Lezingen van de dag – zondag 19 aug 2018


20ste zondag door het jaar – B


Uit het boek Spreuken 9, 1-6

Toen God door de Wijsheid zijn volk bezocht, was Hij het en niet de mensen, die het eerst het voedsel van inzicht en leven schonk. Toen Hij ons bezocht door zijn Zoon, heeft deze ons eigen lichaam en zijn eigen bloed als voedsel voor het eeuwig leven gegeven.

Wijsheid heeft haar huis gebouwd, zeven zuilen heeft ze uitgekapt. Ze heeft haar vee geslacht, haar wijn gemengd, haar tafel heeft ze gedekt.
Haar dienaressen heeft zij de stad in gestuurd, zelf roept zij vanaf de hoogste plaats: ‘Onnozele mensen, kom toch deze kant op.’
Wie geen verstand heeft roept ze toe: ‘Kom, eet het brood dat ik je geef, drink de wijn die ik heb gemengd. Wees niet langer zo onnozel, leef, en betreed de weg van het inzicht.’

 

Psalm 34, 2-3 + 10-15

Refr.: De Heer wil ik prijzen, elk uur van de dag.

De Heer wil ik prijzen, elk uur van de dag,
mijn mond is altijd vol van zijn lof.
Laat mijn leven een loflied zijn voor de Heer,
de nederigen zullen het met vreugde horen.
Vromen, heb ontzag voor de Heer:
wie Hem vreest lijdt geen gebrek.

Jonge leeuwen lopen hongerig rond,
wie de Heer zoekt, ontbreekt het aan niets.
Kom, kinderen, luister naar mij,
ik leer je ontzag voor de Heer.

Hebben jullie het leven lief,
wil je goede jaren genieten ?
Behoed dan je tong voor het kwaad,
je lippen voor woorden van bedrog.
Mijd het kwade, doe wat goed is,
streef naar vrede, jaag die na.

 

Uit de brief van Paulus aan de Efesiërs 5, 15-20

De christen maakt de veeleisende keuze de wil van God en de weg van het Evangelie te volgen. Maar wat een roes zich te laten vervullen door de heilige Geest ! De eucharistie is een van de plaatsen bij uitstek voor deze blijde dankzegging.

Broeders en zusters,
let goed op welke weg u bewandelt, gedraag u niet als dwazen maar als verstandige mensen. Gebruik uw dagen goed, want we leven in een slechte tijd. Wees niet onverstandig, maar probeer te begrijpen wat de Heer wil.
Bedrink u niet, want dat leidt tot uitspattingen, maar laat de Geest u vervullen en zing met elkaar psalmen, hymnen en liederen die de Geest u ingeeft.
Zing en jubel met heel uw hart voor de Heer en dank God, die uw Vader is, altijd voor alles in de naam van onze Heer Jezus Christus.

 

Alleluia.

Geprezen zijt Gij, Vader van hemel en aarde,
opdat Gij de geheimen van het koninkrijk
aan kinderen geopenbaard hebt.

Alleluia.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 6, 51-58

Tot een ander leven geroepen, kunnen wij niet meer door onszelf leven maar door iemand die groter is dan wijzelf. Jezus leeft door zijn Vader en wij leven door Christus. En dit is geen eenheid van ideeën of gevoelens, maar een eenwording met de persoon zelf van de Verrezene, met zijn Lichaam en zijn Bloed.

Jezus sprak tot de menigte: ‘Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald; wanneer iemand dit brood eet zal hij eeuwig leven. En het brood dat Ik zal geven voor het leven van de wereld, is mijn lichaam.’
Nu begonnen de Joden heftig met elkaar te discussiëren: ‘Hoe kan die man ons zijn lichaam te eten geven!’
Daarop zei Jezus: ‘Waarachtig, Ik verzeker u: als u het lichaam van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt u geen leven in u. Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en hem zal Ik op de laatste dag uit de dood opwekken. Mijn lichaam is het ware voedsel en mijn bloed is de ware drank. Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en Ik blijf in hem. De levende Vader heeft mij gezonden, en Ik leef door de Vader; zo zal wie mij eet, leven door mij. Dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald. Het is niet het brood dat uw voorouders aten; zij zijn gestorven, maar wie dit brood eet zal eeuwig leven.’

Lezingen van de dag – zaterdag 18 aug 2018


zaterdag in week 19 door het jaar


Uit de profeet Ezechiël 18, 1-10-11 + 13b + 30-32

Langzaamaan komt de gedachte over ieders persoonlijke verantwoordelijkheid naar voren. Ezechiël belichte er de volle draagwijdte van. Ieder moet zichzelf een nieuw hart en een nieuwe geest scheppen, zichzelf voortdurend bekeren. Wat er ook gebeurt, bij God is altijd vergeving mogelijk.

