Terug naar archief

Bijbelcitaten - 2006

 

01-01 / Num.6,24-26
Moge de Heer u zegenen en behoeden ! Moge de Heer de glans van zijn gelaat over u spreiden en u genadig zijn !
Moge de Heer zijn gelaat naar u keren en u vrede schenken !

02-01 / 1 Joh.2,28a
Kinderen, blijf in Christus.

03-01 / 1 Joh.3,6a
Wie in Christus blijft, zondigt niet.

04-01 / 1 Joh.3,7b
Wie het goede doet is heilig zoals de Zoon van God.

05-01 / 1 Joh.3,16
Wat liefde is hebben wij geleerd van Christus: Hij heeft zijn leven voor ons gegeven. Dus zijn ook wij verplicht ons leven te geven aan onze broeders.

06-01 / 1 Joh.5,10
Wie in de Zoon van God gelooft, draagt Gods getuigenis in zijn hart.

07-01 / Joh.2,5
Maria sprak:
"Doe maar wat Jezus u zeggen zal."

08-01 / Openbaring des Heren / Mt.2,10-11b
Op het zien van de ster werden de Wijzen vervuld van overgrote vreugde.
Zij gingen het huis binnen, zagen er het Kind met zijn moeder Maria en op hun knieën neervallend betuigden zij het hun hulde.

09-01 / Jes.42,1-4
Zo spreekt de Heer: "Dit is mijn dienaar die Ik ondersteun, mijn uitverkorene in wie Ik behagen schep: mijn geest stort Ik over hem uit, gerechtigheid laat hij stralen over de volken. Hij roept niet, hij schreewt niet en op straat verheft hij zijn stem niet. Het geknakte riet zal hij niet breken, de kwijnende vlaspit niet doven, in waarheid zal hij gerechtigheid laten stralen. Onvermoeid en onafgebroken zal hij op aarde gerechtheid laten zegevieren; de verre kusten zien uit naar zijn leer."

10-01 / 1 Sam.2,1a
De Heer doet mijn hart van vreugde slaan; mijn God heeft mijn hoofd opgeheven.

11-01 / 1 Sam.3,10b
Samuël sprak: "Spreek, Heer, uw dienaar luistert."

12-01 / Mc.1,41-42
Door medelijden bewogen stak Jezus de hand uit, raakte de man aan en sprak tot hem:
"Ik wil, word rein." Terstond verdween de melaatsheid en was hij gereinigd.

13-01 / Ps.89,16-17
Gelukkig is het volk dat weet wat blijdschap is, omdat het leeft, Heer, in het licht van uw gelaat. Van dag tot dag vertrouwt het op uw Naam, vindt het zijn kracht in uw gerechtigheid.

14 en 15 januari : geen bijbelcitaat verzonden

16-01 / Sir.18,14
God de Heer ontfermt zich over degenen die zijn beslissingen aanvaarden en ijverig zijn voorschriften gehoorzamen.

17-01 / 1 Sam.16,7b
God ziet niet zoals een mens ziet; een mens kijkt naar het uiterlijk, maar God kijkt naar het hart.

18-01 / Kol.3,15
Laat in uw hart de vrede van Christus heersen, want daartoe bent u geroepen als de leden van één lichaam. Wees ook dankbaar.

19-01 / Kol.3,16-17
Laat Christus’ woorden in al hun rijkdom in u wonen; onderricht en vermaan elkaar in alle wijsheid, zing met heel uw hart psalmen en hymnen voor God en liederen die de Geest u vol genade ingeeft. Doe alles wat u zegt of doet in de naam van de Heer Jezus, terwijl u God, de Vader, dankt door Hem.

20-01 / 1 Petr.3,8
Wees allen eensgezind, leef met elkaar mee, heb elkaar lief als broeders en zusters, wees barmhartig en bereid de minste te zijn.

21-01 / Sir.28,4
Hoe kan een mens die geen erbarmen heeft met een ander om vergeving voor zijn eigen zonden bidden ?

22-01 / Mc.1,16-18
Toen Jezus langs het Meer van Galilea liep, zag Hij Simon en Andreas, de broer van Simon, die hun netten uitwierpen in het meer; het waren vissers.
Jezus zei tegen hen:
‘Kom, volg Mij! Ik zal van jullie vissers van mensen maken.’ Meteen lieten ze hun netten achter en volgden Hem.

23-01 / Ef.4,29
Laat geen vuile taal over uw lippen komen, maar alleen goede en waar nodig opbouwende woorden, die goed doen aan wie ze hoort.

24-01 / Ef.4,31-32
Laat alle wrok en drift en boosheid varen, alle geschreeuw en gevloek, en alle kwaadaardigheid. Wees goed voor elkaar en vol medeleven; vergeef elkaar zoals God u in Christus vergeven heeft.  

25-01 / Spr.4,23
Van alles waarover je waakt, waak vooral over je hart, het is de bron van je leven.

26-01 / Jer.15,16
Telkens als ik uw woorden hoorde, nam ik ze als voedsel tot mij. Uw woorden gaven mij een diepe vreugde, want ik behoor U toe, o Heer, God van de hemelse machten.

27-01 / Rom.14,17-19
Het koninkrijk van God is geen zaak van eten en drinken, maar van gerechtigheid, vrede en vreugde door de heilige Geest. Wie Christus zo dient, doet wat God wil en wordt door de mensen gerespecteerd. Laten we daarom streven naar wat de vrede bevordert en naar wat opbouwend is voor elkaar.

28-01 / Rom.12,10
Heb elkaar lief met de innige liefde van broeders en zusters en acht de ander hoger dan uzelf.

29-01 / Mc.1,27-28
Iedereen was zo verbijsterd dat ze tegen elkaar zeiden: ‘Wat is dit allemaal? Een nieuwe leer met groot gezag! Zelfs als Hij onreine geesten een bevel geeft, wordt Hij gehoorzaamd.’
Het nieuws over Jezus verspreidde zich algauw overal in Galilea.

30-01 / 1 Petr.4,1-11
Laat ieder van u de gave die hij van God gekregen heeft, gebruiken om de anderen daarmee te helpen, zoals het goede beheerders van Gods veelsoortige gaven betaamt. Voert u het woord, laat dan Gods woorden doorklinken in wat u zegt. Helpt u anderen, doe dat dan vanuit de kracht die God u geeft. Want zo doet u alles tot eer van God, dankzij Jezus Christus, aan wie alle eer en macht toekomt, voor eeuwig. Amen.

31-01 / Apoc.3,21
Ik sta voor de deur en klop aan. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik binnenkomen, en we zullen samen eten, Ik met hem en hij met Mij.


01-02 / Spr. 18,4
De woorden van een goed mens zijn als diepe wateren, ze zijn een sprankelende beek, een bron van wijsheid.

02-02 / Mt. 5, 14-16
Jezus zegt: "Jullie zijn het licht in de wereld. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. Men steekt ook geen lamp aan om hem vervolgens onder een korenmaat weg te zetten, nee, men zet hem op een standaard, zodat hij licht geeft voor ieder die in huis is. Zo moet jullie licht schijnen voor de mensen, opdat ze jullie goede daden zien en eer bewijzen aan jullie Vader in de hemel."  

03-02 / 3 Joh. 1,11
Volg niet het kwade na maar het goede. Wie goed doet komt uit God voort; wie kwaad doet heeft God niet gezien.

04-02 / Ps. 139, 23-24
Doorgrond mij, God, en ken mijn hart, peil mij, weet wat mij kwelt, zie of ik geen verkeerde weg ga, en leid mij over de weg die eeuwig is.

05-02 / Mc. 1, 30-31
Simons schoonmoeder lag met koorts in bed, en ze spraken met Jezus over haar. Hij ging naar haar toe, pakte haar hand vast en hielp haar overeind. Toen verliet de koorts haar, en ze begon voor hen te zorgen.

06-02 / Tob. 13, 4a
Roem de levende God tegenover alle mensen.

07-02 / Gal. 5, 13
Broeders en zusters, u bent geroepen om vrij te zijn. Misbruik die vrijheid niet om uw eigen verlangens te bevredigen, maar dien elkaar in liefde, want de hele wet is vervuld in één uitspraak: ‘Heb uw naaste lief als uzelf.’

08-02 / Jak. 4, 11-12
Spreek geen kwaad van elkaar, broeders en zusters. Wie kwaadspreekt van een ander of een ander veroordeelt, spreekt kwaad van de wet en veroordeelt de wet. En als u de wet veroordeelt, handelt u niet naar de wet, maar treedt u op als rechter. Er is maar één wetgever en rechter: Hij die bij machte is te redden of in het verderf te storten. Maar wie bent u, om uw naaste te veroordelen?

09-02 / Hab. 2, 4
Wie niet oprecht is kwijnt weg, maar de rechtvaardige zal leven door zijn trouw.

10-02 / Hab. 2, 20b
Aarde, wees stil voor de Heer !

11-02 / Ef. 6, 10
Zoek uw kracht in de Heer, in de kracht van zijn macht.

