Lezingen van de dag – dinsdag 22 mei 2018


dinsdag in week 7 door het jaar


Uit de brief van Jakobus 4, 1-10

Naijver, jaloersheid en haat verscheuren een mens. Wie zich verzet en ten strijde trekt tegen dergelijke praktijken van anderen en zichzelf niet bekeert in zijn hart, verspilt nutteloos zijn krachten en zijn bidden wordt onrecht. Hoeveel conflicten zouden niet beter geregeld kunnen worden als wij ons telkens eerst bekeerden ?

Broeders en zusters,
waar komt al die strijd, waar komen al die conflicten bij u toch uit voort? Is het niet uit de hartstochten die strijd leveren in uw binnenste?
U verlangt naar iets, maar krijgt het niet. U bent jaloers en moordlustig, maar bereikt uw doel niet. U bekvecht en twist met elkaar. U krijgt niets omdat u niet bidt. En als u bidt ontvangt u niets, omdat u verkeerd bidt: u wilt alleen uw eigen hartstochten bevredigen.
Trouwelozen! Beseft u dan niet dat vriendschap met de wereld vijandschap jegens God betekent? Wie bevriend wil zijn met de wereld, maakt zich tot vijand van God.
Denk toch niet dat dit loze woorden zijn in de Schrift: ‘Hij die ons het leven gaf, maakt er vurig aanspraak op; maar de genade die Hij schenkt is nog groter.’ Daarom staat er: ‘God keert zich tegen hoogmoedigen, maar aan nederigen schenkt Hij zijn genade.’
Onderwerp u dus aan God, en verzet u tegen de duivel, dan zal die van u wegvluchten. Nader tot God, dan zal Hij tot u naderen.
Reinig uw handen, zondaars; zuiver uw hart, weifelaars. Weeklaag, wees treurig en laat uw tranen vloeien.
Laat uw lachen veranderen in droefheid en uw vreugde in somberheid. Verneder u voor de Heer, dan zal Hij u verheffen.

 

Psalm 55, 7 + 8 + 9 + 10 + 11a + 23

Refr.: Leg uw last op de Heer en Hij zal u steunen.

Had ik maar vleugels als een duif,
ik zou opvliegen en neerstrijken,
ver, ver weg zou ik vluchten,
overnachten in de woestijn,
haastig beschutting zoeken
tegen de vlagen van de stormwind.

Splijt hun tong, Heer, verwar hun spraak,
want in de stad zie ik geweld en strijd,
dag en nacht gaan die rond op haar muren.
In het hart van de stad heerst onheil en leed.
Leg uw last op de Heer en Hij zal u steunen,
nooit zal Hij dulden dat een rechtvaardige ten val komt.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 9, 30-37

Wanneer Jezus zijn leerlingen nog eens duidelijk tracht te maken dat zijn dienen zover zal gaan dat Hij zijn leven zal geven, begrijpen zij dit niet. Zij dachten aan een nieuw, aards rijk, waar zij de voornaamste posten zouden innemen. Zij maken zelfs ruzie om de eerste plaats te krijgen. Jezus wijst hen terecht en herhaalt nog eens dat men in zijn rijk niet moet komen om gediend te worden, maar om te dienen met het hart van een kind.

Na de gedaanteverandering vertrokken Jezus en zijn leerlingen weg uit die streek en reisden door Galilea, maar Hij wilde niet dat iemand dat te weten kwam, want Hij was bezig zijn leerlingen onderricht te geven.
Hij zei tegen hen: ‘De Mensenzoon wordt uitgeleverd aan de mensen. Die zullen Hem doden, maar na drie dagen zal Hij uit de dood opstaan.’
Ze begrepen deze uitspraak niet, maar durfden Hem geen vragen te stellen.
Ze kwamen in Kafarnaüm. Toen ze in huis waren, vroeg hij hun: ‘Waarover waren jullie onderweg aan het redetwisten?’
Ze zwegen, want ze hadden onderweg met elkaar getwist over de vraag wie van hen de belangrijkste was.
Hij ging zitten en riep de twaalf bij zich. Hij zei tegen hen: ‘Wie de belangrijkste wil zijn, moet de minste van allemaal willen zijn en ieders dienaar.’
Hij pakte een kind op en zette het in hun midden neer; hij sloeg zijn arm eromheen en zei tegen hen: ‘Wie in mijn naam één zo’n kind bij zich opneemt, neemt mij op; en wie mij opneemt, neemt niet mij op, maar Hem die mij gezonden heeft.’

Lezingen van de dag – maandag 21 mei 2018


Heilige Maagd Maria,
Moeder van de Kerk

gedachtenis  –  eigen lezingen


Uit de Handelingen van de Apostelen 1, 12-14

We ontmoeten hier Maria en de apostelen, die zich samen vurig wijdden aan het gebed, om zich op deze wijze te openen voor de belofte door de Heer gedaan.

