hij doet ons inzien al wat God ons in zijn genade gegeven heeft.

6-10 / Lc.8,16
Jezus zei:
“Niemand steekt een lamp aan om die onder een schaal te verbergen of onder een rustbank te zetten, maar hij plaatst ze op een standaard, opdat al wie binnenkomt het licht kan zien."

7-10 / ps.34,14
Beteugel uw tong tegen het uiten van het kwaad, uw lippen tegen leugens.

8-10 / Spr.21,6
Schatten verwerven door leugentaal is vluchtige leegheid van hen die de dood zoeken.

9-10 / Hebr.12,13a
Laat uw voeten rechte wegen gaan.

10-10 / Lc.17,17-19
Jezus vroeg:
“Zijn niet alle tien melaatsen gereinigd ? Waar zijn dan de negen anderen ? Is er niemand teruggekeerd om aan God eer te brengen dan alleen deze vreemdeling ?"
En Hij sprak tot hem:
“Sta op, uw geloof heeft u gered”.

11-10 / Hab.3,18
Ik verheug me in de Heer; ik jubel vanwege God die mij redt.

12-10 / Jez.Sir.4,25
Verzet je niet tegen de waarheid en wees je bewust van je onwetendheid.

13-10 / Jez.Sir.4,26
Schaam u niet uw zonden te bekennen; probeer een stromende rivier niet tegen te houden.

14-10 / Lc.18,10-14
Jezus hield hun deze gelijkenis voor :
"Wanneer iemand onder u honderd schapen heeft en er één van verliest, laat hij dan niet de negenennegentig in de wildernis achter om op zoek te gaan naar het ene verlorene, totdat hij het vindt ? En als hij het vindt legt hij het vol vreugde op zijn schouders, gaat naar huis, roept zijn vrienden en buren bij elkaar en zegt hun: 'Deel in mijn vreugde, want mijn schaap dat verloren was geraakt heb ik gevonden'.
Ik zeg u: zo zal er in de hemel meer vreugde zijn over één zondaar die zich bekeert, dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben."

15-10 / Ef.2,4-5
God, die rijk is aan erbarming, heeft wegens de grote liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad, ons met Christus ten leven gewekt, hoewel wij dood waren door onze zonden. Aan zijn genade dankt gij uw redding.

16-10 / Ps.118,1
Dank God, want Hij is goed.

17-10 / Lc.18,1
Jezus leerde hun dat zij steeds moesten bidden en daarin niet versagen.

18-10 / Kol.4,2
Wijd u trouw aan het gebed, wees daarbij waakzaam en dankbaar.

19-10 / Ps.28,7
De Heer is mijn sterkte, mijn schild. In Hem rust mijn diepste vertrouwen. Hij heeft mij geholpen, mijn hart doen herleven. God zij geprezen met dit lied.

20-10 / Kor.1,31b
Als iemand wil roemen, laat hem dan roemen op de Heer.

21-10 / Lc.6,45
Jezus zei:
“Een goed mens brengt uit de schat van zijn goedheid in zijn hart het goede te voorschijn, maar een slechte uit zijn schat van slechtheid het slechte. Een mond spreekt waar het hart van overloopt."

22-10 / Jez.Sir.10,22b
De Heer wordt geëerd door de nederigen.

23-10 / Ps.111,10a
Ontzag voor de Heer is het grondbeginsel van de wijsheid.

24-10 / Lc.18,10-14
Jezus vertelde de volgende gelijkenis :
"Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden; de een was een farizeeër en de ander een tollenaar. De farizeeër stond met opgeheven hoofd en bad bij zichzelf als volgt: 'God, ik dank U dat ik niet ben als de rest van de mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers of ook als die tollenaar daar. Ik vast twee maal per week en geef tienden van al mijn inkomsten'
Maar de tollenaar bleef op een afstand en wilde zelfs niet zijn ogen opheffen naar de hemel. Maar hij klopte zich op de borst, en zei: 'God, wees mij, zondaar, genadig'
Ik zeg u: deze ging gerechtvaardigd naar huis en niet die ander, want al wie zich verheft zal vernederd, maar wie zich vernedert zal verheven worden."

25-10 / 1 Kor.4,1
Zo moet men ons beschouwen: als helpers van Christus, belast met het beheer van Gods geheimen.

26-10 / Ps.34,15
Mijd het kwade, handel ten goede, zoek de vrede, tracht die te veroveren.