12-02 / Mc. 2, 40-42
Er kwam iemand naar Jezus toe die aan huidvraat leed; hij smeekte Hem om hulp en zei, terwijl hij op zijn knieën viel: ‘Als U wilt, kunt U mij rein maken.’
Jezus kreeg medelijden, stak zijn hand uit, raakte hem aan en zei: ‘Ik wil het, word rein.’ En meteen verdween zijn huidvraat en hij was rein.

13-02 / Pred. 4, 17
Betreed Gods tempel met bescheiden tred. Je kunt er beter heen gaan om te luisteren dan om er het offer van een dwaas te brengen. Zo iemand weet niet eens dat hij een slechte daad verricht.

14-02 / Pred. 5, 1-4
Wees niet te haastig met je woorden en doe God niet overijld met heel je hart geloften. Want God is in de hemel en jij bent op aarde, dus moet je spaarzaam met je woorden zijn.
Drukte leidt tot dromerij en veel praten tot gebazel.
Wanneer je God toch een gelofte doet, los die dan ook spoedig in. God is niet gesteld op dwazen. Los dus je geloften in. Je kunt beter geen gelofte doen dan een gedane gelofte niet inlossen.

15-02 / Jak. 1, 26
Wie meent dat hij God dient, terwijl hij zijn tong niet kan beteugelen, zit op een dwaalspoor, en heel zijn godsdienst is vergeefse moeite.

16-02 / Joh. 15, 9-11
Jezus zegt:
"Ik heb jullie liefgehad, zoals de Vader mij heeft liefgehad. Blijf in mijn liefde.
Je blijft in mijn liefde als je je aan mijn geboden houdt, zoals Ik me ook aan de geboden van mijn Vader gehouden heb en in zijn liefde blijf.
Dit zeg Ik tegen jullie om je mijn vreugde te geven, dan zal je vreugde volkomen zijn."

17-02 / Rom.8, 12-15
Broeders en zusters,
we hoeven ons niet langer te laten leiden door onze eigen wil. Als u dat wel doet, zult u zeker sterven. Als u echter uw zondige wil doodt door de Geest, zult u leven. Allen die door de Geest van God worden geleid, zijn kinderen van God. U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven, u hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn, en om Hem te kunnen aanroepen met ‘Abba, Vader’.

18-02 / Mc. 2, 3-5
Er werd een verlamde bij Jezus gebracht, die door vier mensen gedragen werd. Omdat ze zich niet door de menigte konden wringen, haalden ze een stuk van het dak weg boven de plaats waar Jezus zat, en toen ze een opening hadden gemaakt, lieten ze de verlamde op zijn draagbed naar beneden zakken. Bij het zien van hun geloof zei Jezus tegen de verlamde: ‘Vriend, uw zonden worden u vergeven.’

20-02 / Mc. 9, 23b
Jezus sprak tot de man: "Of Ik iets kan doen ? Alles is mogelijk voor wie gelooft."

21-02 / Jak.4, 4a
Beseft u dan niet dat vriendschap met de wereld vijandschap jegens God betekent ?

22-02 / 1 Petr. 5, 1-2
Ik doe een beroep op de oudsten onder u. Als uw mede-oudste en als ooggetuige van Christus’ lijden, en omdat ik evenals u zal delen in de luister die binnenkort zal worden geopenbaard, vraag ik u: Hoed Gods kudde waarvoor u de verantwoordelijkheid hebt, houd goed toezicht – niet gedwongen maar vrijwillig, zoals God dat wil, en niet om er zelf beter van te worden maar met belangeloze toewijding.

23-02 / Mc. 9, 5a
Jezus zei : "Zout is goed! Maar als het zout zijn kracht verliest, hoe zullen jullie het zijn kracht dan teruggeven? Zorg dat jullie het zout in jezelf niet verliezen."  

24-02 / Jak. 5, 12b
Laat uw ja ja zijn, en uw nee nee.

25-02 / Mc. 10, 15
Jezus zei : Ik verzeker jullie: wie niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God, zal er zeker niet binnengaan.’

26-02 / 2 Kor. 2, 6b
De letter doodt, maar de Geest maakt levend.

27-02 / Mc. 10, 25
Jezus zei: 'Het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.’

28-02 / 1 Petr. 1, 14-16
Wees als gehoorzame kinderen en geef niet opnieuw toe aan de begeerten waardoor u vroeger, toen u nog onwetend was, werd beheerst, maar leid een leven dat in alle opzichten heilig is, zoals Hij die u geroepen heeft heilig is. Er staat immers geschreven: ‘Wees heilig, want Ik ben heilig.’


1-3 / Aswoensdag / Joël 2, 13b
Keer terug tot de Heer, jullie God, want Hij is genadig en liefdevol, geduldig en trouw, en tot vergeving bereid.

2-3 / Deut. 30, 19b
Kies voor het leven.

3-3 / Jes. 58, 6-7
"Is dit niet het vasten dat Ik verkies: misdadige ketenen losmaken, de banden van het juk ontbinden, de verdrukten bevrijden, en ieder juk breken ?
Is het niet : je brood delen met de hongerige, onderdak bieden aan armen zonder huis, iemand kleden die naakt rondloopt, je bekommeren om je medemensen ?"

4-3 / Lc. 5, 31-32
Jezus sprak: ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar wie ziek is wel; Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar om zondaars aan te sporen een nieuw leven te beginnen.’

5-3 / Mc. 1, 12a
De Geest dreef Jezus de woestijn in.

6-3 / Mt. 25, 40
Jezus zegt: “Ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor Mij gedaan.”

7-3 / Mt. 6, 7-8
Jezus zegt: 'Bij het bidden moeten jullie niet eindeloos voortprevelen zoals de heidenen, die denken dat ze door hun overvloed aan woorden verhoord zullen worden. Doe hen niet na! Jullie Vader weet immers wat jullie nodig hebben, nog vóór jullie het Hem vragen.'

8-3 / Ps. 51, 3-4
Wees mij genadig, God, in uw trouw, U bent vol erbarmen, doe mijn daden teniet, was mij schoon van alle schuld, reinig mij van mijn zonden.

9-3 / Mt. 7, 7-8
Jezus zegt: 'Vraag en er zal je gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. Want ieder die vraagt ontvangt, en wie zoekt vindt, en voor wie klopt zal worden opengedaan.'

10-3 / Mt. 5, 25a
Jezus zegt: 'Leg een geschil snel bij, terwijl je nog met je tegenstander onderweg bent.'

11-3 / Mt. 5, 46a
Jezus zegt: 'Is het een verdienste als je liefhebt wie jou liefheeft ?'

12-3 / Mc. 9, 7b
Uit de wolk klonk een stem: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, luister naar Hem!’

13-3 / Lc. 6, 36
Jezus zegt: 'Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is.'

14-3 / Mt. 23, 12
Jezus zegt: 'Wie zichzelf verhoogt zal worden vernederd, en wie zichzelf vernedert zal worden verhoogd.'

15-3 / Mt. 20, 25-28
Jezus zegt: ‘Jullie weten dat heersers hun volken onderdrukken en dat leiders hun macht misbruiken. Zo zal het bij jullie niet mogen gaan. Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, zal de anderen moeten dienen, en wie van jullie de eerste wil zijn, zal jullie dienaar moeten zijn – zoals de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.’

16-3 / Jer. 17, 7-8
Gezegend wie op de Heer vertrouwt, wiens toeverlaat de Heer is. Hij is als een boom geplant aan water, zijn wortels reiken tot in de rivier. Hij merkt de komst van de hitte niet op, zijn bladeren blijven altijd groen. Tijden van droogte deren hem niet, steeds weer draagt hij vrucht.

17-3 / Mt. 21, 42a
Jezus sprak: ‘Hebt u dit nooit in de Schriften gelezen: “De steen die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden."'  

18-3 / Lc. 15, 20b
Zijn vader zag hem in de verte al aankomen. Hij kreeg medelijden en rende op zijn zoon af, viel hem om de hals en kuste hem.

19-3 / Joh. 2, 23-25
Toen Jezus op Pesach in Jeruzalem was, kwamen veel mensen tot geloof in zijn naam, omdat ze de wondertekenen zagen die Hij deed. Maar Jezus had geen vertrouwen in hen, omdat hij hen allemaal kende, en niemand hoefde Hem iets over de mens te vertellen, want Hij wist zelf wat er in een mens omgaat.

20-3 / St. Jozef / Mt. 1, 20-21 + 24a
In een droom verscheen een engel van de Heer. De engel zei: ‘Jozef, zoon van David, wees niet bang je vrouw Maria bij je te nemen, want het kind dat ze draagt is verwekt door de heilige Geest. Ze zal een zoon baren. Geef hem de naam Jezus, want Hij zal zijn volk bevrijden van hun zonden.’
Jozef werd wakker en deed wat de engel van de Heer hem had opgedragen.

21-3 / Mt. 18, 21-22
Petrus kwam bij Jezus staan en vroeg: ‘Heer, als mijn broeder of zuster tegen mij zondigt, hoe vaak moet ik dan vergeving schenken? Tot zevenmaal toe?’
Jezus antwoordde: ‘Niet tot zevenmaal toe, zeg Ik je, maar tot zeventig maal zeven.'

22-3 / Ps. 147, 15
De Heer zendt zijn bevelen naar de aarde, vlug als een renbode gaat zijn woord.