De Heer richtte zich tot mij:
‘Waarom gebruiken jullie in Israël toch het spreekwoord: Als de ouders onrijpe druiven eten, krijgen de kinderen stroeve tanden? Zo waar Ik leef – spreekt God, de Heer –,nooit meer mag iemand bij jullie in Israël dit spreekwoord in de mond nemen!
Weet dat alle mensenlevens Mij toebehoren: zowel het leven van de ouders als dat van hun kinderen ligt in mijn hand, en alleen wie zondigt zal sterven.
Stel, iemand is rechtvaardig. Hij is Mij trouw en doet het goede. Aan de offermaaltijden op de bergen neemt hij niet deel en hij vereert de afgoden van het volk van Israël niet; hij onteert de vrouw van een ander niet, hij maakt haar niet onrein, en met een vrouw die ongesteld is heeft hij geen gemeenschap; hij buit niemand uit, geeft de schuldenaar zijn onderpand terug en besteelt niemand. Hij deelt zijn brood met al wie honger heeft, wie naakt is geeft hij kleren; hij vraagt geen rente wanneer hij geld uitleent of toeslag wanneer hij het terugkrijgt; hij begaat geen onrecht en geeft een eerlijk oordeel bij onderlinge geschillen; hij houdt zich aan mijn geboden en leeft werkelijk naar mijn voorschriften. Zo iemand is rechtvaardig en zal zeker in leven blijven – spreekt God, de Heer.
Maar stel, hij krijgt een gewelddadige zoon, een moordenaar, die alles doet wat zijn vader nooit heeft gedaan. Hij neemt wel deel aan de offermaaltijden op de bergen en maakt de vrouw van een ander onrein. Nee, hij zal niet in leven blijven: na zo veel wandaden zal hij zeker sterven, hij heeft zelf de dood over zich afgeroepen.
Breek met het zondige leven dat jullie hebben geleid, en vernieuw je hart en je geest. Dan hoeven jullie niet te sterven, Israëlieten!
Want de dood van een mens geeft me geen vreugde – spreekt God, de Heer. Kom tot inkeer en leef!

 

Psalm 51, 12 + 13 + 14 + 15 + 18 + 19

Refr.: Schep in mij een zuiver hart mijn God.

Schep, o God, een zuiver hart in mij,
vernieuw mijn geest, maak mij standvastig.

Verban mij niet uit uw nabijheid,
neem uw heilige Geest niet van mij weg.

Red mij, geef mij de vreugde van vroeger,
de kracht van een sterke geest.

Dan wil ik verdwaalden uw wegen leren,
en zullen zondaars terugkeren tot U.

U wilt van mij geen offerdieren,
in brandoffers schept u geen behagen.

Het offer voor God is een gebroken geest;
een gebroken en verbrijzeld hart
zult U, God, niet verachten.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 19, 13-15

Uit menselijke bezorgdheid zonden de leerlingen een groep kinderen weg. Jezus wijst hen terecht. Hun overdreven menselijke zorg maakt het Hem onmogelijk te tonen waartoe Hij gekomen is. Het Rijk der hemelen is er voor de eenvoudigen en de armen. De kleinsten zijn hiervan het mooiste symbool.

De mensen brachten kinderen bij Jezus, ze wilden dat Hij hun de handen zou opleggen en zou bidden.
Toen de leerlingen hen berispten, zei Jezus: ‘Laat de kinderen ongemoeid, belet ze niet bij mij te komen, want het Koninkrijk van de hemel behoort toe aan wie is zoals zij.’
En nadat Hij hun de handen had opgelegd, trok Hij weer verder.

Lezingen van de dag – vrijdag 17 aug 2018


vrijdag in week 19 door het jaar


Uit de profeet Ezechiël 16, 59-63

Zonder enige verdienste, ondanks herhaalde ontrouw, is Jeruzalem telkens opnieuw door God opgenomen. Ezechiël vergelijkt de stad met een overspelige vrouw. God blijft haar opnemen, omdat Hij zijn verbond wil trouw blijven. Hij begint telkens opnieuw.

Dit zegt God, de Heer: “Door je niet te houden aan ons verbond heb je je eed gebroken, en daarom zal Ik je behandelen zoals je verdient. Toch zal Ik aan dat verbond blijven denken, het verbond dat Ik met je gesloten heb in de dagen dat je nog jong was. Daarom zal Ik nu een verbond met je sluiten dat eeuwig zal duren.
Als je grote en je kleine zusters weer bij je komen, zul je over je gedrag nadenken en je ervoor schamen. Je zult ze van Mij als dochters krijgen, al maken zij van het verbond geen deel uit.
Als ik mijn verbond met jou heb gesloten, zul je beseffen dat Ik de Heer ben en overdenken wat je gedaan hebt; je zult je schamen, en zwijgen omdat je vernederd bent–maar ik vergeef je alles wat je hebt gedaan. Zo spreekt God, de Heer.”

 

Jes. 12, 2 + 3 + 4bcd + 5 + 6

Refr.: Loof de Heer, roep zijn Naam uit !

God, Hij is mijn redder.
Ik heb een vast vertrouwen, ik wankel niet,
want de Heer is mijn sterkte, Hij is mijn beschermer.

Hij heeft mij redding gebracht.
Vol vreugde zullen jullie water putten
uit de bron van de redding.

Loof de Heer, roep zijn Naam uit.
Maak alle volken zijn daden bekend,
verkondig zijn verheven naam.

Zing een lied voor de Heer:
wonderbaarlijk zijn zijn daden.
Laat heel de aarde dit weten.

Jubel en juich, inwoners van Sion,
want groot is de Heilige van Israël,
die in jullie midden woont.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 19, 3-12

Het huwelijk is een onverbrekelijke band tussen man en vrouw. Zo heeft God het gewild. Het is geen eenvoudig kontrakt dat kan verbroken worden. God zelf was trouw tegenover zijn volk. Die trouw vraagt Hij ook van man en vrouw tegenover elkaar.