27-10 / 1 Petr.3,9
Vergeld geen kwaad met kwaad. Als men u uitscheldt, scheld dan niet terug. Integendeel: zegen elkaar, opdat gij de zegen verwerft waartoe gij geroepen zijt.

28-10 / Mt.5,44-45
Jezus zei:
“Bemin uw vijanden en bid voor wie u vervolgen, opdat gij kinderen moogt worden van uw Vader in de hemel, die immers de zon laat opgaan over slechten en goeden en het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.

29-10 / Mt.5,46-48
Jezus vervolgde:
“Want als gij bemint die u beminnen, wat voor recht op loon hebt gij dan ? Doen de tollenaars niet hetzelfde ? En als gij alleen uw broeders groet, wat voor buitengewoons doet gij dan ? Doen de heidenen dat ook niet ? Wees dus volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is."

30-10 / Ps.40,9a
God, uw wil te doen is mijn vreugde.

31-10 / Lc.19,10
Jezus zei:
“De Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was."


1-11 / Allerheiligen / Mt.5,3
Jezus zegt :
“Zalig de armen van geest, want aan hen behoort het Rijk der hemelen.”

2-11 / Allerzielen / Joh.7,68
Simon Petrus sprak tot Jezus : “Heer, naar wie zouden wij gaan ? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven.”

3-11 / Spr.29,18a
Waar het visioen ontbreekt, verwildert het volk.

4-11 / 1 Petr.1,24b-25
Het gras verdort, de bloem valt af, maar het woord van de Heer blijft in eeuwigheid. En dit woord is de boodschap die u in het evangelie is verkondigd.

5-11 / Lc.8,21
Jezus zegt :
“Mijn moeder en mijn broeders zijn zij die het woord van God horen en ernaar handelen.”

6-11 / Jez.Sir.2,15
Wie ontzag heeft voor de Heer verzet zich niet tegen zijn woorden. Wie Hem bemint volgt zijn wegen.

7-11 / Lc.20,38a
Jezus zegt :
“God is geen God van doden, maar van levenden.”

8-11 / Jer.31,3c
Dit zegt God de Heer : “Ik blijf u altijd trouw.”

9-11 / Ps.119,89-90a
Heer, voor eeuwig staat uw woord in de hemel vast. Uw trouw duurt van geslacht op geslacht.

10-11 / Joh.7,18
Jezus zegt :
“Wie uit zichzelf spreekt zoekt zijn eigen eer. Wie daarentegen de eer zoekt van Degene die hem zond is geloofwaardig en vrij van alle bedrog.”

11-11 / Rom.14,17
Het koninkrijk van God is geen kwestie van spijs en drank, maar is gerechtigheid, vrede en vreugde door de heilige Geest.

12-11 / Rom.14,19
Wij streven naar wat de vrede en de opbouw van onze gemeenschap bevordert.

13-11 / Spr.3,27-28
Weiger geen weldaad aan wie haar nodig heeft wanneer gij in staat zijt die weldaad te bewijzen. Zeg niet tegen uw naaste: ‘Ga heen, kom een andere keer terug’, of: ‘Morgen geef ik het u”, als gij het nu al hebt.

14-11 / Lc.21,19
Jezus zegt :
“Door standvastig te zijn zult ge uw leven winnen”.

15-11 / Ef.3,18-19a
Moogt gij in staat zijn, met alle heiligen te vatten wat de breedte en lengte en hoogte en diepte is, en te kennen de liefde van Christus die alle kennis te boven gaat.

16-11 / Ef.3,19b
Moogt gij de volheid bereiken die de volheid van God zelf is.

17-11 / Spr.21,2
Een mens mag zeggen dat al zijn gangen recht zijn, doch het is de Heer die de harten weegt.

18-11 / Lc.8,17
Jezus zegt :
“Niets is verborgen dat niet openbaar, niets geheim dat niet bekend zal worden en aan het licht zal komen.”

19-11 / 2 Mak.12,14
Iedereen prees de Heer, de rechtvaardige rechter, die het verborgene aan het licht brengt.

20-11 / Ps.55,23a
Geef al uw zorgen aan de Heer; Hij zal je leven dragen.

21-11 / Christus, Koning van het heelal / Kol.1,13-14
God heeft ons ontrukt aan het domein van de duisternis en overgebracht naar het koninkrijk van zijn geliefde Zoon. In Hem is onze bevrijding verzekerd en zijn onze zonden vergeven.

22-11 / Jez.Sir.17,25
Bekeer u tot de Heer en laat de zonden varen ! Bid voor zijn aangezicht en zorg dat ge zo weinig mogelijk aanstoot geeft.

