Terug naar Archief

Bijbelcitaten 2007

 

1-1 / Num. 6, 24-26
Moge de Heer u zegenen en u beschermen, moge de Heer het licht van zijn gelaat over u doen schijnen en u genadig zijn, moge de Heer u zijn gelaat toewenden en u vrede geven.

2-1 / Ps. 98, 4
Juich de Heer toe, heel de aarde, juich en jubel, zing het uit.

3-1 / 1 Joh. 3, 1a
Bedenk toch hoe groot de liefde is die de Vader ons heeft geschonken!

4-1 / 1 Joh. 3, 10
Hieraan is te zien wie kinderen van God en wie kinderen van de duivel zijn: wie niet rechtvaardig leeft, komt niet uit God voort. Hetzelfde geldt voor wie zijn broeder of zuster niet liefheeft.

5-1 / 1 Joh. 3, 18-19
Kinderen, we moeten niet liefhebben met de mond, met woorden, maar waarachtig, met daden. Dan weten we dat we voortkomen uit de waarheid en kunnen we met een gerust hart voor God staan.

6-1 / 1 Joh. 5, 11-12b
God heeft ons eeuwig leven geschonken en dat leven is in zijn Zoon. Wie de Zoon heeft, heeft het leven.

7-1 / Mt. 2, 11a
De magiërs gingen het huis binnen en vonden het kind met Maria, zijn moeder. Ze wierpen zich neer om het eer te bewijzen.

8-1 / Lc. 3, 21-22
Heel het volk liet zich dopen, en toen ook Jezus was gedoopt en Hij aan het bidden was, werd de hemel geopend en daalde de heilige Geest in de gedaante van een duif op Hem neer, en er klonk een stem uit de hemel: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind Ik vreugde.’

9-1 / Mc. 1, 27b
De mensen zeiden over Jezus: 'Zelfs als Hij onreine geesten een bevel geeft, wordt Hij gehoorzaamd.'

10-1 / Ps. 105, 4b
Zoek voortdurend de nabijheid van de Heer.

11-1 / Hebr. 3, 12-14
Zie er op toe, broeders en zusters, dat niemand van u door een kwaadwillig, ongelovig hart afvallig wordt van de levende God, maar wijs elkaar terecht, elke dag dat dit ‘vandaag’ nog geldt, opdat niemand van u halsstarrig wordt omdat hij door zonde verleid werd. Want alleen als we tot het einde toe resoluut vasthouden aan ons aanvankelijk vertrouwen, blijven we deelgenoten van Christus.

12-1 / Ps. 78, 3-4
Wij hebben het gehoord, wij weten het, onze ouders hebben het ons verteld. Wij willen het onze kinderen niet onthouden, wij zullen aan het komend geslacht vertellen van de roemrijke, krachtige daden van de Heer, van de wonderen die Hij heeft gedaan.

13-1 / Mc. 2, 17
Jezus sprak: ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieken wel; Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.'

14-1 / Jes. 62, 5b
Zoals de bruidegom zich verheugt over zijn bruid, zo zal je God zich over jou verheugen.

15-1 / Hebr. 5, 9-10
Hoewel Jezus Gods Zoon was, heeft Hij moeten lijden, en zo heeft Hij gehoorzaamheid geleerd. En toen Hij naar de uiteindelijke volmaaktheid gevoerd was, werd Hij voor allen die Hem gehoorzamen een bron van eeuwige redding, omdat God Hem heeft uitgeroepen tot hogepriester zoals Melchisedek dat was.

16-1 / Ps. 111, 9ab
Het begin van wijsheid is ontzag voor de Heer, wie leeft naar zijn wet, getuigt van goed inzicht.

17-1 / Mc. 3, 3
Jezus zei tegen de man met de verschrompelde hand: ‘Kom in het midden staan.’

18-1 / Mc. 3, 10
Allerlei zieken verdrongen zich om Jezus aan te raken, want Hij had al veel mensen genezen.

19-1 / Neh. 8, 10d
De vreugde die de Heer u geeft, is uw kracht.

20 en 21-1 zijn er geen citaten verzonden

22-1 / Mc. 3, 28-29
Jezus sprak: 'Ik verzeker u: alle wandaden en godslasteringen, hoe erg ook, kunnen de mensen worden vergeven, maar wie lastertaal spreekt tegen de heilige Geest, krijgt in alle eeuwigheid geen vergeving, want zo iemand is schuldig aan een onuitwisbaar vergrijp.'

23-1 / Ps. 40, 11a
God, ik zwijg niet over uw goedheid, maar getuig van uw trouw en uw hulp.