23-3 / Ps. 95, 6b
Laten wij buigen in aanbidding, knielen voor de Heer, onze maker.

24-3 / Hos. 14, 10b
De wegen van de Heer zijn recht: wie rechtvaardig is verlaat ze niet, maar wie zich verzet komt ten val.

25-3 / Maria Boodschap / Lc. 1, 38a
Maria zei: 'De Heer wil ik dienen.'

26-3 / Joh. 3, 20-21
Jezus zegt: "Wie kwaad doet, haat het licht; hij schuwt het licht omdat anders zijn daden bekend worden. Maar wie oprecht handelt zoekt het licht op, zodat zichtbaar wordt dat God werkzaam is in alles wat hij doet."

27-3 / Jes. 65, 17a
Zo spreekt de Heer: "Zie, ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde."

28-3 / Ps. 46, 9
Kom en zie wat de Heer heeft gedaan, verbijsterend is wat Hij op aarde verricht.

29-3 / Joh. 5, 24a
Jezus zegt: 'Wie luistert naar wat Ik zeg en Hem gelooft die mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven.'

30-3 / Joh. 5, 44
Jezus zegt: 'Hoe zou u ooit tot geloof kunnen komen ? Van elkaar wilt u wel eer ontvangen, maar u zoekt niet de eer die de enige God u kan geven.'

31-3 / Ps. 34, 19a
Gebroken mensen is de Heer nabij.


1-4 / Ps.7, 11
God is het schild dat mij beschermt, Hij bevrijdt de oprechten van hart.

2-4 / vijfde zondag vastentijd / Joh.12, 24
Jezus zegt: 'Als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht.'

3-4 / Joh.8, 7b
Jezus zei: ‘Wie van jullie zonder zonde is, laat die als eerste een steen naar haar werpen.’

4-4 / Joh. 8, 28-29
Jezus sprak: ‘Wanneer u de Mensenzoon hoog verheven hebt, zult u weten dat Ik het ben, en dat Ik niets uit mijzelf doe, maar over deze dingen spreek zoals de Vader het mij geleerd heeft. Hij die mij gezonden heeft is bij mij; Hij heeft me niet alleen gelaten, omdat Ik altijd doe wat Hij wil.’

5-4 / Joh. 8, 31b-32
Jezus zegt: ‘Wanneer u bij mijn woord blijft, bent u werkelijk mijn leerlingen. U zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u bevrijden.’

6-4 / Joh.8, 51
Jezus zegt: 'Als iemand mijn woord bewaart zal hij de dood nooit zien.'

7-4 / Ps. 18, 2-3
Ik heb U lief, Heer, mijn sterkte, Heer, mijn rots, mijn vesting, mijn bevrijder, God, mijn steenrots, bij U kan ik schuilen, mijn schild, kracht die mij redt, mijn burcht.

8-4 / Ez.37, 28
'De volken zullen beseffen dat Ik, de Heer, Israël heilig doordat mijn heiligdom voor altijd in hun midden is.'  

9-4 / Palmzondag / Fil.2, 6-11
Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast, maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens. En als mens verschenen, heeft Hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood – de dood aan het kruis.
Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat, opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde, en elke tong zal belijden: ‘Jezus Christus is Heer,’ tot eer van God, de Vader.

10-4 / Jes.42, 6b
Zo spreekt God de Heer: 'Ik zal je bij de hand nemen en je behoeden.'

11-4 / Joh. 13, 37-38
'Waarom kan ik u nu niet volgen, Heer? Ik wil mijn leven voor u geven!' zei Petrus. Maar Jezus zei: 'Jij je leven voor mij geven? Waarachtig, Ik verzeker je: nog voor de haan kraait zul jij mij driemaal verloochenen.'

12-4 / Jes. 50, 4b-5
Elke ochtend wekt Hij mijn oor, zodat het toegerust is om aandachtig te horen. God, de Heer, heeft mijn oren geopend en ik heb geen verzet geboden, ik ben niet teruggedeinsd.

13-4 / Witte Donderdag / Joh. 13, 14
Jezus zegt: 'Als Ik, jullie Heer en jullie meester, je voeten gewassen heb, moet je ook elkaars voeten wassen.'

14-4 / Goede Vrijdag / Hebr. 5, 7-9
Christus heeft tijdens zijn leven op aarde onder tranen en met luide stem gesmeekt en gebeden tot Hem die Hem kon redden van de dood, en werd verhoord vanwege zijn diep ontzag voor God.
Hoewel Hij zijn Zoon was, heeft Hij moeten lijden, en zo heeft Hij gehoorzaamheid geleerd.
En toen Hij naar de uiteindelijke volmaaktheid gevoerd was, werd Hij voor allen die Hem gehoorzamen een bron van eeuwige redding.

15-4 / Stille Zaterdag / 1 Kor. 16, 13
Wees waakzaam, volhard in het geloof, wees moedig en sterk.

16-4 / Pasen / Hand. 10, 39b-43
Petrus sprak:
'Ze hebben Jezus van Nazaret gedood door Hem aan een kruishout te hangen, maar God heeft Hem op de derde dag weer tot leven gewekt en Hem aan de mensen laten verschijnen; niet aan het hele volk, maar aan enkele getuigen die daartoe door God waren aangewezen, aan ons namelijk, die samen met Hem gegeten en gedronken hebben nadat Hij uit de dood was opgestaan.
Hij heeft ons opgedragen daarvan getuigenis af te leggen en aan het volk bekend te maken dat Hij het is die door God is aangesteld als rechter over de levenden en de doden.
Van Hem getuigen alle profeten dat iedereen die in Hem gelooft door zijn Naam vergeving van zonden krijgt.'

17-4 / Mt. 28, 10b
Jezus zegt: 'Wees niet bang.'

18-4 / Joh. 20, 14-17
Maria keek om en zag Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was.
‘Waarom huil je?’ vroeg Jezus. ‘Wie zoek je?’
Maria dacht dat het de tuinman was en zei: ‘Als u Hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u Hem hebt neergelegd, dan kan ik Hem meenemen.’
Jezus zei tegen haar: ‘Maria!’
Ze draaide zich om en zei: ‘Rabboeni!’ (Dat betekent ‘meester’.)
‘Houd me niet vast,’ zei Jezus. ‘Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga naar mijn broeders en zusters en zeg tegen hen dat Ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.’

19-4 / Lc. 24, 29b-31
Jezus ging mee het dorp in en bleef bij hen. Toen Hij met hen aan tafel aanlag, nam Hij het brood, sprak het zegengebed uit, brak het en gaf het hun. Nu werden hun ogen geopend en herkenden ze Hem. Maar Hij werd onttrokken aan hun blik.

20-4 / Lc. 24, 46-48
Jezus sprak tot de leerlingen: 'Er staat geschreven dat de messias zal lijden en sterven, maar dat Hij op de derde dag zal opstaan uit de dood, en dat in zijn naam alle volken opgeroepen zullen worden om tot inkeer te komen, opdat hun zonden worden vergeven. Jullie zullen hiervan getuigenis afleggen, te beginnen in Jeruzalem.'

21-4 / Ps. 118, 22-24
De steen die de bouwers afkeurden is een hoeksteen geworden.
Dit is het werk van de Heer, een wonder in onze ogen.
Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt, laten wij juichen en ons verheugen.

22-4 / Mc. 16, 15
Jezus verscheen aan de elf en sprak: 'Trek heel de wereld rond en maak aan ieder schepsel het goede nieuws bekend.'

23-4 / Joh. 20, 26-29
Een week later waren de leerlingen weer bij elkaar en Tomas was er nu ook bij.
Terwijl de deuren gesloten waren, kwam Jezus in hun midden staan. ‘Ik wens jullie vrede!’ zei Hij, en daarna richtte Hij zich tot Tomas: ‘Leg je vingers hier en kijk naar mijn handen, en leg je hand in mijn zij. Wees niet langer ongelovig, maar geloof.’
Tomas antwoordde: ‘Mijn Heer, mijn God!’
Jezus zei tegen hem: ‘Omdat je me gezien hebt, geloof je. Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven.’

24-4 / Joh. 3, 3
Jezus zei tegen Nikodemus: 'Alleen wie opnieuw wordt geboren, kan het koninkrijk van God zien'.

25-4 / 1 Petr. 5, 10b
God, de bron van alle genade, heeft u geroepen om in Christus Jezus deel te krijgen aan zijn eeuwige luister.

26-4 / Joh. 2, 20-21
Jezus sprak tot Nikodemus:
'Wie kwaad doet, haat het licht; hij schuwt het licht omdat anders zijn daden bekend worden. Maar wie oprecht handelt zoekt het licht op, zodat zichtbaar wordt dat God werkzaam is in alles wat hij doet.'

27-4 / Ps. 34, 9a
Proef, en geniet van de goedheid van de Heer.

28-4 / Ps. 27, 4
Ik vraag aan de Heer één ding, het enige wat ik verlang: wonen in het huis van de Heer alle dagen van mijn leven, om de liefde van de Heer te aanschouwen, Hem te ontmoeten in zijn tempel.

29-4 / Mt. 11, 28
Jezus zegt: 'Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal Ik jullie rust geven.'