Er kwamen enkele Farizeeën op Jezus af om Hem op de proef te stellen. Ze vroegen: ‘Mag een man zijn vrouw om willekeurig welke reden verstoten?’
Hij zei: ‘Hebt u niet gelezen dat de Schepper de mens bij het begin mannelijk en vrouwelijk heeft gemaakt?’
En Hij vervolgde: ‘Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw, en die twee zullen één worden; ze zijn dan niet langer twee, maar één. Wat God heeft verbonden, mag een mens niet scheiden.’
Toen vroegen ze hem: ‘Waarom heeft Mozes dan voorgeschreven haar een scheidingsbrief te geven en haar zo te verstoten?’
Hij antwoordde: ‘Omdat u harteloos en koppig bent, daarom heeft Mozes u toegestaan uw vrouw te verstoten. Maar dat is niet vanaf het begin zo geweest. Ik zeg u: wie zijn vrouw verstoot en met een ander trouwt, pleegt overspel, tenzij er sprake was van een ongeoorloofde verbintenis.’
Hierop zeiden zijn leerlingen: ‘Als het met de verhouding tussen man en vrouw zo gesteld is, kun je maar beter niet trouwen.’
Hij zei tegen hen: ‘Niet iedereen kan deze kwestie begrijpen, alleen degenen aan wie het gegeven is: er zijn mannen die niet trouwen omdat ze onvruchtbaar geboren werden, andere omdat ze door mensen onvruchtbaar gemaakt zijn, en er zijn mannen die niet trouwen omdat ze zichzelf onvruchtbaar gemaakt hebben met het oog op het Koninkrijk van de hemel. Laat wie bij machte is dit te begrijpen het begrijpen!’

Lezingen van de dag – donderdag 16 aug 2018


donderdag in week 19 door het jaar


Uit de profeet Ezechiël 12, 1-12

De profeet Ezechiël stelt een teken voor het volk van Israël. Hij doet zich voor als een balling en laat zich als balling wegvoeren. Zo wil hij dat het volk eindelijk zou begrijpen dat het in ballingschat zal worden weggevoerd omwille van zijn ontrouw.

De Heer richtte zich tot mij: ‘Mensenkind, je woont te midden van een opstandig volk. Het heeft ogen om te kijken maar het ziet niets, en oren om te horen maar het luistert niet, opstandig als het is.
Pak daarom bij elkaar wat je nodig hebt om in ballingschap te gaan, mensenkind, en vertrek bij daglicht, zodat iedereen het kan zien; ze moeten zien dat je vanuit je woonplaats in ballingschap gaat, ergens anders heen. Misschien dat ze dan, hoe opstandig ze ook zijn, hun ogen gaan gebruiken. Breng alles wat je als balling nodig hebt overdag naar buiten, en ga zelf ‘s avonds naar buiten alsof je in ballingschap gaat. Zorg ervoor dat ze kunnen zien wat je doet. Zorg dat ze zien hoe je een gat in de muur van je huis maakt om je bezittingen naar buiten te brengen. Zorg dat ze zien hoe je alles op je schouders laadt en wegdraagt als het helemaal donker is. Je moet je gezicht bedekken, zodat je het land om je heen niet meer kunt zien. Wat je doet zal een teken zijn voor het volk van Israël.’
Ik deed wat mij was opgedragen. Overdag bracht ik alles naar buiten wat ik nodig had om in ballingschap te gaan en ‘s avonds maakte ik met mijn handen een gat in de muur. Toen het helemaal donker was, laadde ik alles op mijn schouders en droeg het weg terwijl het volk toekeek.
De volgende morgen richtte de Heer zich tot mij: ‘Mensenkind, hebben die opstandige Israëlieten je niet gevraagd wat je aan het doen was? Geef ze namens Mij dit antwoord: “De last die ik op mijn schouders droeg, dat is de vorst in Jeruzalem, samen met alle Israëlieten die er wonen. Wat ik deed is voor jullie een teken: wat ik gedaan heb, zal ook met hen gebeuren. Dit zegt God, de Heer: Zij zullen als gevangenen in ballingschap gaan. Hun vorst zal ook een last op zijn schouders laden en naar buiten gaan als het helemaal donker is. Ze zullen een gat in de stadsmuur maken om hem door te laten, en hij zal zijn gezicht bedekken, want hij zal zijn land niet meer terugzien.”

 

Psalm 78, 56 + 57 + 58 + 59 + 61 + 62

Refr.: Vergeet toch nooit wat God heeft gedaan !

Zij daagden God uit en tergden Hem,
namen de Allerhoogste en zijn richtlijnen niet ernstig,
ze werden afvallig en ontrouw zoals hun voorouders,
ze faalden als een bedrieglijke boog.

Ze griefden Hem met hun offerdienst op de hoogten,
en wekten met hun godenbeelden zijn afgunst.
Toen God dit hoorde, werd Hij verbolgen,
en wierp Hij Israël ver van zich af.

Hij liet zijn volk gevangen wegvoeren,
leverde zijn sieraad uit aan de belager,
gaf zijn sterke mannen prijs aan het zwaard.
Hij was verbolgen op zijn eigen bezit.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 18, 21 – 19, 1

Petrus vond het al wel wanneer hij zijn broeder zevenmaal vergeven had. Maar Jezus’ antwoord is overduidelijk: als je niet altijd vergeeft zal er met u gebeuren wat er gebeurde met de onbarmhartige beheerder. De hemelse Vader zal u overleveren aan de beulen totdat je uw hele schuld zult hebben betaald.