24-1 / Mc. 4, 20
Jezus sprak: 'Er zijn ook mensen die zijn als het zaad dat op goede grond is gezaaid: zij horen het woord en aanvaarden het en dragen vrucht, sommigen dertigvoudig, anderen zestigvoudig en weer anderen honderdvoudig.'

25-1 / Mc. 16, 15
Jezus sprak: 'Trek heel de wereld rond en maak aan ieder schepsel het goede nieuws bekend.'

26-1 / Tim. 1, 7-8a
God heeft ons niet een geest van lafhartigheid gegeven, maar een geest van kracht, liefde en bezonnenheid.
Schaam je er dus niet voor om van onze Heer te getuigen.

27-1 / Hebr. 11, 1
Het geloof legt de grondslag voor alles waarop we hopen, het overtuigt ons van de waarheid van wat we niet zien.

28-1 / 1 Kor. 3, 1-6
De liefde is niet grof en niet zelfzuchtig, ze laat zich niet boos maken en rekent het kwaad niet aan, ze verheugt zich niet over het onrecht maar vindt vreugde in de waarheid.

29-1 / Mc. 5, 18-19
Toen Jezus in de boot stapte, smeekte de man die bezeten was geweest om bij Hem te mogen blijven. Dat stond Hij hem niet toe, maar Hij zei tegen hem: ‘Ga naar huis, naar uw eigen mensen, en vertel hun wat de Heer allemaal voor u heeft gedaan en hoe Hij zich over u heeft ontfermd.’

30-1 / Hebr. 12, 1-2a
Nu wij door zo’n menigte geloofsgetuigen omringd zijn, moeten ook wij de last van de zonde, waarin we steeds weer verstrikt raken, van ons afwerpen en vastberaden de wedstrijd lopen die voor ons ligt. Laten we daarbij de blik gericht houden op Jezus, de grondlegger en voltooier van ons geloof.

31-1 / Hebr. 12, 14
Streef ernaar in vrede te leven met allen en leid een heilig leven; wie dat niet doet zal de Heer niet zien.


1-2 / Mc. 6, 12-13
De twaalf gingen op weg en maakten het goede nieuws bekend om de mensen tot inkeer te brengen, en ze dreven veel demonen uit en zalfden veel zieken met olie en genazen hen.

2-2 / Lc. 2, 25-32
Er woonde in Jeruzalem een zekere Simeon. Hij was een rechtvaardig en vroom man, die uitzag naar de tijd dat God Israël vertroosting zou schenken, en de heilige Geest rustte op hem. Het was hem door de heilige Geest geopenbaard dat hij niet zou sterven voordat hij de Messias van de Heer zou hebben gezien.
Gedreven door de Geest kwam hij naar de tempel, en toen Jezus’ ouders hun kind daar binnenbrachten om met Hem te doen wat volgens de wet gebruikelijk is, nam hij het in zijn armen en loofde hij God met de woorden: ‘Nu laat U, Heer, uw dienaar in vrede heengaan, zoals U hebt beloofd. Want met eigen ogen heb ik de redding gezien die U bewerkt hebt ten overstaan van alle volken: een licht dat geopenbaard wordt aan de heidenen en dat tot eer strekt van Israël, uw volk.’

3-2 / Hebr. 13, 15-16
Laten we met Jezus’ tussenkomst een dankoffer brengen aan God: het huldebetoon van lippen die zijn naam prijzen, ononderbroken. En houd de liefdadigheid en de onderlinge solidariteit in ere, want dat zijn offers waarin God behagen schept.

4-2 / Lc. 5, 11
Nadat ze de boten aan land hadden gebracht, lieten ze alles achter en volgden Hem.

5-2 / Mc. 6, 56
Overal waar Jezus kwam, in dorpen, steden en gehuchten, legden ze de zieken op het plein. Ze smeekten Hem of ze ten minste de zoom van zijn kleed mochten aanraken. En iedereen die Hem aanraakte, werd gered en genas.

6-2 / Gen. 1, 26a
God zei: 'Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken.'

7-2 / Mc. 7, 20-23
'Wat uit de mens komt, dat maakt hem onrein. Want van binnenuit, uit het hart van de mensen, komen slechte gedachten, ontucht, diefstal, moord, overspel, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, laster, hoogmoed, dwaasheid; al deze slechte dingen komen van binnenuit, en die maken de mens onrein.’

8-2 / Ps. 128, 1
Gelukkig ieder die ontzag heeft voor de Heer en de weg gaat die Hij wijst.

9-2 / Ps. 32, 7
Bij U, God,  ben ik veilig, U behoedt mij in de nood en omringt mij met gejuich van bevrijding.