30-4 / 1 Joh. 2, 3
Dat wij God kennen weten we doordat we ons aan zijn geboden houden.


1-5 / Joh. 6, 26-27
Na de broodvermenigvuldiging sprak Jezus: 'U zoekt me niet omdat u tekenen hebt gezien, maar omdat u brood gegeten hebt en verzadigd bent. U moet geen moeite doen voor voedsel dat vergaat, maar voor voedsel dat niet vergaat en eeuwig leven geeft; de Mensenzoon zal het u geven, want de Vader, God zelf, heeft Hem die volmacht gegeven.'

2-5 / Joh. 6, 33-35
Jezus zei: 'Het brood van God is het brood dat neerdaalt uit de hemel en dat leven geeft aan de wereld.’
‘Geef ons altijd dat brood, Heer!’ zeiden ze toen.
‘Ik ben het brood dat leven geeft,’ zei Jezus. ‘Wie bij mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in mij gelooft zal nooit meer dorst hebben.'

3-5 / Joh. 14 ,6-7
Jezus zei: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij. Als jullie mij kennen zullen jullie ook mijn Vader kennen, en vanaf nu kennen jullie Hem, want jullie hebben Hem zelf gezien.’

4-5 / Joh. 6, 48
Jezus zegt: 'Ik ben het brood dat leven geeft.'

5-5 / Joh. 6, 55-56
Jezus sprak: 'Mijn lichaam is het ware voedsel en mijn bloed is de ware drank. Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en Ik blijf in hem. De levende Vader heeft mij gezonden, en Ik leef door de Vader; zo zal wie mij eet, leven door mij.'  

6-5 / Joh. 6, 67b
Jezus sprak: ‘Willen jullie soms ook weggaan ?’

7-5 / Joh. 10,11
Jezus sprak: 'Ik ben de goede herder. Een goede herder geeft zijn leven voor de schapen.'

8-5 / Joh. 10, 9a
Jezus sprak: 'Ik ben de deur: wanneer iemand door mij binnenkomt zal hij gered worden.'

9-5 / Hand. 11,23
Toen Barnabas in Antiochië was aangekomen en zag wat God in zijn goedgunstigheid had bewerkt, verheugde hij zich en spoorde hij iedereen aan om standvastig te zijn en trouw te blijven aan de Heer.

10-5 / Ps. 67, 2-3
God, wees ons genadig en zegen ons, laat het licht van uw gelaat over ons schijnen, dan zal men op aarde uw weg leren kennen, in heel de wereld uw reddende kracht.

11-5 / Joh. 13, 20
Jezus sprak: 'Wie iemand ontvangt die door Mij gezonden is ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt ontvangt Hem die Mij gezonden heeft.'

12-5 / Joh. 14, 1
Jezus sprak: 'Wees niet ongerust, maar vertrouw op God en op Mij.'

13-5 / Joh. 14, 14
Jezus sprak: 'Wanneer je iets in mijn naam vraagt, zal Ik het doen.'

14-5 / Joh. 15, 5a
Jezus zei: 'Ik ben de wijnstok en jullie zijn de ranken. Als iemand in Mij blijft en Ik in hem, zal hij veel vrucht dragen.'

15-5 / Joh. 14, 23
Jezus sprak: 'Wanneer iemand mij liefheeft zal hij zich houden aan wat Ik zeg, mijn Vader zal hem liefhebben en mijn Vader en Ik zullen bij hem komen en bij hem wonen.'

16-5 / Joh. 14, 27b
Jezus sprak: 'Maak je niet ongerust en verlies de moed niet.'

17-5 / Joh. 15, 8
Jezus sprak: 'De grootheid van mijn Vader zal zichtbaar worden wanneer jullie veel vrucht dragen en mijn leerlingen zijn.'

18-5 / Joh. 15, 9b
Jezus sprak: 'Blijf in mijn liefde.'

19-5 / Joh. 15, 16a
Jezus zei: 'Jullie hebben niet Mij uitgekozen, maar Ik jullie.'

20-5 / Ps. 100, 2a
Dien de Heer met vreugde.

21-5 / 1 Joh. 4, 10
Het wezenlijke van de liefde is niet dat wij God hebben liefgehad, maar dat Hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon heeft gezonden om verzoening te brengen voor onze zonden.

22-5 / Joh. 16, 2b
Jezus sprak tot zijn leerlingen: "Er komt zelfs een tijd dat iedereen die jullie doodt, meent daarmee God te dienen.'

23-5 / Ps. 138, 8b
Uw trouw, Heer, duurt eeuwig.

24-5 / Hand. 17, 28a
Paulus sprak: 'In God leven wij, bewegen wij en zijn wij.'

25-5 / Hemelvaart van de Heer / Mc. 16, 20
De leerlingen gingen op weg om overal het nieuws bekend te maken. De Heer hielp hen daarbij en zette hun verkondiging kracht bij met de tekenen die ermee gepaard gingen.

26-5 / Joh. 16, 23b
Jezus sprak: 'Ik zal jullie terugzien, en dan zul je blij zijn, en niemand zal je je vreugde afnemen.'

27-5 / Joh. 16, 23b
Jezus zei: 'Ik verzeker jullie: wat je de Vader ook vraagt in mijn naam – Hij zal het je geven.'

28-5 / 1 Joh. 4, 12b
Als we elkaar liefhebben, blijft God in ons en is zijn liefde in ons ten volle werkelijkheid geworden.

29-5 / Joh. 16, 33b
Jezus sprak: 'Jullie zullen het zwaar te verduren krijgen in de wereld, maar houd moed: Ik heb de wereld overwonnen.'

30-5 / Joh. 17, 9-10
Jezus bad tot de Vader: 'Ik bid voor hen. Ik bid niet voor de wereld, maar voor de mensen die U mij hebt gegeven, omdat zij van U zijn. Alles wat van Mij is, is van U, en alles wat van U is, is van Mij – en omdat in hen mijn grootheid zichtbaar geworden is.'

31-5 / Sef. 3, 16b
Laat de moed niet zinken !


1-6 / Joh. 17, 21
Jezus bad: 'Laat hen allen één zijn, Vader. Zoals U in Mij bent en Ik in U, laat hen zo ook in ons zijn, opdat de wereld gelooft dat U Mij hebt gezonden.'

2-6 / Joh. 17, 18
Jezus sprak tot Petrus:
'Toen je jong was deed je zelf je gordel om en ging je waarheen je wilde, maar wanneer je oud wordt zal een ander je handen grijpen, je je gordel omdoen en je brengen waar je niet naartoe wilt.'

3-6 / Joh. 21, 22b
Jezus sprak: 'Jij moet Mij volgen.'

4-6 / Gal. 5, 22-23a
De vrucht van de Geest is liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing.

5-6 / 2 Petr. 1, 5-7
Span u met al uw krachten in om uw geloof te verrijken met deugdzaamheid, uw deugdzaamheid met kennis, uw kennis met zelfbeheersing, uw zelfbeheersing met volharding, uw volharding met vroomheid, uw vroomheid met liefde voor uw broeders en zusters, en uw liefde voor uw broeders en zusters met liefde voor allen.

6-6 / 2 Petr. 3, 17b-18
Wees op uw hoede en laat u niet meeslepen op de dwaalwegen van wettelozen. Laat uw standvastigheid niet varen, maar groei in de genade en in de kennis van onze Heer en redder Jezus Christus. Hem komt de eer toe, nu en in eeuwigheid. Amen.

7-7 / 1 Tim. 1, 7-8a
God heeft ons niet een geest van lafhartigheid gegeven, maar een geest van kracht, liefde en bezonnenheid. Schaam je er dus niet voor om van onze Heer te getuigen.

8-7 / 2 Tim. 2, 13
Als wij Christus ontrouw zijn, blijft Hij ons trouw, want zichzelf verloochenen kan Hij niet.

9-7 / Ps. 119, 125a
Heer God, groot is de vrede voor wie uw wet beminnen.

10-7 / Mc. 12, 41-44
Jezus ging tegenover de offerkist zitten en keek hoe de mensen er geld in wierpen. Veel rijken gooiden veel geld in de kist.
Er kwam ook een arme weduwe, die er twee muntjes in gooide, ter waarde van niet meer dan een quadrans.
Hij riep zijn leerlingen bij zich en zei tegen hen: ‘Ik verzeker jullie: deze arme weduwe heeft meer in de offerkist gedaan dan alle anderen die er geld in hebben gegooid; want die hebben gegeven van hun overvloed, maar zij heeft van haar armoede alles gegeven wat ze had, haar hele levensonderhoud.’

11-7 / Mt. 28, 20b
Jezus sprak: 'Houd dit voor ogen: Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.'

12-7 / Mt. 5, 8
Jezus zei:  'Gelukkig wie zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien.'

13-7 / Mt. 5, 13a + 14a
Jezus zei: 'Jullie zijn het zout van de aarde. Jullie zijn het licht in de wereld.'

14-7 / Mt. 5, 19b
Jezus zei: 'Wie de geboden onderhoudt en ze aan anderen leert, zal in het koninkrijk van de hemel in hoog aanzien staan.'