Petrus kwam bij Jezus staan en vroeg: ‘Heer, als mijn broeder of zuster tegen mij zondigt, hoe vaak moet ik dan vergeving schenken? Tot zevenmaal toe?’
Jezus antwoordde: ‘Niet tot zevenmaal toe, zeg Ik je, maar tot zeventig maal zeven.
Daarom is het met het koninkrijk van de hemel als met een koning die rekenschap wilde vragen van zijn dienaren. Toen hij daarmee begonnen was, bracht men iemand bij hem die hem tienduizend talent schuldig was. Omdat hij niets kon terugbetalen, gaf zijn heer bevel dat de man samen met zijn vrouw en kinderen en alles wat hij bezat verkocht moest worden, zodat de schuld kon worden ingelost. Toen wierp de dienaar zich aan de voeten van zijn heer en smeekte hem: “Heb geduld met mij, ik zal u alles terugbetalen.” Zijn heer kreeg medelijden, hij liet hem vrij en schold hem de geleende som kwijt. Toen deze dienaar naar buiten ging, trof hij daar een van de andere dienaren, die hem honderd denarie schuldig was. Hij nam hem in een wurggreep en beet hem toe: “Betaal me alles wat je me schuldig bent!” Toen wierp deze zich voor hem neer en smeekte hem: “Heb geduld met mij, ik zal je betalen.” Maar hij wilde daar niet van weten, integendeel, hij liet hem gevangenzetten tot hij de hele schuld zou hebben afbetaald. Toen de andere dienaren begrepen wat er gebeurd was, waren ze zeer ontdaan, en gingen ze naar hun heer om hem alles te vertellen. Daarop liet zijn heer hem bij zich roepen en hij zei tegen hem: “Je bent een slechte dienaar. Heel die schuld heb ik je kwijtgescholden, omdat je me erom smeekte. Dan had jij toch zeker ook medelijden moeten hebben met die andere dienaar, zoals ik medelijden heb gehad met jou?” En zijn heer was zo kwaad dat hij hem in handen van de gerechtsbeulen gaf tot hij de hele schuld zou hebben terugbetaald.
Zo zal mijn hemelse Vader ook ieder van jullie behandelen die zijn broeder of zuster niet van harte vergeeft.’
Nadat Jezus deze rede had uitgesproken, verliet Hij Galilea en ging Hij langs de overkant van de Jordaan naar Judea.

Lezingen van de dag – woensdag 15 aug 2018


Tenhemelopneming van Maria

hoogfeest   –   eigen lezingen


Uit het boek Apocalyps 12, 1 + 3-6a + 10ab

Een vrouw, bekleed met de zon, de maan onder haar voeten.

Er verscheen in de hemel een indrukwekkend teken: een vrouw, bekleed met de zon, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd.
Er verscheen een tweede teken in de hemel: een grote, vuurrode draak, met zeven koppen en tien horens, en op elke kop een kroon. Met zijn staart sleepte hij een derde van de sterren aan de hemel mee en smeet ze op de aarde. De draak ging voor de vrouw staan die op het punt stond haar kind te baren, om het te verslinden zodra ze bevallen was. Maar toen ze het kind gebaard had – een zoon, die alle volken met een ijzeren herdersstaf zal hoeden –,werd het dadelijk weggevoerd naar God en zijn troon. De vrouw zelf vluchtte naar de woestijn. God had daar een plaats voor haar gereedgemaakt.
Toen hoorde ik een luide stem in de hemel zeggen: ‘Nu zijn de redding, de macht en het koningschap van onze God werkelijkheid geworden, en de heerschappij van zijn messias.’

 

Psalm 45, 11 + 12 + 15 +16

Refr.: Begeleid door vreugdezang gaan zij paleis van de koning binnen.

Luister, dochter, zie en hoor,
vergeet uw volk en het huis van uw vader.
Begeert de koning uw schoonheid,
buig voor hem, hij is uw heer.

Een kleurige stoet brengt haar naar de koning,
in haar gevolg de meisjes, haar vriendinnen.
Zij worden naar hem toe gebracht.

Begeleid door gejuich en vreugdezang
gaan zij het paleis van de koning binnen.

 

Uit de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs 15, 20-26

Als eerste en voornaamste Christus, vervolgens zij die Christus toebehoren.

Broeders en zusters,
Christus is werkelijk uit de dood opgewekt, als de eerste van de gestorvenen.
Zoals de dood er is gekomen door een mens, zo is ook de opstanding uit de dood er gekomen door een mens. Zoals wij door Adam allen sterven, zo zullen wij door Christus allen levend worden gemaakt.
Maar ieder op de voor hem bepaalde tijd: Christus als eerste en daarna, wanneer Hij komt, zij die Hem toebehoren.
En dan komt het einde en draagt Hij het koningschap over aan God, de Vader, nadat Hij alle heerschappij en elke macht en kracht vernietigd heeft.
Want Hij moet koning zijn totdat ‘God alle vijanden aan zijn voeten heeft gelegd’. De laatste vijand die vernietigd wordt is de dood.

 

Alleluia.

Maria is ten hemel opgenomen.
Het engelenkoor jubelt.