10-2 / Ps. 90, 12
Leer ons onze dagen te tellen dat wijsheid ons hart vervult.

11-2 / Jer. 17, 7-8
Gezegend wie op de Heer vertrouwt, wiens toeverlaat de Heer is. Hij is als een boom geplant aan water, zijn wortels reiken tot in de rivier. Hij merkt de komst van de hitte niet op, zijn bladeren blijven altijd groen. Tijden van droogte deren hem niet, steeds weer draagt hij vrucht.

12-2 / Gen. 4, 7ab
Handel je goed, dan kun je toch iedereen recht in de ogen kijken? Handel je slecht, dan ligt de zonde op de loer, begerig om jou in haar greep te krijgen.

13-2 / Mc. 8, 18a
Jezus zei: 'Jullie hebben ogen, maar zien niet ? Jullie hebben oren, maar horen niet ?'

14-2 / Lc. 10, 5
Jezus sprak: 'Als jullie een huis binnengaan, zeg dan eerst: “Vrede voor dit huis!”'

15-2 / Mc. 8, 29a
Jezus sprak: 'Wie ben Ik volgens jullie?'

16-2 / Mc. 8, 34-35
Jezus zei: 'Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en zo achter mij aan komen. Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij en het evangelie, zal het behouden.'

17-2 / Hebr. 11, 6b
Wie God zoekt zal door Hem worden beloond.

18-2 / Lc. 6, 27-28
Jezus sprak: 'Tot jullie die naar mij luisteren zeg Ik: heb je vijanden lief, wees goed voor wie jullie haten, zegen wie jullie vervloeken, bid voor wie jullie slecht behandelen.'

19-2 / Sir. 1, 10b
De liefde voor God is eerbiedwaardige wijsheid voor hen aan wie Hij zich kenbaar maakt; Hij geeft wijsheid aan wie ontzag voor Hem heeft.

20-2 / Sir. 2, 7
Jij die ontzag voor de Heer hebt, zie uit naar zijn ontferming en wijk niet af, dan val je niet.

21-2 / Jes. 58, 7
Is dit niet het vasten dat Ik verkies: je brood delen met de hongerige, onderdak bieden aan armen zonder huis, iemand kleden die naakt rondloopt, je bekommeren om je medemensen ?

22-2 / Joël, 2, 13
Niet je kleren moet je scheuren, maar je hart. Keer terug tot de Heer, jullie God, want Hij is genadig en liefdevol, geduldig en trouw, en tot vergeving bereid.

23-2 / 2 Kor. 6, 1
Als Gods medewerkers sporen wij u aan: laat de goedheid die Hij u bewijst niet tevergeefs zijn.

24-2 / Ps. 51, 12
Schep, o God, een zuiver hart in mij, vernieuw mijn geest, maak mij standvastig.

25-2 / Lc. 4, 4
Jezus antwoordde de duivel: ‘Er staat geschreven: “De mens leeft niet van brood alleen.”’

26-2 / Ez. 18, 23
Denken jullie dat Ik het toejuich als een slecht mens sterven moet? - spreekt God, de Heer. Nee, Ik wil dat hij tot inkeer komt en in leven blijft.

27-2 / Rom. 12, 1
Broeders en zusters, met een beroep op Gods barmhartigheid vraag ik u om uzelf als een levend, heilig en God welgevallig offer in zijn dienst te stellen, want dat is de ware eredienst voor u.

28-2 / Mt. 9, 13a
Jezus sprak: 'Overdenk eens goed wat dit wil zeggen: '"Barmhartigheid wil Ik, geen offers".'


1-3 / Jes. 55, 6
Zoek de Heer nu Hij zich laat vinden, roep Hem terwijl Hij nabij is.

2-3 / Ps. 84, 12
God, de Heer, is een zon en een schild. Hij schenkt genade en glorie; zijn weldaden weigert Hij niet aan wie onbevangen op weg gaan.

3-3 / 1 Joh. 4, 16b
God is liefde. Wie in de liefde blijft, blijft in God, en God blijft in hem.

4-3 / Lc. 9, 35
Er klonk een stem uit de wolk, die zei: ‘Dit is mijn Zoon, mijn uitverkorene, luister naar Hem!’

5-3 / Ps. 43, 3
God, zend uw licht en uw waarheid, laten zij mij geleiden en brengen naar uw heilige berg, naar de plaats waar U woont.

6-3 / Jes. 50, 4b
Elke ochtend wekt de Heer mijn oor, zodat het toegerust is om aandachtig te horen.