In die dagen keerden de apostelen van de Olijfberg terug naar Jeruzalem. Deze berg ligt vlak bij de stad, op een sabbatsreis afstand. Toen ze in de stad waren aangekomen, gingen ze naar het bovenvertrek waar ze verblijf hielden: Petrus en Johannes, Jakobus en Andreas, Filippus en Tomas, Bartolomeüs en Matteüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon de IJveraar en Judas, de zoon van Jakobus. Vurig en eensgezind wijdden ze zich aan het gebed, samen met de vrouwen en met Maria, de moeder van Jezus, en met zijn broers.

 

Psalm 87, 1-3 + 5-7

Refr.: De Heer heeft de poorten van Sion lief.

Boven alle steden van Jakob
heeft de Heer de poorten van Sion lief,
zijn vesting op de heilige bergen.

Van u wordt met lof gesproken, stad van God.
Met recht kan men van Sion zeggen:
‘Welk volk ook, het is hier geboren,
de Allerhoogste houdt Sion in stand.’

Bij de namen van de volken schrijft de Heer:
‘Dit volk is hier geboren.’
En dansend zingen zij:
‘Mijn bronnen zijn alleen in u.’

 

Uit het evangelie volgens Johannes 19, 25-34

Vanop het kruis gaf Jezus zijn moeder aan Johannes, en Johannes aan zijn moeder.

Bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder met haar zuster, Maria, de vrouw van Klopas, en Maria uit Magdala.
Toen Jezus zijn moeder zag staan, en bij haar de leerling van wie Hij veel hield, zei Hij tegen zijn moeder: ‘Dat is uw zoon,’ en daarna tegen de leerling: ‘Dat is je moeder.’ Vanaf dat moment nam die leerling haar bij zich in huis.
Toen wist Jezus dat alles was volbracht, en om de Schrift geheel in vervulling te laten gaan zei Hij: ‘Ik heb dorst.’ Er stond daar een vat zure wijn; ze staken er een majoraantak met een spons in en brachten die naar zijn mond. Nadat Jezus ervan gedronken had zei Hij: ‘Het is volbracht.’ Hij boog zijn hoofd en gaf de geest.
Het was voorbereidingsdag, en de Joden wilden voorkomen dat de lichamen op sabbat, en nog wel een bijzondere sabbat, aan het kruis zouden blijven hangen. Daarom vroegen ze Pilatus of de benen van de gekruisigden gebroken mochten worden en of ze de lichamen mochten meenemen. Toen braken de soldaten de benen van de eerste die tegelijk met Jezus gekruisigd was, en ook die van de ander. Vervolgens kwamen ze bij Jezus, maar ze zagen dat Hij al gestorven was. Daarom braken ze zijn benen niet. Maar een van de soldaten stak een lans in zijn zij en meteen vloeide er bloed en water uit.

Lezingen van de dag – zondag 20 mei 2018


Pinksteren

hoogfeest


Uit de Handelingen van de Apostelen 2, 1-11

De vijftigste dag na Pasen – wat Pinksteren betekent – herdachten de Joden de overhandiging van de Wet op de berg Sinaï. In deze context plaatst Lucas de gave van de Geest, de geboorte van de Kerk en het heil voor gans het heelal in Christus.

Toen de dag van het Pinksterfeest aanbrak waren ze allen bij elkaar. Plotseling klonk er uit de hemel een geluid als van een hevige windvlaag, dat het huis waar ze zich bevonden geheel vulde. Er verschenen aan hen een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten, en allen werden vervuld van de heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen, zoals hun door de Geest werd ingegeven.
In Jeruzalem woonden destijds vrome Joden, die afkomstig waren uit ieder volk op aarde. Toen het geluid weerklonk, dromden ze samen en ze raakten geheel in verwarring omdat ieder de apostelen en de andere leerlingen in zijn eigen taal hoorde spreken. Ze waren buiten zichzelf van verbazing en zeiden: ‘Het zijn toch allemaal Galileeërs die daar spreken? Hoe kan het dan dat wij hen allemaal in onze eigen moedertaal horen? Parten, Meden en Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Kappadocië, mensen uit Pontus en Asia, Frygië en Pamfylië, Egypte en de omgeving van Cyrene in Libië, en ook Joden uit Rome die zich hier gevestigd hebben, Joden en proselieten, mensen uit Kreta en Arabië – wij allen horen hen in onze eigen taal spreken over Gods grote daden.’

 

Psalm 104, 1ab + 24 + 29-30 + 34

Refr.: Zend uw Geest, en maak uw schepping weer nieuw.

Prijs de Heer, mijn ziel. Heer,
mijn God, hoe groot bent U.
Hoe talrijk zijn uw werken, Heer.
Alles hebt U met wijsheid gemaakt,
vol van uw schepselen is de aarde.

Verberg uw gelaat en zij bezwijken van angst,
ontneem hun de adem en het is met hen gedaan,
dan keren zij terug tot het stof dat zij waren.
Zend uw adem en zij worden geschapen,
zo geeft U de aarde een nieuw gelaat.

Moge mijn lofzang de Heer behagen,
zoals ik mijn vreugde vind in Hem.

 

Uit de brief van Paulus aan de Galaten 5, 16-25

Leven onder stuwing van de Geest betekent deelhebben aan de dood en de verrijzenis van de Heer. Het is zich vrijmaken van een natuur die getekend is door de zonde en door kleinzielige eigenliefde. Het betekent zich openstellen voor een levenswijze waarin Christus zelf de norm wordt van elke inzet: ‘Ik ben het niet die leeft, maar Christus in mij’.