Alleluia.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 1, 39-56

Mijn ziel prijst en looft de Heer, mijn hart juicht om God, mijn redder.

In die dagen reisde Maria in grote haast naar het bergland, naar een stad in Juda, waar ze het huis van Zacharias binnenging en Elisabet begroette. Toen Elisabet de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot; ze werd vervuld met de heilige Geest en riep luid: ‘De meest gezegende ben je van alle vrouwen, en gezegend is de vrucht van je schoot! Wie ben ik dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt? Toen ik je groet hoorde, sprong het kind van vreugde op in mijn schoot. Gelukkig is zij die geloofd heeft dat de woorden van de Heer in vervulling zullen gaan.’
Maria zei: ‘Mijn ziel prijst en looft de Heer, mijn hart juicht om God, mijn redder: Hij heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares. Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen, ja, grote dingen heeft de Machtige voor mij gedaan, heilig is zijn Naam. Barmhartig is Hij, van geslacht op geslacht, voor al wie Hem vereert. Hij toont zijn macht en de kracht van zijn arm en drijft uiteen wie zich verheven wanen, heersers stoot Hij van hun troon en wie gering is geeft Hij aanzien. Wie honger heeft overlaadt Hij met gaven, maar rijken stuurt Hij weg met lege handen. Hij trekt zich het lot aan van Israël, zijn dienaar, zoals Hij aan onze voorouders heeft beloofd: Hij herinnert zich zijn barmhartigheid jegens Abraham en zijn nageslacht, tot in eeuwigheid.’
Maria bleef ongeveer drie maanden bij haar, en ging toen terug naar huis.

Lezingen van de dag – dinsdag 14 augustus 2018


dinsdag in week 19 door het jaar


Uit de profeet Ezechiël 2, 8- 3, 4

Geroepen zijn door God sluit enkele zeer concrete eisen in. Het roepingsverhaal van de profeet Ezechiël geeft er een van. De profeet wordt pas uitgezonden om Gods woorden over te brengen aan het volk, nadat hij Gods woorden eerst tot de zijne heeft gemaakt en ze helemaal in zich heeft opgenomen. Dàn heeft hij iets te zeggen.

Zo spreekt de Heer: ‘Jij, mensenkind, luister naar mijn woorden en wees niet opstandig zoals dat volk. Doe je mond wijd open en eet wat Ik je te eten geef.’
Ik keek, en zag een hand die naar mij was uitgestrekt en een boekrol vasthield. Die werd voor mijn ogen uitgerold en ik zag dat hij aan beide kanten beschreven was. Dit stond erop te lezen: Klaagliederen, en gezucht en gesteun.
De stem zei tegen mij: ‘Mensenkind, eet op wat je wordt voorgehouden; eet deze rol op en ga naar de Israëlieten om te profeteren.’
Ik opende mijn mond en kreeg de boekrol te eten, en de stem zei: ‘Mensenkind, vul je maag en je buik met deze rol, die Ik je geef.’
Ik at de rol op; hij was zo zoet als honing.
Daarop zei de stem tegen mij: ‘Mensenkind, ga naar de Israëlieten en breng hun mijn woorden over.’

 

Psalm 119, 14 + 24 + 72 + 103 + 111 + 131

Refr.: Uw richtlijnen zijn de vreugde van mijn hart.

Leven naar uw richtlijnen geeft mij vreugde,
meer vreugde dan rijkdom en overvloed.

Uw richtlijnen verheugen mij,
ze geven mij goede raad.

Goed voor mij is de wet uit uw mond,
beter dan een schat aan goud en zilver.

Hoe zoet zijn uw woorden voor mijn gehemelte,
zoeter dan honing voor mijn mond.

Uw richtlijnen zijn mijn eeuwig bezit,
ze zijn de vreugde van mijn hart.

Dorstig opent zich mijn mond,
zo hunker ik naar uw geboden.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 18, 1-5 + 10 + 12-14

Eenvoud en barmhartigheid zijn de kentekens van het koninkrijk. Als wij niet worden als kinderen kunnen wij de geheimen van het koninkrijk niet doorschouwen. Deze eenvoud is steeds bereid anderen weer op te nemen, wat ze ook misdreven hebben.

De leerlingen kwamen aan Jezus vragen: ‘Wie is eigenlijk de grootste in het koninkrijk van de hemel?’
Hij riep een kind bij zich, zette het in hun midden neer en zei: ‘Ik verzeker jullie: als je niet verandert en wordt als een kind, dan zul je het koninkrijk van de hemel zeker niet binnengaan. Wie zichzelf vernedert en wordt als dit kind, die is de grootste in het koninkrijk van de hemel. En wie in mijn naam één zo’n kind bij zich opneemt, neemt mij op.
Waak ervoor ook maar een van deze geringen te verachten. Want Ik zeg jullie: hun engelen in de hemel aanschouwen onophoudelijk het gelaat van mijn hemelse Vader.
Wat denken jullie? Als iemand honderd schapen bezit en een daarvan dwaalt af, zal hij er dan niet negenennegentig in de bergen achterlaten en op weg gaan om het afgedwaalde dier te zoeken? Als het hem lukt het te vinden, dan zal hij zich, dat verzeker Ik jullie, over dat ene meer verheugen dan over de negenennegentig andere die niet afgedwaald waren. Zo is het ook bij jullie Vader in de hemel: hij wil niet dat een van deze geringen verloren gaat.’