23-11 / Tob.13,6-7a
Als ge u tot God bekeert van ganser harte en met volle overgave uw verplichtingen jegens Hem nakomt, dan zal Hij zich keren tot u en zijn gelaat niet voor u verbergen.
Geef acht op hetgeen Hij met u doet.

24-11 / Joh.14,1
Jezus zegt :
‘Laat uw hart niet verontrust worden. Gij gelooft in God, geloof ook in Mij.

25-11 / 1 Joh.15-17
Verlies uw hart niet aan de wereld of aan de dingen in de wereld. Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem. Want al wat in de wereld is - het begeren van de lust en het begeren van de ogen en de hoveraardij van het geld - het komt niet van de Vader maar van de wereld. En die wereld gaat voorbij met heel haar begeerlijkheid. Maar wie de wil doet van God blijft in eeuwigheid.

26-11 / Apoc.3,19b
Vooruit, aan het werk, bekeer u !

27-11 / 2 Petr.3,18
Groei in de genade en de kennis van onze Heer en redder Jezus Christus. Hem zij de eer, nu en in eeuwigheid. Amen.

28-11 / eerste zondag van de advent / Mt.24,42
Jezus zegt :
“Wees waakzaam, want gij weet niet op welke dag uw Heer komt.”

29-11 / Jes.2,3b
Kom, laat ons gaan naar de berg van de Heer, naar het huis van Jacobs God; dan zal Hij ons zijn wegen wijzen en zullen wij zijn paden bewandelen.

30-11 / Jes.2,5
Kom, laat ons wandelen in het licht van de Heer.


1-12 / Jes.25,8
De Heer zal voor altijd de dood vernietigen; Hij zal de tranen van alle gezichten afwissen en de schande van zijn volk wegnemen van heel het aardoppervlak. Want zo heeft de Heer besloten.

2-12 / Jes.26,4
Vertrouw op de Heer voor immer en altijd, want de Heer is een rots die de eeuwen trotseert.

3-12 / Jes.29,18, 24
Op die dag zullen de doven verstaan wat er voorgelezen wordt, na duisternis en nacht de ogen der blinden weer zien. Warhoofden komen tot inzicht, opstandigen tot rede.

4-12 / Jes.30,21
Met eigen oren zult gij achter u een stem horen zeggen: dit is de weg, volg hem, waarheen hij u ook leidt.

5-12 / tweede zondag van de advent / Mt.3,11
Johannes sprak:
“Ik doop u met water opdat ge u zoudt bekeren. Maar Hij die na mij komt is groter dan ik, en ik ben niet waardig Hem van zijn sandalen te ontdoen. Hij zal u dopen met de heilige Geest en met vuur.

6-12 / Jer.35,15a
Ik, uw Heer, zond telkens weer mijn dienaren, de profeten, naar jullie met de oproep: Breek met je kwalijke praktijken, beter je leven, loop niet achter andere goden aan, dien ze niet.

7-12 / Micha 7,7
Ik blijf uitzien naar de Heer, ik blijf hopen op de God die mij redding zal brengen; mijn God zal mij verhoren.

8-12 / Onbevlekte ontvangenis van Maria / Lc.1,46-49
Maria sprak:
“Mijn ziel prijst en looft de Heer, mijn hart juicht om God mijn redder; Hij heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares. Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen. Ja, grote dingen heeft de Machtige voor mij gedaan; heilig is zijn naam.”

9-12 / 2 Sam.22,47
De Heer leeft, geprezen zij mijn rots, hoogverheven is God, de rots die mij redt.

10-12 / Lc.18,8b
Zal de Mensenzoon bij zijn komst het geloof op aarde vinden ?

11-12 / Ps.130,5
Ik zie uit naar de Heer; mijn ziel ziet naar Hem uit en verlangt naar zijn woord.

12-12 / derde zondag van de advent / Mt.11,5-6
Jezus zegt:
“Blinden zien en lammen lopen, melaatsen genezen en doven horen, de doden staan op en aan armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd. Gelukkig hij die aan Mij geen aanstoot neemt."

13-12 / Jak.5,7-8
Heb geduld tot de komst van de Heer. De boer, die uitziet naar de heerlijke vrucht van zijn land, kan alleen maar geduldig wachten totdat de winter- en voorjaarsregen gevallen zijn. Ook gij moet geduldig zijn en moedig, want de komst van de Heer is nabij.