Broeders en zusters,
laat u leiden door de Geest, dan bent u niet gericht op uw eigen begeerten. Wat wij uit onszelf najagen is in strijd met de Geest, en wat de Geest verlangt is in strijd met onszelf. Het een gaat in tegen het ander, dus u kunt niet doen wat u maar wilt.
Maar wanneer u door de Geest geleid wordt, bent u niet onderworpen aan de wet.
Het is bekend wat onze eigen wil allemaal teweegbrengt: ontucht, zedeloosheid en losbandigheid, afgoderij en toverij, vijandschap, tweespalt, jaloezie en woede, gekonkel, geruzie en rivaliteit, afgunst, bras- en slemppartijen, en nog meer van dat soort dingen. Ik herhaal de waarschuwing die ik u al eerder gaf: wie zich aan deze dingen overgeven, zullen geen deel hebben aan het koninkrijk van God. Maar de vrucht van de Geest is liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing. Er is geen wet die daar iets tegen heeft.
Wie Christus Jezus toebehoort, heeft zijn eigen natuur met alle hartstocht en begeerte aan het kruis geslagen.
Wanneer de Geest ons leven leidt, laten we dan ook de richting volgen die de Geest ons wijst.

 

Alleluia.

Kom, heilige Geest,
vervul het hart van uw gelovigen,
en ontsteek in hen het vuur van uw liefde.

Alleluia.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 15, 26-27 + 16, 12-15

De heilige Geest zal ons leiden naar de volle waarheid.

Jezus sprak tot zijn leerlingen:
‘Wanneer de Pleitbezorger komt die Ik van de Vader naar jullie zal zenden, de Geest van de waarheid die van de Vader komt, zal die over mij getuigen. Ook jullie moeten mijn getuigen zijn, want jullie zijn vanaf het begin bij mij geweest.
Ik heb jullie nog veel meer te zeggen, maar jullie kunnen het nog niet verdragen. De Geest van de waarheid zal jullie, wanneer Hij komt, de weg wijzen naar de volle waarheid. Hij zal niet namens zichzelf spreken, maar Hij zal zeggen wat Hij hoort en jullie bekendmaken wat komen gaat. Door jullie bekend te maken wat Hij van mij heeft, zal Hij mij eren.
Alles wat van de Vader is, is van mij – daarom heb Ik gezegd dat Hij alles wat Hij jullie bekend zal maken, van mij heeft.’

Lezingen van de dag – zaterdag 19 mei 2018


zaterdag in de 7e paasweek


Uit de Handelingen van de Apostelen 28, 16-20 + 30-31

Het boek van de Handelingen eindigt met het beeld van Paulus die te Rome twee volle jaren het Rijk Gods en het evangelie verkondigt. Een hoopvol beeld, dat zich steeds doorheen de eeuwen zal blijven herhalen: mensen die geboeid door Jezus, voor Hem hun leven inzetten. De ene voelt zich meer zeker dan de andere, maar elke christen moet deze verkondiging door woord en leven in stand houden.

Bij onze aankomst in Rome kreeg Paulus toestemming om een eigen woning te betrekken, met een soldaat als bewaker.
Na drie dagen riep hij de Joodse leiders bij zich. Toen ze bijeengekomen waren, zei hij tegen hen: ‘Broeders, ofschoon ik ons volk niets heb misdaan en de gebruiken van onze voorouders niet heb geschonden, ben ik door de Joden in Jeruzalem gevangengenomen en uitgeleverd aan de Romeinen, die me na verhoor wilden vrijlaten omdat er geen enkele grond was om mij ter dood te veroordelen. De Joden tekenden daar echter bezwaar tegen aan, zodat ik me gedwongen zag me op de keizer te beroepen, overigens zonder mijn volk van iets te willen beschuldigen. Dat is de reden waarom ik u verzocht heb hier met mij te komen spreken, want het is juist omwille van de hoop die Israël koestert dat ik deze boeien draag.’
Paulus verbleef twee jaar in het huis dat hij gehuurd had en ontving daar iedereen die naar hem toe kwam.
Hij verkondigde het Koninkrijk van God en onderrichtte vrijmoedig over de Heer Jezus Christus, zonder dat hem iets in de weg werd gelegd.

 

Psalm 11, 5-7

Refr.: Rechtvaardig is de Heer.

De Heer keurt rechtvaardigen en zondaars.
Wie het geweld liefhebben, haat Hij.

Vuur en zwavel stort Hij over hen uit,
storm drinken zij uit de beker die Hij aanreikt.

Rechtvaardig is de Heer,
Hij heeft rechtvaardigheid lief.
De oprechte zal zijn gelaat aanschouwen.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 21, 20-25

Johannes beëindigt zijn evangelie met een oproep tot allen die het zullen horen of lezen, opdat ze het in geloof benaderen. Hij was de leerling die Jezus beminde. Hij stelt zich als waarborg voor de waarde van deze boodschap. Johannes wil zeggen: Mensen van alle tijden, het is de moeite u aan deze Jezus toe te vertrouwen.

