Lezingen van de dag – dinsdag 23 januari 2018


dinsdag in week 3 door het jaar


Uit het tweede boek Samuël 6, 12b-15 + 17-19

De koning van Israël was niet alleen een politiek, maar ook een godsdienstig leider. Nadat David eerst zorgde voor een centrale residentie, zorgt hij nu ook dat de ark van het Verbond een centrale plaats krijgt in Jeruzalem.

Toen koning David hoorde dat de Heer Obed–Edom en zijn familie en bezittingen had gezegend vanwege de aanwezigheid van de ark van God, ging hij naar het huis van Obed–Edom om de ark feestelijk in te halen in de Davidsburcht.
Telkens als de dragers van de ark van de Heer zes passen gedaan hadden, offerde hij een stier en een vetgemeste koe.
Vol overgave danste hij voor de Heer, slechts gekleed in een linnen priesterhemd.
Onder gejuich en stoten op de ramshoorn brachten David en de Israëlieten de ark van de Heer de berg op.
De ark van de Heer werd neergezet in de tent die David ervoor had opgericht, en David bracht de Heer brandoffers en vredeoffers.
Na afloop daarvan zegende hij het volk in de naam van de Heer van de hemelse machten.
Aan heel het volk, aan alle aanwezige Israëlieten, zowel de mannen als de vrouwen, liet hij brood, gedroogde dadels en rozijnen uitdelen. Daarna ging iedereen naar huis.

 

Psalm 24, 7-10

Refr.: De Heer is de koning vol majesteit.

Hef, o poorten, uw hoofden omhoog,
verhef u, aloude ingangen:
de Koning vol majesteit wil binnengaan.

Wie is die Koning vol majesteit ?
De Heer, machtig en heldhaftig,
de Heer, heldhaftig in de strijd.

Hef, o poorten, uw hoofden omhoog,
verhef ze, aloude ingangen:
de Koning vol majesteit wil binnengaan.

Wie is Hij, die Koning vol majesteit ?
De Heer van de hemelse machten,
Hij is de koning vol majesteit.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 3, 31-35

Zij die de wil van God volbrengen.

Jezus’ moeder en zijn broers waren aangekomen. Ze stuurden iemand naar binnen om Hem te halen. Zelf bleven ze buiten wachten.
Er zat een groot aantal mensen om Hem heen, en die zeiden tegen Hem: ‘Uw moeder en uw broers staan buiten en zoeken U.’
Hij antwoordde: ‘Wie zijn mijn moeder en mijn broers?’
Hij keek de mensen aan die in een kring om hem heen zaten en zei: ‘Jullie zijn mijn moeder en mijn broers. Want iedereen die de wil van God doet, die is mijn broer en zuster en moeder.’

Lezingen van de dag – maandag 22 januari 2018


maandag in week 3 door het jaar


Uit het tweede boek Samuël 5, 1-7 + 10

Na de dood van de zoon van Saul wordt David koning over heel Israël. Eerst was hij koning van Juda alleen. Hij koos Jeruzalem als residentie, het was gelegen tussen de twee rijken. Dit alles lukte hem omdat de Heer hem bijstond.

Alle stammen van Israël kwamen bij David in Hebron en zeiden tegen hem: ‘Hier zijn we, uw eigen vlees en bloed. Ook vroeger al, toen Saul nog over ons regeerde, was u degene die de troepen van Israël aanvoerde. De Heer heeft u beloofd: Jij zult mijn volk, Israël, weiden; jij zult vorst over Israël zijn.’
De oudsten van Israël kwamen bij de koning in Hebron. Daar sloot koning David ten overstaan van de Heer een verdrag met hen, en zij zalfden hem tot koning van Israël.
David was dertig jaar toen hij koning werd en hij regeerde veertig jaar: vanuit Hebron regeerde hij zeven jaar en zes maanden over Juda en vanuit Jeruzalem regeerde hij drieëndertig jaar over heel Israël en Juda.
De koning en zijn mannen trokken op naar Jeruzalem, waar de Jebusieten woonden. De Jebusieten zeiden tegen David: ‘U komt er niet in! Sterker nog: de lammen en de blinden zullen u verjagen! David komt er niet in!’
Toch veroverde David de bergvesting van Sion, de huidige Davidsburcht.
In de loop der tijd werd David steeds machtiger, want de Heer, de God van de hemelse machten, stond hem ter zijde.

 

Psalm 89, 20 + 21 + 22 + 25 + 26

Refr.: Mijn trouw en mijn liefde vergezellen hem.

Ooit hebt U in een visioen gesproken
tot uw getrouwen en gezegd:
Ik heb hulp geboden aan een held,
een jongen uit het volk verheven.

In David vond Ik een dienaar,
Ik zalfde hem met heilige olie.
Mijn hand geeft hem steun,
mijn arm maakt hem sterk.

Mijn trouw en mijn liefde vergezellen hem,
door mijn naam zal hij in aanzien stijgen.
Zijn linkerhand leg Ik op de zee,
zijn rechterhand op de rivier.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 3, 22-30

Het geheim van Jezus’ optreden was gelegen in zijn gehoorzaamheid aan de Geest die in Hem woonde. Jezus weerlegt de beschuldiging dat Hij door satanische machten zou bezeten zijn, want, zegt Hij, de satan is verdeeld. Al zijn volgelingen zal Hij zijn heilige Geest geven. Hun opdracht wordt het daaraan trouw te zijn. Hun grootste fout is duidelijke inspraken van deze heilige Geest af te wijzen, door deze inspraken in zichzelf en in anderen te ontkennen.