15-7 / Mc. 14, 22-24
Terwijl ze aten, nam Jezus een brood, sprak het zegengebed uit, brak het brood, deelde het uit en zei: 'Neem hiervan, dit is mijn lichaam.'
En Hij nam een beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun de beker, en allen dronken eruit. Hij zei tegen hen: 'Dit is mijn bloed, het bloed van het verbond, dat voor velen vergoten wordt.'

17-7 / Mt. 5, 37
Jezus zei: 'Laat jullie ja ja zijn, en jullie nee nee; wat je daaraan toevoegt komt voort uit het kwaad.'

18-7 / Mc. 4, 31-32
Jezus zei: 'Het koninkrijk van God is als een zaadje van de mosterdplant, het kleinste van alle zaden op aarde wanneer het gezaaid wordt. Maar als het na het zaaien opschiet, wordt het het grootste van alle planten en krijgt het grote takken, zodat de vogels van de hemel in zijn schaduw kunnen nestelen.'

19-7 / Mt. 5, 42
Jezus zei: 'Geef aan wie iets van je vraagt, en keer je niet af van wie geld van je wil lenen.'

20-7 / Mt. 5, 44a
Jezus zei: 'Heb je vijanden lief.'

21-7 / Mt. 6, 3
Jezus zei: 'Als je aalmoezen geeft, laat dan je linkerhand niet weten wat je rechterhand doet.'

22-7 / Mt.6, 14
Jezus zei: 'Als jullie anderen hun misstappen vergeven, zal jullie hemelse Vader ook jullie vergeven.'

23-7 / Heilige Hart van Jezus / Ef. 3, 16-19
Moge de Vader vanuit zijn rijke luister uw innerlijke wezen kracht en sterkte schenken door zijn Geest, zodat door uw geloof Christus kan gaan wonen in uw hart, en u geworteld en gegrondvest blijft in de liefde.
Dan zult u met alle heiligen de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte kunnen begrijpen, ja de liefde van Christus kennen die alle kennis te boven gaat, opdat u zult volstromen met Gods volkomenheid.

24-7 / Geboorte Johannes de Doper / Ps. 139, 14a
God, ik loof U voor het onzaglijke wonder van mijn bestaan.

25-7 / Kor. 5, 14a
Wat ons drijft is de liefde van Christus.

26-7 / Mt. 7, 5
Jezus zei: 'Verwijder eerst de balk uit je eigen oog, pas dan zul je scherp genoeg zien om de splinter uit het oog van je broeder of zuster te verwijderen.'

27-7 / Mt. 7, 13-14
Jezus zei: 'Ga door de nauwe poort naar binnen. Want de brede weg, die velen volgen, en de ruime poort, waar velen door naar binnen gaan, leiden naar de ondergang. Nauw is de poort naar het leven, en smal de weg ernaartoe, en slechts weinigen weten die te vinden.'

28-7 / Ps. 119, 37
Heer, houd mijn ogen af van wat leeg is, laat mij uw wegen gaan, en leven.

29-7 / 2 Tim. 4, 18
De Heer zal me van alle kwaad redden en me veilig naar zijn hemels koninkrijk brengen. Hem komt de eer toe tot in alle eeuwigheid. Amen.

30-7 / Mt. 8, 2-3
Er kwam iemand naar Jezus toe die aan huidvraat leed. Hij wierp zich voor Hem neer en zei:
‘Heer, als u wilt, kunt u mij rein maken.’
Jezus strekte zijn hand uit, raakte hem aan en zei: ‘Ik wil het, word rein.’
En meteen was hij gereinigd van zijn huidvraat.


1-7 / Klaagl. 2, 19
Weeklaag in de nacht, jammer tot aan de ochtend, stort je hart uit als water, ten overstaan van de Heer. Hef je handen naar Hem op, voor het leven van je kinderen, die op elke straathoek van honger versmachten.

2-7 / Wijsh. 2, 23
God heeft de mens geschapen voor de eeuwigheid, als afspiegeling van zijn eigen wezen.

3-7 / Joh. 20, 29b
Jezus zei tot Tomas: 'Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven.'

4-7 / Ps. 5, 8
Heer, door uw grote liefde mag ik uw huis binnengaan, van ontzag vervuld mij buigen naar uw heilige tempel.

5-7 / Amos 5, 14
Zoek het goede, niet het kwade. Dan zullen jullie leven, en dan zal de Heer, de God van de hemelse machten, met jullie zijn, zoals jullie altijd zeggen.

6-7 / Ps. 19, 8-9
De wet van de Heer is volmaakt: levenskracht voor de mens. De richtlijn van de Heer is betrouwbaar: wijsheid voor de eenvoudige. De bevelen van de Heer zijn eenduidig: vreugde voor het hart. Het gebod van de Heer is helder: licht voor de ogen.

7-7 / Mt. 9, 13b
Jezus sprak: 'Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.'

8-7 / Ps. 85, 9
Ik wil horen wat God ons zegt; Hij spreekt woorden van vrede tegen zijn volk, zijn getrouwen. Laten zij niet weer vervallen in dwaasheid !

9-7 / Mc. 6, 6a
Jezus stond verbaasd over hun ongeloof.

10-7 / Hos. 2, 16 + 17b
Zo spreekt de Heer: Mijn ontrouwe bruid zal Ik meelokken naar de woestijn en dan tot haar hart spreken. Zij zal mijn liefde beantwoorden als in de tijd van haar jeugd, als op de dag dat ze wegtrok uit Egypte.

11-7 / Spr. 2, 6-8
Het is de Heer die wijsheid schenkt, zijn woorden bieden kennis en inzicht. Aan wie rechtschapen is, geeft Hij voorspoed, voor wie op rechte wegen gaat, is Hij een schild. Hij waakt over het rechte pad en beschut de weg van wie Hem trouw zijn.

12-7 / Hos. 10, 12a
Zaai rechtvaardig !  Oogst met liefde !

13-7 / Hos. 11, 8c
Zo spreekt de Heer: 'Door barmhartigheid word Ik bewogen.'

14-7 / Mt. 10, 16
Jezus sprak: 'Ik zend jullie als schapen onder de wolven. Wees dus scherpzinnig als een slang, maar behoud de onschuld van een duif.'

15-7 / Mt. 10, 27
Jezus zei: 'Wat Ik jullie in het duister zeg, spreek dat uit in het volle licht, en wat jullie in het oor gefluisterd wordt, schreeuw dat van de daken.'

16-7 / Ef. 1, 4-6
In Christus heeft God, voordat de wereld gegrondvest werd, ons vol liefde uitgekozen om voor Hem heilig en zuiver te zijn, en Hij heeft ons naar zijn wil en verlangen voorbestemd om in Jezus Christus zijn kinderen te worden, tot eer van de grootheid van Gods genade, ons geschonken in zijn geliefde Zoon.

17-6 / Mt. 10, 39
Jezus zei: 'Wie zijn leven probeert te behouden zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van Mij, die zal het behouden.'

18-6 / Ps. 48, 2a
Groot is de Heer, Hem komt alle lof toe.

19-6 / Jes. 10, 15b
Verheft een zaag zich boven wie hem hanteert ?

20-6 / Jes. 26, 19b
Ontwaak, jullie daar in het stof, en jubel !

21-6 / Jes. 38, 16c
Heer, U geeft mij nieuwe kracht, U doet mij herleven.

22-6 / Ps. 63, 5-6
God, U wil ik prijzen, mijn leven lang, roepend uw naam, de handen geheven. Dan wordt mijn ziel verzadigd met uw overvloed, jubel ligt op mijn lippen, mijn mond zal U loven.

23-6 / Mc. 6, 34
Toen Jezus uit de boot stapte, zag Hij een grote menigte en voelde medelijden met hen, omdat ze leken op schapen zonder herder, en Hij onderwees hen langdurig.

24-6 / Mich. 6, 8
Er is jou, mens, gezegd wat goed is, je weet wat de Heer van je wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God.

25-6 / Mt. 20, 25-28
Jezus sprak: ‘Jullie weten dat heersers hun volken onderdrukken en dat leiders hun macht misbruiken. Zo zal het bij jullie niet mogen gaan. Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, zal de anderen moeten dienen, en wie van jullie de eerste wil zijn, zal jullie dienaar moeten zijn – zoals de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.’

26-6 / Ps. 71, 6b
Al in de moederschoot was U het, God, die mij droeg.

27-6 / Ps. 36-8-10
Hoe kostbaar is uw liefde, God ! In de schaduw van uw vleugels schuilen de mensen, zij laven zich aan de overvloed van uw huis, U lest hun dorst met een stroom van vreugden, want bij U is de bron van het leven, door úw licht zien wij licht.

28-6 / Jer. 31, 10
Volken, luister naar de woorden van de Heer, vertel het verder op de verste eilanden: Hij die Israël verstrooid heeft, zal het samenbrengen en het hoeden, zoals een herder zijn kudde.

29-6 / 1 Joh. 4, 16b
God is liefde. Wie in de liefde blijft, blijft in God, en God blijft in hem.