Toen Petrus zich omdraaide zag hij dat de leerling van wie Jezus hield hen volgde–de leerling die zich tijdens de maaltijd naar Jezus toegebogen had om te vragen wie het was die Hem zou verraden.
Toen Petrus hem zag vroeg hij Jezus: ‘En wat gebeurt er met hem, Heer?’
Maar Jezus antwoordde: ‘Het is niet jouw zaak of hij in leven blijft totdat Ik kom. Maar jij moet mij volgen.’
Op grond van deze uitspraak hebben sommige broeders en zusters gedacht dat deze leerling niet zou sterven, maar Jezus had niet gezegd: ‘Hij zal niet sterven’, maar: ‘Het is niet jouw zaak of hij in leven blijft totdat Ik kom.’
Het is deze leerling die over dit alles getuigenis aflegt, en het ook heeft opgeschreven. Wij weten dat zijn getuigenis betrouwbaar is.
Jezus heeft nog veel meer gedaan: als al zijn daden, een voor een, opgeschreven zouden worden, zou de wereld, denk ik, te klein zijn voor de boeken die dan geschreven moesten worden.

Lezingen van de dag – vrijdag 18 mei 2018


vrijdag in de 7e paasweek


Uit de Handelingen van de Apostelen 25, 13-21

We krijgen inzage in het dossier van de gevangengenomen Paulus, die beroep heeft aangetekend bij de keizer te Rome. De enige beschuldiging betreft juist de kern van ons christelijk geloof: Jezus, die dood
schijnt te zijn, wordt door zijn leerlingen gevolgd, omdat Hij lééft.

Enkele dagen later kwamen koning Agrippa en Bernice naar Caesarea om bij Festus hun opwachting te maken. Tijdens hun verblijf, dat verscheidene dagen duurde, sprak Festus met de koning over de rechtszaak tegen Paulus.
Hij zei:
‘Er is hier een man die door Felix als gevangene is achtergelaten. Toen ik in Jeruzalem was hebben de hogepriesters en de oudsten van de Joden een klacht tegen hem ingediend en om zijn veroordeling verzocht. Ik heb hun geantwoord dat het bij de Romeinen niet gebruikelijk is iemand uit te leveren zonder dat hij tegenover zijn aanklagers heeft gestaan en de kans heeft gekregen zich tegen de aanklacht te verdedigen. Toen ze hier bijeen waren gekomen, heb ik de zaak niet langer uitgesteld, maar heb ik al de volgende dag de rechtszitting geopend en bevel gegeven hem voor te leiden. De aanklagers gingen om hem heen staan, maar beschuldigden hem niet van het soort misdrijven dat ik had verwacht. Wel bleken er geschilpunten te bestaan met betrekking tot hun godsdienst en een zekere Jezus, die dood is, maar van wie Paulus beweert dat Hij leeft. Omdat ik niet goed wist hoe ik deze kwesties moest onderzoeken, vroeg ik of hij bereid was naar Jeruzalem te gaan om daar terecht te staan. Maar toen beriep hij zich op de keizer en verkoos om in gevangenschap te blijven tot zijne keizerlijke hoogheid een uitspraak heeft gedaan. Ik heb opdracht gegeven om hem in hechtenis te houden tot ik hem naar de keizer kan zenden.’

 

Psalm 103, 1 + 2 + 11 + 12 + 19 + 20ab

Refr.: De Heer heeft zijn troon in de hemel gevestigd.

Prijs de Heer, mijn ziel,
prijs, mijn hart, zijn heilige Naam.

Prijs de Heer, mijn ziel,
vergeet niet één van zijn weldaden.

Zoals de hoge hemel de aarde overspant,
zo welft zich zijn trouw over wie Hem vrezen.

Zo ver als het oosten is van het westen,
zo ver heeft Hij onze zonden van ons verwijderd.

De Heer – zijn troon staat vast in de hemel,
als koning heerst Hij over alles.

Prijs de Heer, u die zijn boden bent,
sterke helden die doen wat Hij zegt.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 21, 15-19

Tot driemaal toe vraagt Jezus aan Petrus: Heb je mij lief ? Driemaal komt er een bevestigend antwoord, driemaal een pastorale opdracht. Jezus wil duidelijk maken, dat alleen hij, die de liefde heeft, waardig is herder te zijn in de Kerk. Herders in de Kerk zijn geen ambtenaars, geen politici, maar mensen die uit liefde, liefde worden voor anderen.