De schriftgeleerden die uit Jeruzalem gekomen waren, zeiden over Jezus: ‘Hij is bezeten door Beëlzebul’, en: ‘Dankzij de vorst der demonen kan Hij demonen uitdrijven.’
Toen Hij hen bij zich geroepen had, sprak Hij tot hen in gelijkenissen: ‘Hoe kan Satan zichzelf uitdrijven? Als een koninkrijk innerlijk verdeeld is, kan dat koninkrijk niet standhouden; als een gemeenschap innerlijk verdeeld is, zal die gemeenschap niet kunnen standhouden. En als Satan tegen zichzelf in opstand is gekomen en verdeeld is, kan ook hij niet standhouden, maar gaat hij zijn einde tegemoet.
Bovendien kan niemand het huis van een sterkere binnengaan om zijn inboedel te roven, als hij die sterkere niet eerst vastgebonden heeft; pas dan kan hij zijn huis leeghalen.
Ik verzeker u: alle wandaden en godslasteringen, hoe erg ook, kunnen de mensen worden vergeven, maar wie lastertaal spreekt tegen de heilige Geest, krijgt in alle eeuwigheid geen vergeving, want zo iemand is schuldig aan een onuitwisbaar vergrijp.’
Dit omdat ze gezegd hadden: ‘Hij is bezeten door een onreine geest.’

Lezingen van de dag – zondag 21 januari 2018


3e zondag door het jaar – B


Uit het boek Jona 3, 1-5, 10

De zending van Jona naar een heidense stad om er bekering te preken, drukt uit dat het heil er is voor iedereen. De bekering van de Ninevieten laat zien dat Gods genade geen grenzen kent.

Het woord van de Heer richtte zich tot Jona: ‘Maak je gereed en ga naar Nineve, die grote stad, om haar aan te klagen met de woorden die Ik je zeg.’
En Jona maakte zich gereed en ging naar Nineve, zoals de Heer hem opgedragen had. Nineve was een reusachtige stad, ter grootte van drie dagreizen. Jona trok de stad in, één dagreis ver, en riep: ‘Nog veertig dagen, dan wordt Nineve weggevaagd!’
De inwoners van Nineve geloofden God: ze riepen een vasten uit en iedereen, van hoog tot laag, hulde zich in een boetekleed.
Toen God zag dat zij inderdaad anders begonnen te leven, kwam Hij terug op wat Hij gedreigd had hun aan te doen, en Hij deed het niet.

 

Psalm 25, 4-9

Refr.: De wegen van God zijn goed en betrouwbaar
voor ieder die zijn verbond onderhoudt.

Maak mij, Heer, met uw wegen vertrouwd,
leer mij uw paden te gaan.
Wijs mij de weg van uw waarheid en onderricht mij,
want U bent de God die mij redt,
op U blijf ik hopen, elke dag weer.

Denk aan uw barmhartigheid, Heer,
aan uw liefde door de eeuwen heen.
Denk niet aan de zonden uit mijn jeugd,
maar denk met liefde aan mij
en laat uw goedheid spreken, Heer.

Goed en rechtvaardig is de Heer;
Hij wijst zondaars de weg,
wie nederig zijn leidt Hij in het rechte spoor,
Hij leert hun zijn paden te gaan.

 

Uit de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs 7, 29-31

Omdat Christus altijd aan onze deur staat, moeten wij er op bedacht zijn ons niet te laten verstrikken in een wereld die voorbijgaat.

Broeders en zusters,
er rest maar weinig tijd. Laat daarom ieder die een vrouw heeft zo leven dat het hem niet in beslag neemt, ieder die verdriet heeft zo dat hij er niet door wordt beheerst, ieder die vreugde voelt zo dat hij er niet in opgaat, ieder die bezit verwerft alsof het niet zijn eigendom is, ieder die in deze wereld leeft alsof ze voor hem niet meer van belang is.
Want de wereld die wij kennen gaat voorbij.

 

Alleluia.

Het Rijk Gods is nabij;
geloof in de Blijde Boodschap.

Alleluia.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 1, 14-20

Men heeft de indruk Jona’s oproep tot bekering te horen. Maar omdat Jezus meer is dan een profeet, vraagt Hij van allen een onvoorwaardelijk ‘ja’; ook van ons. In het spoor van Jezus worden de vissers van Galilea mensenvissers.

Nadat Johannes gevangen was genomen, ging Jezus naar Galilea, waar Hij Gods goede nieuws verkondigde. Dit was wat Hij zei: ‘De tijd is aangebroken, het Koninkrijk van God is nabij: kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws.’
Toen Jezus langs het Meer van Galilea liep, zag hij Simon en Andreas, de broer van Simon, die hun netten uitwierpen in het meer; het waren vissers. Jezus zei tegen hen: ‘Kom, volg mij! Ik zal van jullie vissers van mensen maken.’ Meteen lieten ze hun netten achter en volgden Hem.
Iets verderop zag Hij Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes, die in hun boot bezig waren met het herstellen van de netten, en direct riep Hij hen. Ze lieten hun vader Zebedeüs met de dagloners achter in de boot en volgden Hem.

Lezingen van de dag – zaterdag 20 januari 2018


zaterdag in week 2 door het jaar


Uit het tweede boek Samuël 1, 1-4 + 11-12 + 19 + 23-27

David verneemt de dood van koning Saul en zijn zoon Jonatan. Hoezeer Saul hem ook verwenst had en bedreigd, David rouwt erom en zet anderen aan tot meeleven en wel tot hetzelfde meeleven als om de dood van zijn vriend Jonatan.