30-6 / Ef. 4, 1-6
Ik vraag u de weg te gaan die past bij de roeping die u hebt ontvangen: wees steeds bescheiden, zachtmoedig en geduldig, en verdraag elkaar uit liefde.
Span u in om door de samenbindende kracht van de vrede de eenheid te bewaren die de Geest u geeft: één lichaam en één geest, zoals u één hoop hebt op grond van uw roeping, één Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die boven allen, door allen en in allen is.

31-6 / Mt. 13, 33
Jezus sprak: ‘Het koninkrijk van de hemel lijkt op zuurdesem die door een vrouw met drie zakken meel werd vermengd tot alle meel doordesemd was.’


1-8 / Jer. 14, 22b
God, wij vestigen onze hoop op U, want U hebt alles gemaakt.

Pauze Bijbelcitaat van 2 aug. tot 4 sept.'06

4-9 / Ps. 119, 101
Heer, mijn voeten mijden elk pad dat slecht is, zo kan ik mij houden aan uw woord.

5-9 / 1 Kor. 2, 12
Wij hebben niet de geest van de wereld ontvangen, maar de Geest die van God komt, opdat we zouden weten wat God ons in zijn goedheid heeft geschonken.

6-9 / 1 Kor. 3, 9b
U bent een bouwwerk van God.

7-9 / Lc. 5, 4b-6
Jezus sprak tot Simon: ‘Vaar naar diep water en gooi jullie netten uit om vis te vangen.’
Simon antwoordde: ‘Meester, de hele nacht hebben we ons ingespannen en niets gevangen. Maar als u het zegt, zal ik de netten uitwerpen.’
En toen ze dat gedaan hadden, zwom er zo’n enorme school vissen in de netten dat die dreigden te scheuren.

8-9 / Ps. 13, 6a
Heer God, ik vertrouw op uw liefde; mijn hart zal juichen omdat U redding brengt.

9-9 / Lc. 6, 5
Jezus sprak: ‘De Mensenzoon is heer en meester over de sabbat.’

10-9 / Lc. 7, 32-35
Er werd iemand bij Jezus gebracht die doof was en gebrekkig sprak, en men smeekte Hem om deze man de hand op te leggen.
Hij nam de man apart, weg van de menigte, stak zijn vingers in diens oren en raakte met speeksel zijn tong aan. Hij sloeg zijn blik op naar de hemel, zuchtte diep en zei tegen hem: ‘Effata!’, wat betekent: ‘Ga open!’
Meteen gingen zijn oren open, zijn tong kwam los en hij kon normaal spreken.

11-9 / Lc. 6, 8b
Jezus sprak: ‘Sta op en kom in het midden staan.’

12-9 / Lc. 6, 12-13
In die dagen trok Jezus zich terug op de berg om te bidden. De hele nacht bleef Hij tot God bidden. Toen de dag aanbrak, riep Hij de leerlingen bij zich en koos twaalf van hen uit, die Hij apostelen noemde.

13-9 / 1 Kor. 7, 29b-31
Laat ieder die een vrouw heeft zo leven dat het hem niet in beslag neemt, ieder die verdriet heeft zo dat hij er niet door wordt beheerst, ieder die vreugde voelt zo dat hij er niet in opgaat, ieder die bezit verwerft alsof het niet zijn eigendom is, ieder die in deze wereld leeft alsof ze voor hem niet meer van belang is. Want de wereld die wij kennen gaat ten onder.

14-9 / Joh. 3, 16
Jezus sprak tot Nikodemus: 'God had de wereld zo lief dat Hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.'

15-9 / Joh. 19, 25-27
Bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder met haar zuster, Maria, de vrouw van Klopas, en Maria uit Magdala. Toen Jezus zijn moeder zag staan, en bij haar de leerling van wie Hij veel hield, zei Hij tegen zijn moeder: ‘Dat is uw zoon,’ en daarna tegen de leerling: ‘Dat is je moeder.’ Vanaf dat moment nam die leerling haar bij zich in huis.

16-9 / Lc. 6, 47-49
Jezus sprak: 'Ik zal jullie vertellen op wie degene lijkt die bij me komt, naar mijn woorden luistert en ernaar handelt: hij lijkt op iemand die bij het bouwen van zijn huis een diep gat groef en het fundament op rotsgrond legde. Toen er een overstroming kwam, beukte het water tegen het huis, maar het stortte niet in omdat het degelijk gebouwd was. Wie wel naar mijn woorden luistert maar niet doet wat Ik zeg, lijkt op iemand die een huis bouwde zonder fundament, zodat het meteen instortte toen het water ertegen beukte en er alleen een bouwval overbleef.'

17-9 / Mc. 8, 34-35
Jezus sprak: 'Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en zo achter Mij aan komen. Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van Mij en het evangelie, zal het behouden.'

18-9 / Lc. 7, 6a
Jezus ging samen met hen op weg.

19-9 / 1 Kor. 12, 27
U bent het lichaam van Christus en ieder van u maakt daar deel van uit.

20-9 / 1 Kor. 13, 1-3
Al sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelen – had ik de liefde niet, ik zou niet meer zijn dan een dreunende gong of een schelle cimbaal. Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen – had ik de liefde niet, ik zou niets zijn. Al verkocht ik mijn bezittingen omdat ik voedsel aan de armen wilde geven, al gaf ik mijn lichaam prijs en kon ik daar trots op zijn – had ik de liefde niet, het zou mij niet baten.

21-9 / Mt. 9, 9
Toen Jezus verderging, zag Hij bij het tolhuis een man zitten die Matteüs heette, en Hij zei tegen hem: ‘Volg mij.’ Hij stond op en volgde Hem.

22-9 / 1 Kor. 15, 14
Als Christus niet is opgewekt, is onze verkondiging zonder inhoud en uw geloof zinloos.

24-9 / Mc. 9, 35b
Jezus sprak: ‘Wie de belangrijkste wil zijn, moet de minste van allemaal willen zijn en ieders dienaar.’

25-9 / Spr. 3, 31-32
Wees niet jaloers op iemand die geweld gebruikt, kies niet de weg die hij gaat, want de Heer verafschuwt wie dat dwaalspoor gaat, maar wie rechtschapen is, geeft Hij zijn vertrouwen.

26-9 / Lc. 8, 21
Jezus sprak: ‘Mijn moeder en mijn broers zijn degenen die naar het woord van God luisteren en ernaar handelen.’

27-9 / Spr. 30, 5b
God is een schild voor wie bij Hem hun toevlucht zoeken.

28-9 / Ps. 90, 14
Heer God, vervul ons in de morgen met uw liefde, laat ons van blijdschap juichen, al onze dagen.

29-9 / Ap. 12, 10-12a
Ik hoorde een luide stem in de hemel zeggen: 'Nu zijn de redding, de macht en het koningschap van onze God werkelijkheid geworden, en de heerschappij van zijn Messias. Want de aanklager van onze broeders en zusters, die hen dag en nacht bij onze God aanklaagde, is ten val gebracht. Zij hebben hem dankzij het bloed van het Lam en dankzij hun getuigenis overwonnen. Zij waren niet aan het leven gehecht en hebben hun dood aanvaard. Daarom: juich, hemel, en allen die daar wonen!'  

30-9 / Pred. 11, 9
Geniet, beste vriend, van je jonge jaren, haal je hart op aan de dagen van je jeugd. Volg de wegen die je hart wil gaan, gun je ogen wat ze wensen. En onthoud bij alles wat je doet dat God je aan zijn oordeel onderwerpt.


1-10 / Num. 11, 29b
Mozes sprak: 'Legde de Heer zijn Geest maar op heel het volk! Profeteerde iedereen maar!'

2-10 / Ex. 23, 20
Zo spreekt de Heer:
'Ik stuur een engel voor jullie uit om je op je tocht te beschermen en je naar de plaats te brengen die ik voor jullie bestemd heb.'

3-10 / Ps. 88, 2-3
Heer, God, mijn redder, overdag schreeuw ik het uit, ’s nachts zit ik stil voor U neer. Laat mijn gebed U bereiken, luister naar mijn klagen.

4-10 / Lc. 9, 62
Jezus zei:
‘Wie de hand aan de ploeg slaat en achterom blijft kijken, is niet geschikt voor het koninkrijk van God.’

5-10 / Lc. 10, 3
Jezus sprak:
'Ga op weg, en bedenk wel: Ik zend jullie als lammeren onder de wolven.'

7-10 / Lc. 10, 21
Vervuld van de heilige Geest begon Jezus te juichen en zei: 'Ik loof U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat U deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen, maar ze aan eenvoudige mensen hebt onthuld. Ja, Vader, zo hebt U het gewild.'

8-10 / Mc. 10, 7-9
Jezus sprak:
'Een man zal zijn vader en moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw, en die twee zullen één worden, ze zijn dan niet langer twee, maar één.
Wat God heeft verbonden, mag een mens niet scheiden.'

9-10 / Lc. 10, 25-28
Er kwam een wetgeleerde die Jezus op de proef wilde stellen. Hij vroeg: ‘Meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’
Jezus antwoordde: ‘Wat staat er in de wet geschreven? Wat leest u daar?’
De wetgeleerde antwoordde: ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf.’
‘U hebt juist geantwoord,’ zei Jezus tegen hem. ‘Doe dat en u zult leven.’