7-3 / Joh. 10, 27
Jezus sprak: 'Mijn schapen luisteren naar mijn stem, Ik ken ze en zij volgen mij.'

8-3 / 1 Joh. 2, 9
Wie zegt in het licht te zijn maar zijn broeder of zuster haat, bevindt zich nog altijd in de duisternis.

9-3 / Ef. 5, 14b

10-3 / Ps. 18, 3
Heer, mijn rots, mijn vesting, mijn bevrijder, God, mijn steenrots, bij U kan ik schuilen, mijn schild, kracht die mij redt, mijn burcht.

11-3 / 1 Kor. 10, 12
Laat iedereen die denkt dat hij stevig overeind staat oppassen dat hij niet valt.

12-3 / Gal. 5, 13
Broeders en zusters, u bent geroepen om vrij te zijn. Misbruik die vrijheid niet om uw eigen verlangens te bevredigen, maar dien elkaar in liefde.

13-3 / Wijsh. 7, 24
De wijsheid is beweeglijker dan alles wat beweegt, ze doordringt en doorstroomt alles met haar zuiverheid.

14-4 / Wijsh. 7, 25-26
De wijsheid is de adem van Gods kracht, de zuivere straling van de luister van de Almachtige; niets dat onrein is kan haar binnendringen. In haar schittert het eeuwige licht, in haar wordt Gods kracht feilloos weerspiegeld en zijn goedheid afgebeeld.

15-5 / Sir. 27, 9b
De waarheid komt alleen bij wie haar huldigt.

16-5 / Sir. 27, 26
Wie een kuil graaft voor een ander valt er zelf in. Wie een valstrik zet wordt er zelf in gevangen.

17-5 / 2 Kor. 5, 19a
Het is God die door Christus de wereld met zich heeft verzoend.

18-5 / Lc. 15, 23-24a
De vader sprak: 'Breng het gemeste kalf en slacht het. Laten we eten en feestvieren, want deze zoon van mij was dood en is weer tot leven gekomen, hij was verloren en is teruggevonden.'

19-5 / 2 Kron. 30, 9b
De Heer, uw God, is genadig en liefdevol; als u naar Hem terugkeert, zal Hij zich niet van u afwenden.

20-3 / Hebr. 4, 16
Laten we zonder schroom naderen tot de troon van de Genadige, waar we telkens als we hulp nodig hebben barmhartigheid en genade vinden.

21-3 / Ps. 86, 5
Heer, U bent goed en tot vergeving bereid, uw trouw is groot voor ieder die U aanroept.

22-3 / Lc. 6, 36
Jezus sprak: 'Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is.'

23-3 / 2 Sam. 24, 14b
Liever vallen in handen van de Heer - want groot is zijn mededogen - dan dat ik in mensenhanden val.

24-3 / Fil. 3, 8-9a
Alles beschouw ik als verlies. Het kennen van Christus Jezus, mijn Heer, overtreft immers alles. Omwille van Hem heb ik alles prijsgegeven; ik heb alles als afval weggegooid. Ik wilde Christus winnen en één met Hem zijn.

25-3 / Joh. 8, 7b + 9-11
Jezus zei: 'Wie van jullie zonder zonde is, laat die als eerste een steen naar haar werpen.'
Toen ze dat hoorden gingen ze weg, een voor een, de oudsten het eerst, en ze lieten Hem alleen, met de vrouw die in het midden stond.
Jezus richtte zich op en vroeg haar: 'Waar zijn ze? Heeft niemand u veroordeeld?'
'Niemand, Heer', zei ze.
'Ik veroordeel u ook niet', zei Jezus. 'Ga naar huis, en zondig vanaf nu niet meer.'

26-3 / Spr. 20, 26
Zeg niet: 'Ik zal dat kwaad vergelden'. Wacht op de Heer, Hij zal je helpen.

27-3 / 1 Joh. 2, 6
Wie zegt in God te blijven, behoort in de voetsporen van Jezus te treden.

28-3 / Spr. 18, 4
De woorden van een goed mens zijn als diepe wateren, ze zijn een sprankelende beek, een bron van wijsheid.

29-3 / Spr. 12, 27
Een luie jager vangt nooit wild, een vlijtig mens verwerft een kostbaar vermogen.

30-3 / Joh. 15, 3
Er is geen grotere liefde dan je leven te geven voor je vrienden.

Van 31 maart tot 6 april geen citaten


 

 


1-12 / Apoc. 22, 14
Jezus zegt: 'Gelukkig zijn zij die hun kleren wassen: zij kunnen over de levensboom beschikken en zullen de stad door de poorten binnengaan.'

2-12 /

 

 

 

 

 

 

 

 


Terug naar Archief