Saul was gesneuveld en David had de Amalekieten verslagen en was alweer twee dagen terug in Siklag. Op de derde dag liet zich iemand uit het legerkamp van Saul aandienen. Hij had zijn kleren gescheurd en stof over zijn hoofd geworpen. Bij David gekomen, boog hij diep voorover.
‘Waar komt u vandaan?’ vroeg David, en de man antwoordde: ‘Uit het legerkamp van Israël. Ik ben ontkomen.’
‘Wat is er dan gebeurd?’ vroeg David ongerust. ‘De soldaten moesten vluchten’, vertelde hij. ‘Velen van hen zijn gesneuveld, en ook Saul en zijn zoon Jonatan zijn omgekomen.’
Hierop greep David zijn kleren en scheurde ze, en ook al zijn mannen deden dat.
Ze rouwden, jammerden en vastten tot de avond viel voor Saul, zijn zoon Jonatan en het volk van de Heer, het volk van Israël, omdat zij in de strijd waren gesneuveld.
David sprak: ‘Als een gevelde hinde, Israël, ligt jouw trots gesneuveld op je heuvels. Ach, dat je helden moesten vallen! Saul en Jonatan, de geliefden en beminden, bij leven niet te scheiden, en onafscheidelijk verbonden in de dood. Sneller dan een arend waren ze, en sterker dan een leeuw. O dochters van Israël, treur om Saul! Rijk bewerkt scharlaken gaf hij je te dragen, door hem werd je getooid met sieraden van goud. Ach, dat de helden in de oorlog moesten vallen! Jonatan ligt gesneuveld op de heuvels. Het verdriet verstikt me, Jonatan, je was mijn broeder, en mijn beste vriend. Jouw liefde was mij dierbaar, meer dan die van vrouwen. Ach, dat de helden moesten vallen, dat jullie, wapens in de strijd van Israël, verloren moesten gaan!’

 

Psalm 80, 2 + 3 + 5 + 6 + 7

Refr.: Heer, kom en red ons.

Hoor ons, herder van Israël,
die Jozef leidt als een kudde.

U die troont op de cherubs, verschijn in luister
aan Efraïm, Benjamin en Manasse.

Laat uw kracht ontwaken,
kom, en red ons.

Heer, God van de hemelse machten,
hoe lang nog blijft U vertoornd
op uw biddende volk ?

U liet ons brood van tranen eten
en een stroom van tranen drinken.

U hebt andere volken tegen ons opgezet,
onze vijanden drijven de spot met ons.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 3, 20-21

Jezus’ optreden wekte heel wat verwondering en ergernis, zelfs bij zijn familieleden. Zijn belangloze inzet en zijn verregaande dienst om niet, konden ze niet vatten. Ook voor hen was alléén geloof de norm om Hem te begrijpen. Verhalen die laten verstaan dat mensen uit Jezus’ onmiddellijke omgeving alles direct vernamen, vertekenen de waarheid en maken Jezus’ familie onecht.

Jezus ging terug naar huis, en weer verzamelde zich een menigte, zodat ze zelfs niet de kans kregen om te gaan eten.
Toen zijn verwanten hiervan hoorden, gingen ze op weg om Hem, desnoods onder dwang, mee te nemen, want volgens hen had Hij zijn verstand verloren.

Lezingen van de dag – vrijdag 19 januari 2018


vrijdag in week 2 door het jaar


Uit het eerste boek Samuël 24, 3-21

Kwaad met goed vergelden is niet zo gemakkelijk. Dit wordt ons aanschouwelijk voorgehouden in deze lezing. Saul wilde David uit de weg ruimen omdat hij voor hem een bedreiging was. David laat zien hoe hij dit nog gemakkelijker had gekund met Saul. Hij begrijpt hoe Saul tot deze vijandige houding is gekomen. Saul geeft zich gewonnen. Hij erkent dat de Heer machtiger is en voorzegt dat David koning zal worden.

Saul koos drieduizend van de beste mannen van Israël uit en ging met hen in het rotsachtige gebied waar de steenbokken leven, op zoek naar David en zijn mannen. Onderweg kwam hij langs een spelonk die door een muurtje was afgeschermd. Daar ging hij naar binnen en hurkte neer om zijn behoefte te doen. En juist achter in die spelonk hadden David en zijn mannen zich verstopt.
Davids mannen zeiden tegen hem: ‘Dit is je kans! Dit is het moment waar de Heer op doelde toen Hij zei: “Ik zal je vijand aan je uitleveren; je kunt met hem doen wat je goeddunkt.”’
David stond op en sneed stilletjes een reep van Sauls mantel af. Zijn hart bonsde ervan, en hij zei tegen zijn mannen: ‘De Heer verhoede dat ik mijn koning, Gods gezalfde, iets zou aandoen en mijn hand tegen hem zou opheffen. Hij is immers door de Heer zelf als koning aangewezen.’
Zo maande David zijn mannen tot kalmte en weerhield hij ze ervan om Saul te overvallen.
Saul was opgestaan en weer naar buiten gegaan.
Nu haastte ook David zich naar buiten en riep hem achterna: ‘Mijn heer en koning!’
Toen Saul omkeek, knielde David neer, boog diep voorover en zei: ‘Waarom schenkt u gehoor aan de mensen die beweren dat ik u kwaad wil doen? Vandaag hebt u aan den lijve kunnen ondervinden dat de Heer u in die spelonk aan mij had overgeleverd. Ze zeiden dat ik u moest vermoorden, maar ik was met u begaan en ik zei bij mezelf dat ik mijn hand niet tegen mijn heer moest opheffen, omdat u immers de gezalfde van de Heer bent. Kijk zelf maar, vader, hier heb ik een stuk van uw mantel; ik heb een reep van uw mantel afgesneden, maar ik heb u niet vermoord. Ziet u wel dat ik niets kwaads of verkeerds tegen u in de zin heb? Ik heb u niets misdaan, maar u jaagt me op en staat me naar het leven. Laat de Heer beslissen wie van ons beiden in zijn recht staat en laat de Heer mij op u wreken; ik zal mijn hand niet tegen u opheffen. Zoals het oude spreekwoord luidt: Slechte mensen, slechte daden. Nee, ik zal mijn hand niet tegen u opheffen. Tegen wie is de koning van Israël eigenlijk uitgerukt? Op wie maakt u jacht? Een dode hond, een nietige vlo! De Heer zal uitspraak doen en beslissen wie van ons beiden in zijn recht staat. Hij zal mijn zaak onderzoeken en verdedigen en mij recht verschaffen tegenover u.’
Nadat David was uitgesproken, vroeg Saul: ‘Is het jouw stem die ik daar hoor, David, mijn zoon?’ Toen barstte hij in tranen uit en zei: ‘Jij staat meer in je recht dan ik, want jij hebt kwaad met goed vergolden. Je hebt zojuist getoond dat je het goed met me voorhebt: de Heer had me aan jou uitgeleverd, en toch heb je me niet gedood. Wie laat ooit zijn vijand gaan als hij hem op zijn weg vindt? Moge de Heer je belonen voor wat je vandaag voor mij hebt gedaan. Nu weet ik zeker dat jij koning zult worden en dat je het koningschap van Israël vast in handen zult houden.’