Toen ze gegeten hadden, sprak Jezus Simon Petrus aan: ‘Simon, zoon van Johannes, heb je mij lief, meer dan de anderen hier?’
Petrus antwoordde: ‘Ja, Heer, U weet dat ik van U houd.’
Hij zei: ‘Weid mijn lammeren.’
Nog eens vroeg Hij: ‘Simon, zoon van Johannes, heb je me lief?’
Hij antwoordde: ‘Ja, Heer, U weet dat ik van U houd.’
Jezus zei: ‘Hoed mijn schapen’.
En voor de derde maal vroeg Hij hem: ‘Simon, zoon van Johannes, houd je van me?’
Petrus werd verdrietig omdat Hij voor de derde keer vroeg of hij van Hem hield.
Hij zei: ‘Heer, U weet alles, U weet toch dat ik van U houd.’
Jezus zei: ‘Weid mijn schapen. Waarachtig, Ik verzeker je: toen je jong was deed je zelf je gordel om en ging je waarheen je wilde, maar wanneer je oud wordt zal een ander je handen grijpen, je je gordel omdoen en je brengen waar je niet naartoe wilt.’
Met deze woorden duidde Hij aan hoe Petrus zou sterven tot eer van God.
Daarna zei Hij: ‘Volg mij.’

Lezingen van de dag – donderdag 17 mei 2018


donderdag in de 7e paasweek


Uit de Handelingen van de Apostelen 22, 30 + 23, 6-11

Paulus, Jood uit de farizeïsche familie, verbeten christenvervolger, werd de grote verbreider en prediker van het christelijk ideaal. Hij wordt dan ook door Joodse tegenhangers voor de rechter gedaagd, waar hij Saduceeën en Farizeeën tegen elkaar uitspeelt. De lezing voorspelt tevens Paulus’ geloofsgetuigenis in Rome.

Omdat de tribuun nauwkeurig wilde vaststellen welke beschuldiging door de Joden tegen Paulus werd ingebracht, liet hij hem de volgende dag uit de gevangenis halen en verordonneerde hij dat de hogepriesters en het hele Sanhedrin bijeen moesten komen. Hij liet Paulus naar het tempelgebouw brengen om voor hen te verschijnen.
Paulus wist dat het Sanhedrin deels uit Sadduceeën bestond en deels uit Farizeeën, en daarom riep hij hun toe: ‘Broeders, ik ben een Farizeeër uit een geslacht van Farizeeën, en ik sta hier terecht omwille van de verwachting dat de doden zullen opstaan!’
Toen hij dit gezegd had, ontstond er onenigheid tussen de Farizeeën en de Sadduceeën en raakte de vergadering verdeeld. De Sadduceeën beweren immers dat er geen opstanding is en dat engelen en geesten niet bestaan, maar de Farizeeën geloven zowel het een als het ander.
Er ontstond groot tumult, en enkele schriftgeleerden uit de kring van de Farizeeën stonden op en betoogden heftig: ‘Wij vinden dat deze man niets heeft misdaan! Het kan toch dat een geest of een engel met hem gesproken heeft?’
Toen de onenigheid nog toenam, vreesde de tribuun dat Paulus door de leden van het Sanhedrin verscheurd zou worden. Hij liet een afdeling soldaten komen om hem te ontzetten en hem terug te brengen naar de kazerne.
Die nacht kwam de Heer bij Paulus en zei: ‘Houd moed! Want zoals je in Jeruzalem getuigenis van mij hebt afgelegd, zo moet je ook in Rome van mij getuigen.’

 

Psalm 16, 1 + 2a + 5 + 7 + 8 + 9 + 10 + 11

Refr.: Behoed mij, God, ik schuil bij U.

Behoed mij, God, ik schuil bij U.
Ik zeg tot de Heer: U bent mijn Heer,
mijn geluk, niemand gaat U te boven.

Heer, mijn enig bezit, mijn levensbeker,
U houdt mijn lot in handen.

Ik prijs de Heer die mij inzicht geeft,
zelfs in de nacht spreekt mijn geweten.

Steeds houd ik de Heer voor ogen,
met Hem aan mijn zijde wankel ik niet.

Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn ziel,
mijn lichaam voelt zich veilig en beschut.

U levert mij niet over aan het dodenrijk
en laat uw trouwe dienaar het graf niet zien.

U wijst mij de weg naar het leven:
overvloedige vreugde in uw nabijheid,
voor altijd een lieflijke plek aan uw zijde.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 17, 20-26

Aan het slot van zijn hogepriesterlijk gebed, vraagt Jezus dat alle gelovigen mogen één zijn in broederlijke liefde. Deze eenheid is een deelname aan de eenheid die er is in God tussen Vader, Zoon en Geest. Jezus is ervoor gestorven. Wat doen wij voor de realisatie van die eenheid ?

Jezus sloeg zijn ogen op naar de hemel en zei:
‘Ik bid niet alleen voor hen, maar voor allen die door hun verkondiging in mij geloven.
Laat hen allen één zijn, Vader. Zoals U in mij bent en Ik in U, laat hen zo ook in ons zijn, opdat de wereld gelooft dat U mij hebt gezonden.
Ik heb hen laten delen in de grootheid die U mij gegeven hebt, opdat zij één zijn zoals wij: Ik in hen en U in mij. Dan zullen zij volkomen één zijn en zal de wereld begrijpen dat U mij hebt gezonden, en dat U hen liefhad zoals U mij liefhad.
Vader, U hebt hen aan mij geschonken, laat hen dan zijn waar Ik ben. Dan zullen zij de grootheid zien die U mij gegeven hebt omdat U mij al liefhad voordat de wereld gegrondvest werd.
Rechtvaardige Vader, de wereld kent U niet, maar Ik ken U, en zij weten dat U mij hebt gezonden.
Ik heb hun uw Naam bekendgemaakt en dat zal Ik blijven doen, zodat de liefde waarmee U mij liefhad in hen zal zijn en Ik in hen.’