Lezingen van de dag – maandag 13 aug 2018


maandag in week 19 door het jaar


Uit de profeet Ezechiël 1, 2-5 + 24-28

In het roepingsvisioen van de profeet Ezechiël vormen vier levende wezens de wagen van Gods heerlijkheid. In een overweldigende verschijning wordt Ezechiël geconfronteerd met Gods aanwezigheid. Zij is niet gebonden aan de tempel of een bepaalde plaats, maar ze is universeel.

Op de vijfde dag van die maand, en wel in het vijfde jaar van koning Jojachins ballingschap, richtte de Heer zich tot de priester Ezechiël, de zoon van Buzi, in het land van de Chaldeeën, bij het Kebarkanaal. Daar werd hij door de hand van de Heer gegrepen.
Dit is wat ik zag: een stormwind, komend uit het noorden, een grote gloeiende wolkenmassa, een vuur van bliksemflitsen. Daar middenin zag ik iets dat glansde als wit goud. In het midden van het vuur zag ik iets dat leek op een viertal wezens. Zo zagen ze eruit: ze leken op mensen. Toen hoorde ik het geluid van hun vleugels. Het klonk als het gebulder van de zee, als de stem van de Ontzagwekkende, als het rumoer van een mensenmassa, als een dreunend leger. Als ze stilstonden vouwden ze hun vleugels weer toe. Toen hoorde ik ook een geluid boven de koepel boven hun hoofd – maar zijzelf stonden stil met toegevouwen vleugels. En boven de koepel zag ik iets dat leek op een troon van saffier, en daarboven, op die troon, zag ik een gedaante als van een mens. Vanaf wat zijn lendenen leken te zijn naar boven toe zag ik iets dat glansde als wit goud en door iets als vuur omgeven was, en naar beneden toe zag ik iets als vuur, omgeven door een stralende gloed. Zoals de boog die bij regen verschijnt in de wolken, zo zag die gloed eruit.
Dit was de aanblik van de stralende verschijning van de Heer, en toen ik dit alles zag, wierp ik me voorover op de grond.

 

Psalm 148, 1-2 + 11-14

Refr.: Proef, en geniet van de goedheid van de Heer.

Loof de Heer, bewoners van de hemel,
loof Hem daar in de hoogten.
Loof Hem, al zijn herauten,
loof Hem, heel zijn engelenmacht.

Koningen van de aarde en alle naties,
vorsten en alle leiders van de aarde,
jonge mannen en jonge vrouwen,
oud en jong tezamen.

Laten zij loven de Naam van de Heer,
alleen zijn Naam is hoogverheven,
zijn luister gaat aarde en hemel te boven.

Hij verhoogt het aanzien van zijn volk,
de roem van al wie hem trouw zijn,
het volk van Israël, dat Hem nabij is.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 17, 22-27

Om samen te leven met mensen moet een christen veel doen en laten om geen aanstoot te geven. Anders wordt hij vooringenomen en gaat hij zich afsluiten of verzetten tegen de Blijde Boodschap. Echte vrijheid van de kinderen Gods geeft geen aanstoot.

Terwijl ze door Galilea trokken, zei Jezus tegen de leerlingen: ‘De Mensenzoon zal uitgeleverd worden aan de mensen. Die zullen Hem doden, maar op de derde dag zal Hij uit de dood worden opgewekt.’
Dit maakte hen zeer bedroefd.
Toen ze in Kafarnaüm waren aangekomen, kwamen de inners van de tempelbelasting bij Petrus en vroegen: ‘Draagt uw meester de dubbeldrachme niet af?’
Hij antwoordde: ‘Zeker wel!’
Toen hij thuiskwam, was Jezus hem voor met de vraag: ‘Wat denk je, Simon? Van wie innen de heersers op aarde tol of belasting? Van hun eigen kinderen of van anderen?’
Op zijn antwoord: ‘Van anderen’, zei Jezus tegen hem: ‘Dan zijn de kinderen dus vrijgesteld. Maar laten we hen niet voor het hoofd stoten; ga naar het meer, werp daar je hengel uit en haal de vis die het eerst bijt van de haak. Als je zijn bek opent, zul je een vierdrachmenstuk vinden. Neem dat mee en betaal hun voor ons allebei.’

Lezingen van de dag – zondag 12 aug 2018


19e zondag door het jaar – B


Uit het eerste boek Koningen 19, 4-8

Veertig dagen, ja zelfs een heel leven is niet te lang om God tegemoet te gaan op de berg. Om deze tocht te voltooien wordt aan de gelovige het brood voor onderweg aangeboden.

In die dagen kwam Elia na een tocht van een dag in de woestijn bij een bremstruik. Hij zette zich eronder, verlangend naar de dood, en zei: ‘Het is genoeg geweest, Heer. Neem mijn leven, want ik ben niet beter dan mijn voorouders.’
Hij viel onder de bremstruik in slaap, maar er kwam een engel, die hem aanraakte en zei: ‘Word wakker en eet wat.’
Elia keek op en ontdekte naast zijn hoofd een brood, in gloeiende kooltjes gebakken, en een kruik water. Nadat hij had gegeten en gedronken ging hij weer onder de struik liggen.
Maar de engel van de HEER kwam terug, raakte hem opnieuw aan en zei: ‘Sta op en eet wat, anders is de reis te zwaar voor je.’
Elia stond op, en toen hij had gegeten en gedronken liep hij, gesterkt door dit voedsel, veertig dagen en veertig nachten door de woestijn, tot hij bij de Horeb kwam, de berg van God.