 

Psalm 57, 2 + 3 + 4 + 6 + 11

Refr.: God, hemelhoog is uw liefde !

Wees mij genadig, God, wees mij genadig,
want bij U is mijn leven geborgen.

In de schaduw van uw vleugels zal ik schuilen,
tot het doodsgevaar is geweken.

Ik roep tot God, de Allerhoogste,
tot God, die mij beschermt.

Uit de hemel zal Hij hulp sturen,
wie mij bedreigt wordt smadelijk verjaagd.
Ja, God stuurt mij zijn liefde en trouw.

Verhef U boven de hemelen, God,
laat uw glorie heel de aarde vervullen.

Hemelhoog is uw liefde,
tot aan de wolken reikt uw trouw.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 3, 13-19

Jezus kiest uit wie Hij zelf wil. En deze keuze is een balangrijke gebeurtenis in Jezus’ leven. De twaalf leerlingen zullen Hem volgen en apostelen zijn, nu het volk en de leiders zich van Hem afkeren. Deze twaalf zullen zijn werk voortzetten als eenmaal zijn taak volbracht is. De jonge Kerk zag in deze aanstelling het begin van haar eigen geschiedenis en roeping.

Jezus ging de berg op en riep al degenen bij zich op wie Hij zijn keuze had laten vallen, en ze kwamen naar Hem toe. Hij stelde twaalf van hen aan als apostel; ze moesten Hem vergezellen, en Hij wilde hen ook uitzenden om het goede nieuws bekend te maken. Ze kregen de macht om demonen uit te drijven.
De twaalf die Hij aanstelde, waren achtereenvolgens Simon, die hij de naam Petrus gaf, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, Johannes, de broer van Jakobus (aan deze twee gaf hij de naam Boanerges, wat ‘zonen van de donder’ betekent), Andreas, Filippus, Bartolomeüs, Matteüs, Tomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, Taddeüs, Simon Kananeüs en Judas Iskariot, die hem heeft uitgeleverd.

Lezingen van de dag – donderdag 18 januari 2018


donderdag in week 2 door het jaar


Uit het eerste boek Samuël 18, 6-9 + 19, 1-7

Koning Saul was jaloers om de grote overwinning van de kleine David. Daarom wilde hij David uit de weg ruimen. Maar de zoon van de koning, Jonatan, brengt David hievan op de hoogte en spreekt voor hem ten beste. Dikwijls gaat het zo: als anderen succes hebben, kunnen wij dat moeilijk verdragen en meteen plaatsen wij ons buiten de lijn van God in ons leven. Wij zouden ons integendeel moeten verheugen over de voorspoed van anderen.

Bij de intocht van het leger, toen David terugkeerde van zijn overwinning op de Filistijn, liepen in alle steden van Israël de vrouwen zingend en dansend uit om koning Saul feestelijk in te halen met muziek van tamboerijnen en rinkelbellen. Opgetogen zongen ze: ‘Saul versloeg ze bij duizenden, David bij tienduizenden.’
Saul ergerde zich aan dit lied en werd woedend: ‘David geven ze er tienduizenden en mij maar duizenden. Nog even en ze geven hem het koningschap!’
Vanaf die dag begon Saul David te wantrouwen.
Saul maakte aan zijn hovelingen en zijn zoon Jonatan bekend dat hij Davids dood wenste. Maar Jonatan, die zeer op David gesteld was, waarschuwde hem: ‘Mijn vader Saul is van plan je te doden. Wees op je hoede morgenochtend, houd je schuil en blijf waar je bent. Ik ga dan met mijn vader de stad uit, houd bij jou in de buurt halt en breng het gesprek op jou. Daarna zal ik je laten weten hoe de zaken staan.’
Jonatan hield tegen zijn vader Saul een pleidooi voor David. Hij sprak als volgt: ‘Laat de koning zich niet vergrijpen aan zijn dienaar David. Hij heeft u immers niets misdaan. Integendeel, hij heeft u juist grote diensten bewezen. Met gevaar voor eigen leven heeft hij de Filistijn verslagen, en de Heer heeft Israël een grote overwinning bezorgd. U hebt het met eigen ogen gezien en was er opgetogen over. Waarom zou u dus onschuldig bloed vergieten door David te doden zonder dat daar aanleiding toe is?’
Saul liet zich door Jonatan overreden en zwoer: ‘Zo waar de Heer leeft, hij zal niet worden gedood.’
Toen riep Jonatan David en vertelde hem hoe het gesprek verlopen was.
Hij bracht David bij Saul en David kwam weer aan het hof wonen, zoals eerst.