Lezingen van de dag – woensdag 16 mei 2018


woensdag in de 7e paasweek


Uit de Handelingen van de Apostelen 20, 28-38

Mensen die in de Kerk gezag dragen, moeten hun medemensen gezamelijk naar God begeleiden, en Christus in hun gemeenschap gestalte geven. Ze moeten hun medemensen bemoedigen, hun leven delen, zich aan hen geven, niet zichzelf maar Jezus zoeken. Zo klinken Paulus’ afscheidswoorden aan de gezagsdragers van de kerk te Efeze. Ze blijven waar en actueel.

Paulus sprak tot de oversten van de kerk van Efeze:
‘Zorg voor uzelf en voor de hele kudde waarover de heilige Geest u als herder heeft aangesteld; u bent de opzieners van Gods gemeente, die Hij verworven heeft door het bloed van zijn eigen Zoon. Ik weet dat er na mijn vertrek woeste wolven bij u zullen binnendringen, die de kudde niet zullen ontzien. Uit uw eigen kring zullen mensen voortkomen die de waarheid verdraaien om de leerlingen voor zich te winnen. Wees daarom waakzaam en vergeet niet hoe ik ieder van u drie jaar lang dag en nacht onder tranen steeds weer raad heb gegeven.
Nu vertrouw ik u toe aan God en aan het evangelie van zijn genade, dat onze gemeenschap kan opbouwen en dat het beloofde erfdeel zal schenken aan allen die Hem toebehoren.
Geld of kleding heb ik van niemand verlangd; u weet wel dat ik eigenhandig heb voorzien in mijn levensonderhoud en dat van mijn metgezellen. In alles heb ik u getoond dat u de zwakken zo, door hard te werken, moet steunen, indachtig de woorden van de Heer Jezus, die immers gezegd heeft: “Geven maakt gelukkiger dan ontvangen.”’
Toen hij uitgesproken was, knielde hij samen met de aanwezigen neer om te bidden. Niemand kon zijn tranen bedwingen. Allen vielen ze Paulus om de hals en kusten hem. Ze waren vooral zo ontdaan omdat hij gezegd had dat ze hem niet terug zouden zien. Toen deden ze hem uitgeleide naar het schip.

 

Psalm 68, 29 + 30 + 33 + 34 + 35 + 36

Refr.: Geprezen zij God !

Ontplooi uw macht, o God,
de macht die U, God, ons altijd toonde,
vanuit uw tempel die boven Jeruzalem oprijst.
Laten koningen U schatting brengen.

Voor Hem die rijdt door de hoogste, eeuwige hemel.
Hoor, zijn stem is een machtige stem.
Erken Gods macht: zijn majesteit heerst over Israël,
zijn macht reikt tot boven de wolken.

Erken Gods macht: zijn majesteit heerst over Israël,
zijn macht reikt tot boven de wolken.
Ontzagwekkend bent U, God, in uw heiligdom.

De God van Israël, Hij geeft macht
en nieuwe kracht aan zijn volk.
Geprezen zij God !

 

Uit het evangelie volgens Johannes 17, 11b-19

Jezus bidt tot de Vader voor eenheid, liefde, vreugde, geloof onder hen, die Hem willen volgen. Wij moeten ook zo leren bidden: voor elkaars trouw aan het evangelie en aan de persoon van Jezus.

Jezus sloeg zijn ogen op naar de hemel en zei:
‘Heilige Vader, bewaar hen door uw Naam, de Naam die U ook aan mij gegeven hebt, zodat zij één zijn zoals wij één zijn.
Zolang Ik bij hen was heb Ik hen door uw Naam, die U mij gegeven hebt, bewaard en over hen gewaakt: geen van hen is verloren gegaan behalve hij die verloren moest gaan, opdat de Schrift in vervulling ging.
Nu kom Ik naar U toe, en Ik zeg dit terwijl Ik nog in de wereld ben, opdat zij vervuld worden van mijn vreugde.
Ik heb hun uw woord gegeven. De wereld haat hen, omdat ze niet bij de wereld horen, zoals ook Ik niet bij de wereld hoor.
Ik vraag niet of U hen uit de wereld weg wilt nemen, maar of U hen wilt beschermen tegen de duivel.
Ze horen niet bij de wereld, zoals Ik niet bij de wereld hoor.
Heilig hen dan door de waarheid. Uw woord is de waarheid.
Ik zend hen naar de wereld, zoals U mij naar de wereld hebt gezonden.
Ik heb mij geheiligd omwille van hen, zo zullen ook zij door de waarheid geheiligd zijn.’

Lezingen van de dag – dinsdag 15 mei 2018


dinsdag in de 7e paasweek


Uit de Handelingen van de Apostelen 20, 17-27

Het geestelijk testament van Paulus is een oproep tot elkeen die verantwoordelijkheid draagt in de Kerk. Tevens is het een uitnodiging aan elke christen, om nooit zichzelf, maar altijd Jezus en God te zoeken, ook in de anderen. Paulus is steeds bekommerd geweest om de boodschap van Jezus. Hij heeft zich door die boodschap laten verteren als door een vuur: Paulus is liefde geworden voor alles en allen.