14-12 / Jer.30,22
Dit zegt de Heer uw God: Ik herstel de tenten van Jacob, Ik ontferm Mij over zijn huizen. De stad wordt herbouwd op zijn puinhoop.

15-12 / Jer.30,22
Gij zult mijn volk zijn en Ik zal uw God zijn.

16-12 / Rom.13,12
De nacht loopt ten einde, de dag nadert al. Laten we ons daarom ontdoen van de praktijken van de duisternis en ons omgorden met de wapens van het licht.

17-12 / Gen.49,18
Heer mijn God, op uw redding hoop ik.

18.12 / Jes.7,14
De Heer geeft u ongevraagd een teken: Zie de maagd zal ontvangen en een zoon baren, en zij zal hem noemen ‘Immanuël’ : ‘God-met-ons’.

19-12 / vierde zondag van de advent / Mt.1,19-21,24
Omdat Jozef rechtschapen was en Maria niet in opspraak wilde brengen, dacht hij erover in stilte van haar te scheiden.
Terwijl hij dit overwoog, verscheen hem in een droom een engel van de Heer die tot hem sprak:
"Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen. Het kind in haar schoot is van de heilige Geest. Zij zal een zoon ter wereld brengen die gij Jezus moet noemen, want Hij zal zijn volk redden uit hun zonden."
Ontwaakt uit de slaap deed Jozef zoals de engel van de Heer hem bevolen had en nam zijn vrouw tot zich.

20-12 / Lc.1,38a
Maria sprak:
“Zie de dienstmaagd van de Heer, mij geschiede naar uw woord.”

21-12 / Lc.1,45
Elisabeth sprak tot Maria:
“Zalig zij die geloofd heeft dat tot vervulling zal komen wat haar vanwege de Heer gezegd is.”

22-12 / Lc.1,42
Elisabeth sprak tot Maria:
“Gij zijt gezegend onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot.”

23-12 / Lc.1,50
Maria sprak:
“Barmhartig is God van geslacht op geslacht voor al wie Hem vereert.”

24-12 / Lc.1,54-55
Maria sprak:
“God trekt zicht het lot aan van Israël, zijn dienaar, zoals Hij aan onze voorouders heeft beloofd. Hij herinnert zich zijn barmhartigheid jegens Abraham en zijn geslacht, tot in eeuwigheid.”

25-12 / Kerstmis / Lc.2,10-14
De engel sprak tot de herders :
"Vrees niet, want zie, ik verkondig u een vreugdevolle boodschap die bestemd is voor heel het volk. Heden is u een Redder geboren, Christus de Heer, in de stad van David. Dit zal voor u een teken zijn: gij zult het pasgeboren kind vinden, in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe."
En plotseling voegde zich bij de engel een groot hemels leger dat God prees met de woorden:
"Eer aan God in de hoge en vrede op aarde voor alle mensen die Hij liefheeft."

26-12 / Heilige familie / Kol.3,12-16
Bekleed u, als Gods heilige en geliefde uitverkorenen, met tedere ontferming, goedheid, deemoed, zachtheid en geduld. Verdraag elkaar en vergeef elkander als de een tegen de ander een grief heeft. Zoals de Heer u vergeven heeft, zo moet ook gij vergeven.

Voeg bij dit alles de liefde als de band der volmaaktheid. En laat de vrede van Christus heersen in uw hart; daartoe zijt gij immers geroepen, als leden van één lichaam. En wees dankbaar.

Het woord van Christus moge in volle rijkdom onder u wonen.

27-12 / 1 Petr.22
Nu gij uw ziel gereinigd hebt door de waarheid gehoorzaam te aanvaarden, moet gij elkander beminnen met oprechte broederliefde, met hart en vurigheid, als mensen die opnieuw geboren zijn, niet uit een vergankelijk zaad, maar door het onvergankelijke woord van de levende en eeuwige God.

28-12 / Ef.1,4
In Christus heeft God ons uitverkoren voor de grondlegging der wereld, om heilig en vlekkeloos te zijn voor zijn aangezicht.

29-12 / Ef.1,5-6a
In liefde heeft God ons voorbestemd, zijn kinderen te worden door Christus, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof van de heerlijkheid van zijn genade.

30-12 / Ef.2,8-9
Aan Christus’ genade dankt gij uw heil, door het geloof, niet door uzelf; Gods gave is het, niet uw prestaties.

31-12 / Ef.5,18
Drink niet te veel wijn, wat tot losbandigheid leidt, maar laat u bezielen door de Geest.

 

Terug naar archief