 

Psalm 56, 2 + 3 + 9ab + 10 + 11 + 12 + 13

Refr.: Verheerlijken wil ik de Heer, mijn rots.

Wees mij genadig, God, want ze bedreigen mij,
de hele dag bestoken en bestrijden ze mij.

Mijn tegenstanders bedreigen mij, heel de dag,
en bestrijden mij vanuit hun hoge vesting.

Mijn omzwervingen hebt U opgetekend,
vang mijn tranen op in uw kruik.

In het uur dat ik U aanroep wijken mijn vijanden,
want dit weet ik: God staat mij ter zijde.

Op God, wiens woord ik prijs,
op de Heer, wiens woord ik prijs, vertrouw ik.

Op God vertrouw ik, angst ken ik niet,
wat kan een mens mij aandoen?

Aan U, God, heb ik geloften gedaan,
met dankoffers wil ik U betalen.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 3, 7-12

Deze lezing is een zogenaamd verzamelbericht: een algemene schildering van de uitwerking die Jezus’ wonderen bij het volk hadden. Zijn optreden wekt een menigte enthousiaste mensen. Dit enthousiasme van het volk, zowel als de openlijke vijandschap van de leiders van het volk, zijn geen van beide echt geloof. Daarom onttrekt Hij zich ook aan het volk.

Jezus week met zijn leerlingen uit naar het meer, en een grote menigte uit Galilea volgde Hem. Ook uit Judea en Jeruzalem, uit Idumea en het gebied aan de overkant van de Jordaan en uit de omgeving van Tyrus en Sidon kwamen veel mensen naar Hem toe, omdat ze hadden gehoord wat Hij allemaal deed.
Hij zei tegen zijn leerlingen dat ze een boot voor Hem gereed moesten houden, om te voorkomen dat Hij door de menigte onder de voet zou worden gelopen.
Allerlei zieken verdrongen zich om Hem aan te raken, want Hij had al veel mensen genezen. Telkens als de onreine geesten Hem zagen, vielen ze voor Hem neer en schreeuwden: ‘Jij bent de Zoon van God!’ Hij sprak hen bestraffend toe, en verbood hun bekend te maken wie Hij was.

Lezingen van de dag – woensdag 17 januari 2018


woensdag in week 2 door het jaar


Uit het eerste boek Samuël 17, 32-33 + 37 + 40-51

David, de eenvoudige herder, behaalt de zege met zijn slinger en steen op de Filistijnse reus. In feite waren het zijn geloof en vertrouwen, die hem deze overwinning bezorgden. Zo is David nog steeds een oproep voor ons om op de Heer te vertrouwen.

David zei tegen Saul: ‘We hoeven om die Filistijn toch niet de moed te verliezen, heer. Ik zal met hem het gevecht aangaan.’
‘Maar je kunt hem toch onmogelijk aan’, wierp Saul tegen. ‘Jij bent nog maar een jongen en hij is al van jongs af aan gewend om te vechten.’
‘De Heer, die me gered heeft uit de klauwen van leeuwen en beren, zal me ook redden uit de handen van deze Filistijn.’
‘Ga dan’, zei Saul tegen David, ‘en moge de Heer je bijstaan.’
Hij pakte zijn stok, zocht vijf ronde stenen uit de rivierbedding en stopte die in zijn herderstas. Toen liep hij op de Filistijn af, zijn slinger in de hand. Met zware stappen kwam de Filistijn op David af, voorafgegaan door zijn schildknecht. Hij nam David, een knappe jongen met rossig haar, geringschattend op en zei: ‘Ben ik soms een hond, dat je met een stok op me af komt?’ En hij vervloekte David in de naam van zijn goden. ‘Kom maar op’, zei hij, ‘dan maak ik jou tot aas voor de gieren en de hyena’s.’
‘Jij daagt me uit met je zwaard en je lans en je kromzwaard’, antwoordde David, ‘maar ik daag jou uit in de naam van de Heer van de hemelse machten, de God van de gelederen van Israël, die jij hebt beschimpt. Maar vandaag zal de Heer je aan mij uitleveren: ik zal je verslaan en je hoofd afhouwen, en ik zal de lijken van de Filistijnen aan de aasgieren en de hyena’s ten prooi geven, zodat de hele wereld weet dat Israël een God heeft. Dan zal iedereen hier beseffen dat de Heer geen zwaard of lans nodig heeft om te overwinnen, want Hij is degene die de uitslag van de strijd bepaalt en Hij zal jullie aan ons uitleveren.’
Toen kwam de Filistijn op David af en wilde tot de aanval overgaan, maar David was hem te snel af. Hij rende hem tegemoet, stak zijn hand in zijn tas en haalde er een steen uit, slingerde die weg en trof de Filistijn zo hard tegen het voorhoofd dat de steen naar binnen drong en de Filistijn voorover stortte. Zo overwon David de Filistijn met een slinger en een steen; hij trof hem dodelijk zonder dat hij daar een zwaard bij nodig had.
Hij rende naar de Filistijn toe, boog zich over hem heen en trok diens zwaard uit de schede. Daarmee gaf hij hem de genadestoot en sloeg hem zijn hoofd af.
Toen de Filistijnen zagen dat hun held dood was, sloegen ze op de vlucht.

 

Psalm 144, 1 + 2 + 9 + 10

Refr.: Verheerlijken wil ik de Heer, mijn rots.

Geprezen zij de Heer, mijn rots,
die mijn handen oefent voor de strijd,
die mijn vingers schoolt voor het gevecht.

Mijn beschermer is Hij, mijn vesting,
de burcht die mij veiligheid biedt,
het schild waarachter ik schuil,
Hij die volken aan mij onderwerpt.