Vanuit Milete stuurde Paulus iemand naar Efeze met het verzoek aan de oudsten van de gemeente om bij hem te komen. Toen ze waren gearriveerd, sprak hij hen als volgt toe:
‘U weet hoe ik te midden van u geleefd heb, vanaf de eerste dag dat ik in Asia was: ik heb de Heer in alle nederigheid gediend en heb al het verdriet en de beproevingen als gevolg van de samenzweringen van de Joden doorstaan. U weet ook dat ik alles bekend heb gemaakt wat uw welzijn ten goede komt en dat ik u daarover in het openbaar en thuis heb onderricht. Zowel Joden als Grieken heb ik opgeroepen zich te bekeren tot God en te geloven in Jezus, onze Heer.
Nu ben ik op weg naar Jeruzalem, gedreven door de Geest, zonder te weten wat me daar te wachten staat, behalve dan dat de heilige Geest me in iedere stad verzekert dat gevangenschap en vervolging mijn deel zullen zijn. Ik hecht echter niet de minste waarde aan het behoud van mijn leven, als ik mijn levenstaak maar kan voltooien en de opdracht uitvoeren die ik van de Heer Jezus ontvangen heb: getuigen van het evangelie van Gods genade.
Ik weet dat niemand van u, aan wie ik op mijn reizen het koninkrijk heb verkondigd, mij terug zal zien. Daarom verklaar ik hier op deze dag dat ik voor niemands ondergang verantwoordelijk ben; ik heb immers mijn uiterste best gedaan om u vertrouwd te maken met Gods wil.’

 

Psalm 68, 10 + 11 + 20 + 21

Refr.: Geprezen zij de Heer, dag aan dag.

U liet een milde regen neerdalen, God,
en schonk uw uitgeput land nieuwe kracht.

Uw kleine kudde ging er wonen,
in uw goedheid, God, gaf U het aan de zwakken.

Geprezen zij de Heer, dag aan dag,
deze God draagt ons en redt ons.

Onze God is een reddende God.
Bij God, de Heer, is bevrijding uit de dood.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 17, 1-11

Jezus’ gebed is als het ware een geestelijk testament. Hij roept ons op tot trouw aan onze zending: God brengen in onze wereld. God staat aan het begin en aan het einde van ons leven.

Jezus sloeg zijn ogen op naar de hemel en zei:
‘Vader, nu is de tijd gekomen, toon nu de grootheid van uw Zoon, dan zal de Zoon uw grootheid tonen.
Hij heeft van U macht over alle mensen ontvangen, de macht om iedereen die U Hem gegeven hebt het eeuwige leven te schenken.
Het eeuwige leven, dat is dat zij U kennen, de enige ware God, en Hem die U gezonden hebt, Jezus Christus.
Ik heb op aarde uw grootheid getoond door het werk te volbrengen dat U mij opgedragen hebt.
Vader, verhef mij nu tot uw majesteit, tot de grootheid die Ik bij U had voordat de wereld bestond.
Ik heb aan de mensen die U mij uit de wereld gegeven hebt uw Naam bekendgemaakt. Zij waren van U, maar U hebt hen aan mij gegeven. Ze hebben uw woord bewaard, en nu begrijpen ze dat alles wat U mij hebt gegeven, van U komt.
Ik heb de woorden die Ik van U ontvangen heb aan hen doorgegeven, zij hebben ze aanvaard en nu weten ze echt dat Ik van U gekomen ben, en ze geloven dat U mij hebt gezonden.
Ik bid voor hen. Ik bid niet voor de wereld, maar voor de mensen die U mij hebt gegeven, omdat zij van U zijn – alles wat van mij is, is van U, en alles wat van U is, is van mij – en omdat in hen mijn grootheid zichtbaar geworden is.
Ik ben al niet meer in de wereld, Ik ga naar U toe, maar zij blijven wel in de wereld.
Heilige Vader, bewaar hen door uw Naam, de Naam die U ook aan mij gegeven hebt, zodat zij één zijn zoals wij één zijn.

Lezingen van de dag – maandag 14 mei 2018


H. Mattias – Apostel

feest  –  eigen lezingen


Bij sport en spel is een invaller meestel iemand die net niet goed genoeg is om bij de eerste ploeg te spelen. Wellicht bekijken we Mattias op die manier. Het lot was hem echter gunstig gezind. Hij mocht in de kring van de apostelen treden om Judas te vervangen. Toch is het niet toevallig gebeurd. Mattias behoorde tot een vaste kern van mensen die zeer nauw met Jezus samenleefden. Geen groep van dienaren, maar van vrienden, ontvankelijk voor de blijde boodschap en aan wie Jezus alles vertelde wat Hij van de Vader had gehoord.


Uit de Handelingen van de Apostelen 1, 15-17 + 20-26

Het lot viel op Mattias. Hij werd toegevoegd aan de groep van de elf apostelen.