 

Psalm 34, 2-9

Refr.: Proef, en geniet van de goedheid van de Heer.

De Heer wil ik prijzen, elk uur van de dag,
mijn mond is altijd vol van zijn lof.
Laat mijn leven een loflied zijn voor de Heer,
de nederigen zullen het met vreugde horen.

Roem met mij de grootheid van de Heer,
sluit u aan om zijn Naam te verheffen.
Ik zocht de Heer en Hij gaf antwoord,
Hij heeft mij van alle angst bevrijd.

Wie naar Hem opzien, stralen van vreugde,
schaamte zal hun gezicht niet kleuren.
In mijn verdrukking riep ik tot de Heer,
Hij heeft geluisterd en mij uit de nood gered.

De engel van de Heer waakt
over wie Hem vrezen, en bevrijdt hen.
Proef, en geniet de goedheid van de Heer,
gelukkig de mens die bij Hem schuilt.

 

Uit de brief van Paulus aan de Efesiërs 4, 30 – 5, 20

Ons christelijk leven draagt het merkteken van de Drieëenheid. Volg de Vader na, want zijn kinderen zijn wij. Bemin zoals Christus bemind heeft, want zijn leerlingen zijn wij. Breng de vruchten voort van de Geest door wie wij getekend zijn.

Broeders en zusters,
maak Gods heilige Geest niet bedroefd, want Hij is het stempel waarmee u gemerkt bent voor de dag van de verlossing.
Laat alle wrok en drift en boosheid varen, alle geschreeuw en gevloek, en alle kwaadaardigheid. Wees goed voor elkaar en vol medeleven; vergeef elkaar zoals God u in Christus vergeven heeft.
Volg dus het voorbeeld van God, als kinderen die Hij liefheeft, en ga de weg van de liefde, zoals Christus, die ons heeft liefgehad en zich voor ons gegeven heeft als offer, als een geurige gave voor God.

 

Alleluia.

Uw woorden, Heer, zijn geest en leven;
uw woorden zijn woorden van eeuwig leven.

Alleluia.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 6, 41-51

De eeuwige vraag omtrent Jezus luidt: staat Hij niet te dicht bij ons om van elders te komen? Is Hij niet te goed ingeburgerd op onze aarde om van God te komen? Nochtans door Christus trekt de Vader de mensen tot zich. Door Christus, gegeven als brood, schenkt de Vader aan de mensen het eeuwig leven.

De Joden begonnen te protesteren omdat Jezus zei dat Hij het brood was dat uit de hemel was neergedaald.
‘Dat is toch Jezus, de zoon van Jozef? We weten toch wie zijn vader en moeder zijn? Hoe kan Hij dan zeggen dat Hij uit de hemel is neergedaald?’
Jezus zei: ‘Ik hoor u bezwaren maken. Toch kan niemand bij mij komen, tenzij de Vader die mij gezonden heeft hem bij me brengt, en Ik zal hem op de laatste dag tot leven wekken. Het staat geschreven in de Profeten: “Zij zullen allemaal door God onderricht worden.” Iedereen die naar de Vader luistert en van Hem leert komt bij mij. Niet dat iemand ooit de Vader gezien heeft – alleen hij die van God komt, heeft Hem gezien. Waarachtig, Ik verzeker u: wie gelooft, heeft eeuwig leven. Ik ben het brood dat leven geeft. Uw voorouders hebben in de woestijn manna gegeten en toch zijn zij gestorven. Maar dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald; wie dit eet sterft niet. Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald; wanneer iemand dit brood eet zal hij eeuwig leven. En het brood dat Ik zal geven voor het leven van de wereld, is mijn lichaam.’

Lezingen van de dag – zaterdag 11 aug 2018


zaterdag in week 18 door het jaar


Uit de profeet Habakuk 1, 12 – 2, 14

In een zeer duistere tijd ondervraagt de profeet Habakuk zijn God. Hij lijkt zijn volk wel verlaten te hebben. God antwoordt door een beroep te doen op geduld en vertrouwen. De rechtvaardigen, die heel hun leven geloven in God en trouw zijn aan het Verbond, wijzen hier de weg.

Bent U, Heer, niet altijd mijn God, mijn Heilige geweest? Wij zullen toch niet sterven? Om het vonnis te voltrekken, Heer, hebt U de Chaldeeër opgeroepen, U hebt hem ertoe bestemd, o Rots, om ons te straffen.
Uw ogen zijn te zuiver om het kwaad te kunnen aanzien, de ellende te kunnen verdragen. Waarom dan verdraagt U deze trouwelozen, zwijgt U, nu de wetteloze verslindt wie rechtvaardiger is dan hij?
Als vissen in de zee maakt U de mensen, als kruipende dieren zonder leider. De Chaldeeër slaat ze allemaal aan de haak, sleept ze mee in zijn net, verzamelt ze in zijn fuik. Daarom is hij blij en vrolijk, brengt hij offers aan zijn net, brandt hij wierook voor zijn fuik, alles voor een vette buit, een overvloedig maal. Mag hij maar doorgaan zijn netten te legen, meedogenloos volken blijven vermoorden?
Ik ga nu op mijn wachtpost staan, betrek mijn post op het bolwerk, kijk uit om te zien wat de Heer mij zal zeggen, wat Hij mij antwoordt op mijn verwijt.
Dit was het antwoord van de Heer. Schrijf dit visioen op, grif het duidelijk in platen, zodat het snel te lezen is. Het visioen wacht tot zijn tijd gekomen is, het getuigt ervan, het liegt niet. Ook al is het nog niet vervuld, wacht maar, het komt zeker, het zal niet uitblijven. Wie niet oprecht is kwijnt weg, maar de rechtvaardige zal leven door zijn trouw.