Ik wil een nieuw lied voor U zingen, God,
voor U spelen op de tiensnarige harp,
want U brengt koningen redding,
U hebt David, uw dienaar, bevrijd.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 3, 1-6

De Joodse sabbatwet was tot in het kleinste detail streng uitgewerkt. Door op de sabbat te genezen wil Jezus laten zien dat het Hem op de eerste plaats gaat om de mens. Niet de uiterlijke daad is de eerste norm van goed of kwaad, maar wel de innerlijke gesteltenis waaruit zij voortkomt.

Weer ging Jezus naar de synagoge. Daar was iemand met een verschrompelde hand.
Ze letten op Hem om te zien of Hij die op sabbat zou genezen, zodat ze Hem zouden kunnen aanklagen.
Hij zei tegen de man met de verschrompelde hand: ‘Kom in het midden staan.’
Aan de anderen vroeg Hij: ‘Wat mag men op sabbat doen: goed of kwaad? Een leven redden of het vernietigen?’ Maar ze zwegen.
Hij keek hen boos aan, maar ook diepbedroefd vanwege hun hardleersheid, en toen zei Hij tegen de man die in het midden stond: ‘Steek uw hand uit.’ Hij stak zijn hand uit en er kwam weer leven in.
De Farizeeën verlieten de synagoge en gingen meteen met de Herodianen overleggen hoe ze Hem uit de weg zouden kunnen ruimen.

 

Lezingen van de dag – dinsdag 16 januari 2018


dinsdag in week 2 door het jaar


Uit het eerste boek Samuël 16, 1-13

Deze lezing verhaalt ons de uitverkiezing en zalving van koning David. Zij gebeurt volgens andere maatstaven dan wij zouden gebruiken. God kiest wie Hij wil en zoals Hij wil. Koningen en profeten werden volgens deze normen aangesteld. Deze uitverkiezing garandeert hen de Geest van God.

De Heer vroeg aan Samuël: ‘Hoe lang blijf je nog treuren om Saul, die Ik als koning van Israël verworpen heb? Kom, vul je hoorn met olie en ga voor mij naar Isaï in Betlehem, want een van zijn zonen heb Ik als koning uitgekozen.’
‘Hoe kan ik dat nu doen?’ wierp Samuël tegen. ‘Saul zal me vermoorden als hij het hoort.’
De Heer antwoordde: ‘Neem een jonge koe mee en zeg dat je bent gekomen om de Heer een offer te brengen. Nodig Isaï uit voor het offermaal, dan zal Ik je laten weten wat je doen moet. Wie Ik je aanwijs, die moet je voor mij zalven.’
Samuël deed wat de Heer had gezegd.
Toen hij in Betlehem aankwam, kwamen de oudsten van de stad hem ongerust tegemoet en vroegen: ‘Uw komst is toch geen slecht teken?’
‘Wees gerust’, antwoordde Samuël. ‘Ik ben gekomen om de Heer een offer te brengen. Reinig u en neem met mij deel aan het offermaal.’
Ook Isaï en zijn zonen nodigde hij uit, en aan hen voltrok hij persoonlijk de reiniging.
Bij hun aankomst viel zijn oog meteen op Eliab, en hij zei bij zichzelf: Hij die daar klaarstaat is vast en zeker degene die de Heer wil zalven.
Maar de Heer zei tegen Samuël: ‘Ga niet af op zijn voorkomen en zijn rijzige gestalte. Ik heb hem afgewezen. Het gaat niet om wat de mens ziet: de mens kijkt naar het uiterlijk, maar de Heer kijkt naar het hart.’
Toen riep Isaï Abinadab en stelde hem aan Samuël voor, maar die zei: ‘Ook hem heeft de Heer niet gekozen.’
Isaï stelde Samma voor, maar weer zei Samuël: ‘Ook hem heeft de Heer niet gekozen.’
Zo stelde Isaï zijn zeven zonen aan Samuël voor, maar telkens zei Samuël dat dit niet degene was die de Heer gekozen had.
‘Zijn dit alle zonen die u heeft?’ vroeg hij. ‘Nee’, antwoordde Isaï, ‘de jongste is er niet bij, die hoedt de schapen en de geiten.’
Toen zei Samuël tegen Isaï: ‘Laat hem hier komen. We beginnen niet aan de maaltijd voordat hij er is.’
Isaï liet hem halen. Het was een knappe jongen met rossig haar en sprekende ogen. En de Heer zei: ‘Hem moet je zalven. Hij is het.’
Samuël nam de hoorn met olie en zalfde hem te midden van zijn broers.
Van toen af aan was David doordrongen van de Geest van de Heer.
Daarna vertrok Samuël weer naar Rama.

 

Psalm 89, 20 + 21 + 22 + 27 + 28

Refr.: Mijn dienaar David het Ik opgezocht.

Ooit hebt u in een visioen gesproken
tot uw getrouwen en gezegd:
Ik heb hulp geboden aan een held,
een jongen uit het volk verheven.

In David vond Ik een dienaar,
Ik zalfde hem met heilige olie.
Mijn hand geeft hem steun,
mijn arm maakt hem sterk.

Hij zal tot mij roepen: U bent mijn vader,
mijn God, de rots die mij redt!
Ik maak hem tot mijn eerstgeborene,
tot de hoogste van de koningen der aarde.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 2, 23-28

De sabbat is gemaakt om de mens en niet de mens om de sabbat. Dat is één van Jezus’ grondhoudingen tegenover voorschriften, wetten, vrijheid en gezag. Hem was het te doen om de mens. Jezus koos partij voor barmhartigheid. Hij geneest de zieken die men Hem brengt. Hij verontschuldigt zijn leerlingen als zij honger hebben. Want de wet is er voor de mens, en niet de mens voor de wet.