10-10 / Lc. 10, 39
Maria ging aan de voeten van de Heer zitten en luisterde naar zijn woorden.

11-10 / Lc. 16, 13b
Jezus sprak:
'Jullie kunnen niet God dienen én de mammon.'

12-10 / Mc. 12, 43-44
Jezus riep zijn leerlingen bij zich en zei tegen hen: ‘Ik verzeker jullie: deze arme weduwe heeft meer in de offerkist gedaan dan alle anderen die er geld in hebben gegooid; want die hebben gegeven van hun overvloed, maar zij heeft van haar armoede alles gegeven wat ze had, haar hele levensonderhoud.’

13-10 / Lc. 11, 13
Jezus zei: 'Wie niet met Mij is, is tegen Mij, en wie niet met Mij samenbrengt, drijft uiteen.'

14-10 / Gal. 3, 27
U allen die door de doop één met Christus bent geworden, hebt u met Christus omkleed.

15-10 / Mc. 10, 24-25b
Jezus zei:
‘Kinderen, wat is het moeilijk om het koninkrijk van God binnen te gaan: het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.’

16-10 / Gal. 5, 1
Christus heeft ons bevrijd opdat wij in vrijheid zouden leven; houd dus stand en laat u niet opnieuw een slavenjuk opleggen.

17-10 / Lc. 10, 5
Jezus sprak tot de tweeënzeventig leerlingen: 'Als jullie een huis binnengaan, zeg dan eerst: “Vrede voor dit huis!” '

19-10 / Ef. 1, 4-6
In Christus heeft God, voordat de wereld gegrondvest werd, ons vol liefde uitgekozen om voor Hem heilig en zuiver te zijn, en Hij heeft ons naar zijn wil en verlangen voorbestemd om in Jezus Christus zijn kinderen te worden, tot eer van de grootheid van Gods genade, ons geschonken in zijn geliefde Zoon.

20-10 / Ef. 1, 11-12
In Christus heeft God, die alles naar zijn wil en besluit tot stand brengt, ons de bestemming toebedeeld om vanaf het begin onze hoop te vestigen op Christus, tot eer van Gods grootheid.

21-10 / Ef. 1, 17
Moge de God van onze Heer Jezus Christus, de Vader van alle luister, u een Geest van inzicht schenken in wat geopenbaard is, opdat u Hem zult kennen.

22-10 / Mc. 10, 42-45
Jezus sprak tot zijn leerlingen:
‘Jullie weten dat de volken onderdrukt worden door hun eigen heersers en dat hun leiders hun macht misbruiken. Zo mag het bij jullie niet gaan. Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, zal de anderen moeten dienen, en wie van jullie de eerste wil zijn, zal ieders dienaar moeten zijn, want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.’

23-10 / Lc. 12, 15a
Jezus sprak:
'Hoed je voor iedere vorm van hebzucht.'

25-10 / Lc. 12, 40b
Jezus sprak:
'De Mensenzoon komt op een tijdstip waarop je het niet verwacht.'

26-10 / Ef. 3, 16-19
Moge de Vader vanuit zijn rijke luister uw innerlijke wezen kracht en sterkte schenken door zijn Geest, zodat door uw geloof Christus kan gaan wonen in uw hart, en u geworteld en gegrondvest blijft in de liefde. Dan zult u met alle heiligen de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte kunnen begrijpen, ja de liefde van Christus kennen die alle kennis te boven gaat, opdat u zult volstromen met Gods volkomenheid.

27-10 / Ef. 3, 4-6
Span u in om door de samenbindende kracht van de vrede de eenheid te bewaren die de Geest u geeft: één lichaam en één geest, zoals u één hoop hebt op grond van uw roeping, één Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die boven allen, door allen en in allen is.

28-10 / Ef. 2, 19-22
U bent geen vreemdelingen of gasten meer, maar burgers, net als de heiligen, en huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, met Christus Jezus zelf als de hoeksteen. Vanuit Hem groeit het hele gebouw, steen voor steen, uit tot een tempel die gewijd is aan Hem, de Heer, in wie ook u samen opgebouwd wordt tot een plaats waar God woont door zijn Geest.

29-10 / Mc. 10, 49b
‘Houd moed, sta op, Hij roept u.’

30-10 / Ef. 4, 32
Wees goed voor elkaar en vol medeleven; vergeef elkaar zoals God u in Christus vergeven heeft.

31-10 / Lc. 13, 20-21
Jezus sprak: ‘Waarmee zal Ik het koninkrijk van God vergelijken? Het lijkt op zuurdesem die door een vrouw met drie zakken meel werd vermengd tot alle meel doordesemd was.’


1-11 / Allerheiligen / Mt. 5, 8
Jezus zei:
'Gelukkig wie zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien.'

2-11 / Allerzielen / Wijsh. 3, 9a
Wie op God vertrouwen zullen de waarheid kennen, en wie trouw zijn zullen in liefde met Hem verkeren.

3-11 / Fil. 1, 9-11
Ik bid dat uw liefde blijft groeien door inzicht en fijnzinnigheid, zodat u kunt onderscheiden waar het op aankomt. Dan zult u op de dag van Christus zuiver en onberispelijk zijn, vol van de vruchten van de gerechtigheid, die u dankt aan Jezus Christus, tot lof en eer van God.

4-11 / Lc. 14, 11
Jezus zei:
'Wie zichzelf verhoogt zal vernederd worden, en wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden.'

5-11 / Mc. 12, 28b-31
Een schriftgeleerde trad op Jezus toe en legde Hem de vraag voor: ‘Wat is van alle geboden het belangrijkste gebod?’
Jezus antwoordde: ‘Het voornaamste is: “Luister, Israël! De Heer, onze God, is de enige Heer; heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht.” Het op een na belangrijkste is dit: “Heb uw naaste lief als uzelf.” Er zijn geen geboden belangrijker dan deze.’

6-11 / Fil. 2, 3-4
Handel niet uit geldingsdrang of eigenwaan, maar acht in alle bescheidenheid de ander belangrijker dan uzelf.
Heb niet alleen uw eigen belangen voor ogen, maar ook die van de ander.

7-11 / Fil. 2, 5
Laat onder u de gezindheid heersen die Christus Jezus had.

8-11 / Fil. 2, 13a
Het is God die zowel het willen als het handelen bij u teweegbrengt.

9-11 / Kor. 3, 17b
Gods tempel is heilig, en die tempel bent u zelf.

10-11 / Fil. 4, 1b
Blijf standvastig in de Heer.

11-11 / Lc. 16, 13b
Jezus sprak:
'Jullie kunnen niet God dienen én de mammon.'

12-11 / Mc. 12, 43-44
Jezus riep zijn leerlingen bij zich en zei tegen hen: ‘Ik verzeker jullie: deze arme weduwe heeft meer in de offerkist gedaan dan alle anderen die er geld in hebben gegooid; want die hebben gegeven van hun overvloed, maar zij heeft van haar armoede alles gegeven wat ze had, haar hele levensonderhoud.’

13-11 / Lc. 17, 3-4
Jezus sprak:
'Indien je broeder zondigt, spreek hem dan ernstig toe; en als hij berouw heeft, vergeef hem. En als hij zevenmaal op een dag tegen je zondigt en zevenmaal naar je terugkeert en zegt: “Ik heb berouw,” dan moet je hem vergeven.'

14-11 / Ps. 37, 3a
Vertrouw op de Heer en doe het goede.

15-11 / Lc. 17, 17
Jezus sprak: 'Zijn er niet tien gereinigd? Waar zijn de negen anderen?'

16-11 / Lc. 17, 20-21
Toen de Farizeeën Jezus vroegen wanneer het Koninkrijk van God zou komen, antwoordde Hij hun: ‘De komst van het Koninkrijk van God laat zich niet aanwijzen, en men kan niet zeggen: “Kijk, hier is het!” of: “Daar is het!” Maar weet wel: het Koninkrijk van God ligt binnen uw bereik.’

17-11 / 2 Joh. 5b-6
Ik houd u in deze brief geen nieuw gebod voor, maar een gebod dat ons vanaf het begin bekend is: laten we elkaar liefhebben. Liefhebben houdt in dat we leven volgens Gods geboden. Volgens dit gebod, dat u vanaf het begin gehoord hebt, moet u leven.

18-11 / Mt. 14, 28-32
Petrus sprak vanop de boot: ‘Heer, als U het bent, zeg me dan dat ik over het water naar U toe moet komen.’
Hij zei: ‘Kom!’
Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe. Maar toen hij voelde hoe sterk de wind was, werd hij bang. Hij begon te zinken en schreeuwde het uit: ‘Heer, red me!’
Meteen strekte Jezus zijn hand uit, Hij greep hem vast en zei: ‘Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?’
Toen ze in de boot stapten, ging de wind liggen.

19-11 / Mc. 13, 31
Jezus sprak:
'Hemel en aarde zullen verdwijnen, maar mijn woorden zullen nooit verdwijnen.'

20-11 / Ps. 1, 1-2
Gelukkig de mens die niet meegaat met wie kwaad doen, die de weg van zondaars niet betreedt, bij spotters niet aan tafel zit, maar vreugde vindt in de wet van de Heer en zich verdiept in zijn wet, dag en nacht.