 

Psalm 9, 8-13

Refr.: Vergeet mij niet Heer, die uw volk welgezind zijt.

De Heer zetelt voor eeuwig,
zijn rechterstoel staat onwrikbaar vast.

Hij bestuurt de wereld naar recht en wet,
alle volken berecht Hij eerlijk.

Moge de Heer een burcht zijn voor de verdrukte,
een burcht in tijden van nood.

Wie uw Naam kent, kan op U vertrouwen,
U verlaat niet wie U zoeken, Heer.

Zing voor de Heer die zetelt op de Sion,
maak aan de volken zijn daden bekend.

Hij wreekt vergoten bloed, gedenkt de doden,
de noodkreet van de nederigen vergeet Hij niet.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 17, 14-20

Gebrek aan geloof maakt het de leerlingen onmogelijk om de zin te ontdekken van de wonderen in Christus’ zending. Zijn werken zijn niet enkel gebaseerd op wonderen, maar vooral op de aanwezigheid van zijn Geest. Deze bewerkt het geloof en doet alles zien met de ogen van God.

Toen Jezus en de leerlingen zich weer bij de mensenmassa voegden, kwam er iemand naar Hem toe die voor Hem op zijn knieën viel en zei: ‘Heer, heb medelijden met mijn zoon, want hij is maanziek en lijdt daar erg onder; hij valt dikwijls in het vuur of in het water. Ik heb hem bij uw leerlingen gebracht, maar zij konden hem niet genezen.’
Jezus antwoordde: ‘Wat zijn jullie toch een ongelovig en dwars volk, hoe lang moet Ik nog bij jullie blijven? Hoe lang moet Ik jullie nog verdragen? Breng hem bij me.’
Daarop sprak Jezus de demon op strenge toon toe. Deze ging uit de jongen weg, en vanaf dat moment was hij genezen.
Later kwamen de leerlingen naar Jezus toe.
Eenmaal met Hem alleen vroegen ze: ‘Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?’
Hij antwoordde: ‘Vanwege jullie gebrek aan geloof. Ik verzeker jullie: als jullie geloof hebben als een mosterdzaadje, dan zullen jullie tegen die berg zeggen: “Verplaats je van hier naar daar!” en dan zal hij zich verplaatsen. Niets zal voor jullie onmogelijk zijn.’

Lezingen van de dag – vrijdag 10 aug 2018


H. Laurentius,
diaken en martelaar

feest   –   eigen lezingen


Uit de tweede brief van Paulus aan de Korintiërs 9, 6-10

‘God heeft lief wie blijmoedig geeft’
Broeders en zusters,
bedenk dit: wie karig zaait, zal karig oogsten; wie overvloedig zaait, zal overvloedig oogsten. Laat ieder zoveel geven als hij zelf besloten heeft, zonder tegenzin of dwang, want God heeft lief wie blijmoedig geeft.
God heeft de macht u te overstelpen met al zijn gaven, zodat u altijd en in alle opzichten voldoende voor uzelf hebt en ook nog ruimschoots kunt bijdragen aan allerlei goed werk. Zo staat er geschreven: ‘Gul deelt hij uit aan de armen, zijn rechtvaardigheid houdt stand, voor altijd.’
God, die zaad geeft om te zaaien en brood om te eten, zal ook u zaad geven en het laten ontkiemen, zodat uw vrijgevigheid een rijke oogst opbrengt.

 

Psalm 112, 1 + 2 + 5 + 6 + 7 + 8 + 9

Refr.: Goed gaat het wie genadig is en vrijgevig.

Gelukkig de mens met ontzag voor de Heer,
en met liefde voor zijn geboden.

Zijn nageslacht geniet aanzien in het hele land,
de oprechten worden gezegend.

Goed gaat het wie genadig is en vrijgevig,
wie zijn zaken eerlijk behartigt.

De rechtvaardige komt nooit ten val,
men zal hem eeuwig gedenken.

Voor een vals gerucht zal hij niet vrezen,
hij is standvastig en vertrouwt op de Heer.

Standvastig is zijn hart en zonder vrees.
Aan het eind ziet hij zijn vijanden verslagen.

Gul deelt hij uit aan de armen,
zijn rechtvaardigheid houdt stand, voor altijd,
hij zal stijgen in aanzien en eer.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 12, 24-26

‘Wie mij dient zal door de Vader geëerd worden’

Jezus sprak:
‘Waarachtig, Ik verzeker u: als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht.
Wie zijn leven liefheeft verliest het, maar wie in deze wereld zijn leven haat, behoudt het voor het eeuwige leven.
Wie mij dient moet mij volgen: waar Ik ben zal ook mijn dienaar zijn, en wie mij dient zal door de Vader geëerd worden.’