Eens liep Jezus op een sabbat tussen de korenvelden door. Zijn leerlingen gingen de velden in en begonnen aren te plukken.
‘Kijk eens!’ zeiden de Farizeeën tegen Hem. ‘Waarom doen ze iets dat op sabbat niet mag?’
Maar Hij antwoordde: ‘Hebt u dan nooit gelezen wat David deed toen hij en zijn metgezellen gebrek leden en honger hadden? Hij ging het huis van God binnen – Abjatar was toen hogepriester – en at van de toonbroden, waarvan alleen de priesters mogen eten. En hij gaf ze ook aan zijn mannen te eten.’
En Hij voegde eraan toe: ‘De sabbat is er voor de mens, en niet de mens voor de sabbat; en dus is de Mensenzoon ook Heer en meester over de sabbat.’

Lezingen van de dag – maandag 15 januari 2018


maandag in week 2 door het jaar


Uit het eerste boek Samuël 15, 16-23

Reeds in het Oude Testament heeft God bij zijn gezanten aangedrongen op gehoorzaamheid. Door hen nodigt Hij ons uit naar zijn woord te luisteren. Dit noemt Hij beter dan offers en rituele eredienst. In de tijd van Saul meende men afstand te moeten doen van de oorlogsbuit. Dit werd gezien als een goddelijke wet. Saul had haar overtreden onder het voorwendsel dat het beste van de buit zou geofferd worden. Maar gehoorzamen is beter dan offeren.

Samuël sprak tot Saul: ‘Laat me u vertellen wat de Heer mij vannacht gezegd heeft.’
‘Zoals u wilt’ , zei Saul, en Samuël zei: ‘U mag dan in uw eigen ogen onbelangrijk zijn, toch staat u aan het hoofd van de stammen van Israël, nietwaar? De Heer heeft u gezalfd tot koning van Israël, en de Heer heeft u erop uitgestuurd met de opdracht om de Amalekieten, die zondaars, te vernietigen en ze te bestrijden tot ze volledig waren uitgeroeid. Waarom hebt u niet geluisterd naar wat de Heer u heeft gezegd? Waarom hebt u zich op de buit gestort en iets gedaan dat slecht is in de ogen van de Heer?’
‘Maar ik heb toch geluisterd naar wat de Heer gezegd heeft!’ wierp Saul tegen. ‘Ik ben er toch op uitgetrokken zoals de Heer me heeft opgedragen! Koning Agag heb ik gevangengenomen en de rest van de Amalekieten heb ik gedood. En de soldaten hebben de beste van de buitgemaakte schapen, geiten en runderen voor vernietiging gespaard om ze in Gilgal te offeren aan de Heer, uw God.’
Daarop zei Samuël: ‘Schept de Heer meer behagen in offers dan in gehoorzaamheid? Nee! Gehoorzaamheid is beter dan offers, volgzaamheid is beter dan het vet van rammen. Weerspannigheid is even erg als toverij, en eigenzinnigheid is even slecht als afgodendienst. U hebt de opdracht van de Heer verworpen; daarom verwerpt Hij u als koning!’

 

Psalm 50, 8 + 9 + 16bc + 17 + 21 + 23

Refr.: Wie rechte wegen gaat vindt het heil van God.

Ik klaag je niet aan om je offers,
nooit dooft voor mij het offervuur.

Maar de stier uit je stal heb Ik niet nodig,
noch de bokken uit je kooien.

Wat baat het dat je mijn geboden opzegt
en mijn verbond in de mond neemt ?

Je haat het als Ik je terechtwijs,
mijn woorden schuif je ter zijde.

Zou Ik dan zwijgen bij wat je doet,
je denkt toch niet dat ik ben als jij ?
Ik klaag je aan, Ik som je wandaden op.

Wie een dankoffer brengt, geeft mij alle eer,
wie zo zijn weg gaat, zal zien dat God redt.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 2, 18-22

Jezus bracht geen streng systeem of een ascetische godsdienst. Zijn komst wilde vreugde brengen. Iets helemaal nieuw. Niet zo maar een soort commentaar op de oude wet. De nieuwe geest die Hij brengt is helemaal niet verenigbaar met de praktijken van sommige Joden. Hun praktijken zijn maar lompen en oude klederen in vergelijking met wat Hij brengt. De christenen van vandaag genieten de vrijheid die Christus in zijn Kerk bracht.

De leerlingen van Johannes en de Farizeeën hadden de gewoonte regelmatig te vasten. Er kwamen mensen naar Jezus toe, die Hem vroegen: ‘Waarom vasten de leerlingen van Johannes en de leerlingen van de Farizeeën wel, maar uw leerlingen niet?’
Jezus antwoordde: ‘Bruiloftsgasten kunnen toch niet vasten zolang de bruidegom bij hen is? Nee, zolang ze de bruidegom bij zich hebben, kunnen ze niet vasten. Maar er komt een dag dat de bruidegom bij hen wordt weggehaald, en dan is het hun tijd om te vasten. Niemand verstelt een oude mantel met een lap die nog niet gekrompen is, want dan trekt de nieuwe lap de oude stof kapot en wordt de scheur nog groter. Niemand giet jonge wijn in oude leren zakken, want dan scheuren ze open en gaat de wijn verloren, net als de zakken zelf. Jonge wijn hoort in nieuwe zakken.’

Lezingen van de dag – zondag 14 januari 2018


2e zondag door het jaar – B


Uit het eerste boek Samuël 3, 3b-10 +19

Dit verhaal geeft de voornaamste kenmerken aan van een profetische roeping. God kiest en roept wie door zijn innerlijke armoede, bereid is Hem te antwoorden. Wanneer de geroepenen de eerste stap hebben gezet, komt God naderbij en zendt hen uit.