21-11 / Apoc. 3, 20
Ik sta voor de deur en klop aan. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik binnenkomen, en we zullen samen eten, Ik met hem en hij met Mij.

22-11 / Apoc. 4, 8b
‘Heilig, heilig, heilig is God, de Heer, de Almachtige, die was, die is en die komt.’

23-10 / Ps. 149, 1
Zing voor de Heer een nieuw lied, roem Hem te midden van zijn getrouwen.

24-11 / Apoc. 10, 10
Ik pakte het boekje aan en at het op. Het smaakte zoet als honing, maar nadat ik het opgegeten had, brandde het in mijn maag.

25-11 / Lc. 20, 38
Jezus sprak: 'God is geen God van doden, maar van levenden.'

26-11 / Joh. 18, 37b
Jezus sprak tot Pilatus:
'Ik ben geboren en naar de wereld gekomen om van de waarheid te getuigen, en ieder die de waarheid is toegedaan, luistert naar wat Ik zeg.'

27-11 / Ps. 23, 3-4
Wie mag de berg van de Heer bestijgen, wie mag staan op zijn heilige plaats ?
Wie reine handen heeft en een zuiver hart, zich niet inlaat met leugens en niet bedrieglijk zweert.

28-11 / Ps. 94, 11-13a
Laat de hemel verheugd zijn, de aarde juichen, de zee bruisen en alles wat daar leeft. Laat het veld verblijd zijn en alles wat daar groeit, laten alle bomen jubelen.
Jubel voor de Heer, want Hij is in aantocht.

29-11 / Lc. 21, 19
Jezus sprak:
'Red je leven door standvastigheid !'

30-11 / Mt. 4, 18-20
Toen Jezus langs het meer liep, zag Hij twee broers, Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas. Ze wierpen hun net uit in het meer, het waren vissers.
Hij zei tegen hen: ‘Kom, volg mij, Ik zal van jullie vissers van mensen maken.’
Ze lieten meteen hun netten achter en volgden Hem.


01-12 / Apoc. 21, 2
Ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel neerdalen, bij God vandaan. Ze was als een bruid die zich mooi heeft gemaakt voor haar man en hem opwacht.

02-12 / Apoc. 22, 3-5a
Er zal niets meer zijn waarop nog een vloek rust. De troon van God en van het Lam zal daar in de stad staan. Zijn dienaren zullen Hem vereren en Hem met eigen ogen zien, en zijn naam staat op hun voorhoofd. Het zal er geen nacht meer zijn en het licht van een lamp of het licht van de zon hebben ze niet nodig, want God, de Heer, zal hun licht zijn.

03-12 / Lc. 21, 34a
'Pas op dat jullie hart niet afgestompt raakt door de roes en de dronkenschap en de zorgen van het dagelijks leven.'

04-12 / Jes. 2, 5b
Laten wij leven in het licht van de Heer.

05-12 / Lc. 10, 21
Jezus begon vervuld van de heilige Geest te juichen en zei: 'Ik loof U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat U deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen, maar ze aan eenvoudige mensen hebt onthuld. Ja, Vader, zo hebt U het gewild.'

06-12 / Ps. 23, 1-2
De Heer is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets. Hij laat mij rusten in groene weiden en voert mij naar vredig water.

07-12 / Mt. 7, 21
Jezus sprak:
'Niet iedereen die “Heer, Heer” tegen Mij zegt, zal het Koninkrijk van de hemel binnengaan, alleen wie handelt naar de wil van mijn hemelse Vader.'

08-12 / Ef. 1, 4-6
In Christus heeft God, voordat de wereld gegrondvest werd, ons vol liefde uitgekozen om voor Hem heilig en zuiver te zijn, en Hij heeft ons naar zijn wil en verlangen voorbestemd om in Jezus Christus zijn kinderen te worden, tot eer van de grootheid van Gods genade, ons geschonken in zijn geliefde Zoon.

11-12 / Jes. 35, 1-2
De woestijn zal zich verheugen, de dorre vlakte vrolijk zijn, de wildernis zal jubelen en bloeien, als een lelie welig bloeien, jubelen en juichen van vreugde. De woestijn tooit zich met de luister van de Libanon, met de schoonheid van de Karmel en de Saron. Men aanschouwt de luister van de Heer, de schoonheid van onze God.

12-12 / Jes. 40, 11
Als een herder weidt de Heer zijn kudde: zijn arm brengt de lammeren bijeen, Hij koestert ze, en zorgzaam leidt Hij de ooien.

13-12 / Jes. 40, 31
Wie hoopt op de Heer krijgt nieuwe kracht: hij slaat zijn vleugels uit als een adelaar, hij loopt, maar wordt niet moe, hij rent, maar raakt niet uitgeput.

14-12 / Jes. 41, 18-20
Ik laat op kale heuvels rivieren ontspringen en bronnen in de valleien. In de woestijn laat Ik meren ontstaan, uit dorre grond borrelt water op. Ik plant in de woestijn ceder en acacia, mirte en olijf, en Ik laat in de wildernis den, kamperfoelie en cipres opschieten. Dan zullen zij zien en beseffen, begrijpen en erkennen dat de hand van de Heer dit heeft verricht, dat de Heilige van Israël dit alles schiep.

15-12 / Jes. 48, 17-18
Dit zegt de Heer, je bevrijder, de Heilige van Israël: Ik ben de Heer, jullie God, die jullie onderricht in je eigen belang, die jullie leidt op de weg die je gaat.
Luisterde je maar naar mijn geboden, dan zou jouw vrede zijn als een rivier, en je gerechtigheid als de golven van de zee.

16-12 / Ps. 80, 15-16
God van de hemelse machten, keer U tot ons, kijk neer uit de hemel en zie, bekommer U om deze wijnstok, de stek die uw hand heeft geplant, het kind dat U zelf hebt grootgebracht.

17-12 / Fil. 4, 4-5
Laat de Heer uw vreugde blijven; ik zeg u nogmaals: wees altijd verheugd. Laat iedereen u kennen als vriendelijke mensen. De Heer is nabij.

18-12 / Mt. 1, 24
Jozef werd wakker en deed wat de engel van de Heer hem had opgedragen: hij nam Maria bij zich als zijn vrouw.

19-12 / Ps. 71, 6b
Mijn God, al in de moederschoot was U het die mij droeg.

20-12 / Lc. 1, 38a
Maria zei: ‘De Heer wil ik dienen.'

21-12 / Lc. 1, 41-45
Toen Elisabet de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot; ze werd vervuld met de heilige Geest en riep luid: ‘De meest gezegende ben je van alle vrouwen, en gezegend is de vrucht van je schoot! Wie ben ik dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt? Toen ik je groet hoorde, sprong het kind van vreugde op in mijn schoot. Gelukkig is zij die geloofd heeft dat de woorden van de Heer in vervulling zullen gaan.’

22-12 / Lc. 1, 51-52
Maria sprak tot Elisabet:
'God toont zijn macht en de kracht van zijn arm en drijft uiteen wie zich verheven wanen, heersers stoot Hij van hun troon en wie gering is geeft Hij aanzien.'

23-12 / Mal. 3, 2b-3
Zo spreekt de Heer God:
'Wie zal overeind blijven wanneer Hij verschijnt? Hij is als het vuur van een smid, als het loog van een wolwasser. Hij zal zitting houden als iemand die zilver smelt en het zuivert; de zonen van Levi zal Hij zuiveren en zeven als goud en zilver, en dan zullen ze op de juiste wijze offeren aan de Heer.'

24-12 / Lc. 1, 45
Elisabeth sprak:
'Gelukkig is zij die geloofd heeft dat de woorden van de Heer in vervulling zullen gaan.'

25-12 / ...

26-12 / Ps. 31, 17a
Heer, laat het licht van uw gelaat over mij schijnen.

27-12 / 1 Joh. 1, 1
Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien en aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt, dat verkondigen wij: het Woord dat leven is.

28-12 / 1 Joh. 1, 5-7
Dit is wat wij Jezus hebben horen verkondigen en wat we u verkondigen: God is licht, er is in Hem geen spoor van duisternis.
Als we zeggen dat we met Hem verbonden zijn terwijl we onze weg in het duister gaan, liegen we en leven we niet volgens de waarheid. Maar gaan we onze weg in het licht, zoals Hijzelf in het licht is, dan zijn we met elkaar verbonden en reinigt het bloed van Jezus, zijn Zoon, ons van alle zonde.

29-12 / 1 Joh. 2, 9-11
Wie zegt in het licht te zijn maar zijn broeder of zuster haat, bevindt zich nog altijd in de duisternis. Wie de ander liefheeft, blijft in het licht en komt niet ten val, maar wie de ander haat, bevindt zich in de duisternis. Hij gaat zijn weg in het duister, zonder te weten waarheen die weg voert, want de duisternis heeft hem blind gemaakt.

30-12 / 1 Joh. 2, 17
De wereld met haar begeerte gaat voorbij, maar wie Gods wil doet blijft tot in eeuwigheid.

31-12 / 1 Joh. 3, 1
Vrienden, bedenk toch hoe groot de liefde is die de Vader ons heeft geschonken!

 

Terug naar archief