De godslamp was nog niet uitgedoofd en Samuël lag te slapen in het heiligdom van de Heer waar de ark van God stond.
Toen riep de Heer Samuël.
‘Ja’, antwoordde Samuël.
Hij liep snel naar Eli toe en zei: ‘Hier ben ik. U hebt me toch geroepen?’ Maar Eli antwoordde: ‘Ik heb je niet geroepen. Ga maar slapen.’
Toen Samuël weer lag te slapen, riep de Heer hem opnieuw. Samuël stond op, ging naar Eli en zei: ‘Hier ben ik. U hebt me toch geroepen?’
Maar Eli antwoordde: ‘Ik heb je niet geroepen, mijn jongen. Ga maar weer slapen.’
Samuël had de Heer nog niet leren kennen, want de Heer had zich niet eerder aan hem bekendgemaakt door het woord tot hem te richten.
Opnieuw riep de Heer Samuël, voor de derde keer. Samuël stond op, ging naar Eli en zei: ‘Hier ben ik. U hebt me toch geroepen?’
Toen begreep Eli dat het de Heer was die de jongen riep.
Hij zei tegen Samuël: ‘Ga maar weer slapen. Wanneer je wordt geroepen, moet je antwoorden: “Spreek, Heer, uw dienaar luistert.”’
Samuël legde zich weer te slapen, en de Heer kwam bij hem staan en riep net als de voorgaande keren: ‘Samuël! Samuël!’
En Samuël antwoordde: ‘Spreek, uw dienaar luistert.’
Samuël groeide op. De Heer stond hem bij en bracht alles in vervulling wat Hij had voorzegd.

 

Psalm 40, 2 + 4 + 7 + 8 + 9 + 10

Refr.: Uw wil te doen, mijn God, verlang ik.

Vol verlangen heb ik op de Heer gewacht
en Hij boog zich naar mij toe,
Hij heeft mijn roep om hulp gehoord.

Hij gaf mij een nieuw lied in de mond,
een lofzang voor onze God.
Mogen velen het zien vol ontzag
en vertrouwen op de Heer.

Offers en gaven verlangt U niet,
brand– en reinigingsoffers vraagt U niet.
Nee, U hebt mijn oren voor U geopend

Nu kan ik zeggen: ‘Hier ben ik,
over mij is in de boekrol geschreven.’
Uw wil te doen, mijn God, verlang ik,
diep in mij koester ik uw wet.

Wanneer het volk bijeen is,
spreek ik over uw rechtvaardigheid,
ik houd mijn lippen niet gesloten,
U weet het, Heer.

 

Uit de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs 6, 13c-15a + 17-20

Vijf op elkaar volgende zondagen lezen wij uit de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs het deel dat gewijd is aan sommige aspecten van de christelijke moraal. Maar zoals gewoonlijk grondt Paulus zijn aanbevelingen in een levenwekkende theologische bodem. Ten overstaan van de losse zeden van de bewoners van Korinte, herinnert Paulus aan de waardigheid van het menselijk lichaam. Het lichaam is bestemd op te verrijzen en de tempel te zijn van de heilige Geest. Elke misbruik van het lichaam wordt een zwaar vergrijp.

Broeders en zusters,
bedenk dat het lichaam er niet is om ontucht mee te plegen: het is er voor de Heer en de Heer is er voor het lichaam. God heeft de Heer opgewekt, en door zijn macht zal Hij ook ons opwekken. Weet u niet dat uw lichaam een deel is van het lichaam van Christus?
Wie zich met de Heer verenigt wordt met Hem één geest. Ga ontucht uit de weg! Geen enkele andere zonde die een mens kan begaan tast het lichaam aan, maar wie ontucht pleegt zondigt tegen het eigen lichaam.
Of weet u niet dat uw lichaam een tempel is van de heilige Geest, die in u woont en die u ontvangen hebt van God, en weet u niet dat u niet van uzelf bent?
U bent gekocht en betaald, dus bewijs God eer met uw lichaam.

 

Alleluia.

Spreek, Heer, uw dienaar luistert;
Gij hebt woorden van eeuwig leven.

Alleluia.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 1, 35-42

Nadat zij voorbereid zijn door een lange weg van zoeken, richt de Doper zijn bevoorrechte leerlingen op Christus. Dit is de overgang van het Oude naar het Nieuwe Testament. Wanneer deze leerlingen Jezus ontmoeten, herkennen zij Hem als de Messias. Zij volgen Hem en blijven bij Hem.

In die dagen stond Johannes er daar met twee van zijn leerlingen. Toen hij Jezus voorbij zag komen, zei hij: ‘Daar is het lam van God.’
De twee leerlingen hoorden wat hij zei en gingen met Jezus mee.
Jezus draaide zich om, en toen Hij zag dat ze hem volgden, zei Hij: ‘Wat zoeken jullie?’
‘Rabbi’, zeiden zij tegen Hem (dat is in onze taal ‘meester’), ‘waar logeert U?’
Hij zei: ‘Kom maar mee, dan zul je het zien.’
Ze gingen met Hem mee en zagen waar Hij onderdak had gevonden; het was ongeveer twee uur voor zonsondergang en ze bleven die dag bij Hem.
Een van de twee die gehoord hadden wat Johannes zei en Jezus gevolgd waren, was Andreas, de broer van Simon Petrus.
Vlak daarna kwam hij zijn broer Simon tegen, en hij zei tegen hem: ‘Wij hebben de Messias gevonden’ (dat is Christus, ‘gezalfde’), en hij nam hem mee naar Jezus. Jezus keek hem aan en zei: ‘Jij bent Simon, de zoon van Johannes, maar voortaan zul je Kefas heten’ (dat is Petrus, ‘rots’).