In die dagen stond Petrus op te midden van de leerlingen – er was een groep van ongeveer honderdtwintig mensen bijeen – en zei: ‘Broeders en zusters, het schriftwoord waarin de heilige Geest bij monde van David heeft gesproken over Judas, de gids van hen die Jezus gevangen hebben genomen, moest in vervulling gaan. Judas was een van ons en had deel aan onze dienende taak. In het boek van de Psalmen staat namelijk geschreven: “Laat zijn woonplaats een woestenij worden en laat niemand daar meer verblijven.” En ook: “Laat een ander zijn taak overnemen.” Daarom moet een van de mannen die steeds bij ons waren toen de Heer Jezus onder ons verkeerde, vanaf de doop door Johannes tot de dag waarop hij in de hemel werd opgenomen, samen met ons getuigen van zijn opstanding.’
Ze stelden twee kandidaten voor: Josef Barsabbas, die de bijnaam Justus had, en Mattias.
Daarna baden ze als volgt: ‘U, Heer, doorgrondt ieders gedachten. Wijs van deze beide mannen degene aan die U gekozen hebt om als apostel zijn dienende taak te verrichten en de plaats in te nemen van Judas, die zijn ondergang tegemoet is gegaan.’
Ze lieten hen loten en het lot viel op Mattias. Hij werd aan de elf apostelen toegevoegd.

 

Psalm 113, 1-8

Refr.: Loof de Naam van de Heer.

Loof, dienaars van de Heer,
loof de Naam van de Heer.
De Naam van de Heer zij geprezen
van nu tot in eeuwigheid.

Van waar de zon opkomt tot waar zij ondergaat,
zij geloofd de naam van de Heer.
Verheven boven alle volken is de Heer,
verheven boven de hemel zijn luister.

Wie is gelijk aan de Heer, onze God,
die hoog daar boven zijn woning heeft,
die zijn oog richt naar beneden,
wie in de hemel en op de aarde ?

Hij verheft uit het stof wie berooid is,
uit het vuil tilt Hij op wie alles ontbeert.
Hij laat hem wonen bij hooggeplaatsten,
bij de hoogsten van zijn volk.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 15, 9-17

‘Jullie hebben niet mij uitgekozen, maar Ik jullie’.

Jezus sprak tot zijn leerlingen:
‘Ik heb jullie liefgehad, zoals de Vader mij heeft liefgehad. Blijf in mijn liefde: je blijft in mijn liefde als je je aan mijn geboden houdt, zoals Ik me ook aan de geboden van mijn Vader gehouden heb en in zijn liefde blijf. Dit zeg ik tegen jullie om je mijn vreugde te geven, dan zal je vreugde volkomen zijn.
Mijn gebod is dat jullie elkaar liefhebben zoals Ik jullie heb liefgehad.
Er is geen grotere liefde dan je leven te geven voor je vrienden. Jullie zijn mijn vrienden wanneer je doet wat Ik zeg.
Ik noem jullie geen slaven meer, want een slaaf weet niet wat zijn meester doet; vrienden noem Ik jullie, omdat Ik alles wat Ik van de Vader heb gehoord, aan jullie bekendgemaakt heb.
Jullie hebben niet mij uitgekozen, maar Ik jullie, en Ik heb jullie opgedragen om op weg te gaan en vrucht te dragen, blijvende vrucht.
Wat je de Vader in mijn naam vraagt, zal Hij je geven.
Dit draag Ik jullie op: heb elkaar lief.’

Lezingen van de dag – zondag 13 mei 2018


7e paaszondag – B


Uit de Handelingen van de Apostelen
1, 15-17 + 20a + 20c-26

Na het wegvallen van Judas moet de groep van de apostelen worden aangevuld. De twaalf, als een verwijzing naar de twaalf stammen van Israël, drukken de universaliteit van het nieuwe godsvolk uit. Men kiest iemand die getuige was van het optreden en de verrijzenis van Jezus, want dat zijn de fundamenten van de Kerk en van het apostolaat.

In die dagen stond Petrus op te midden van de leerlingen – er was een groep van ongeveer honderdtwintig mensen bijeen – en zei: ‘Broeders en zusters, het schriftwoord waarin de heilige Geest bij monde van David heeft gesproken over Judas, de gids van hen die Jezus gevangen hebben genomen, moest in vervulling gaan. Judas was een van ons en had deel aan onze dienende taak. In het boek van de Psalmen staat geschreven: “Laat een ander zijn taak overnemen.” Daarom moet een van de mannen die steeds bij ons waren toen de Heer Jezus onder ons verkeerde, vanaf de doop door Johannes tot de dag waarop Hij in de hemel werd opgenomen, samen met ons getuigen van zijn opstanding.’
Ze stelden twee kandidaten voor: Josef Barsabbas, die de bijnaam Justus had, en Mattias. Daarna baden ze als volgt: ‘U, Heer, doorgrondt ieders gedachten. Wijs van deze beide mannen degene aan die U gekozen hebt om als apostel zijn dienende taak te verrichten en de plaats in te nemen van Judas, die zijn ondergang tegemoet is gegaan.’
Ze lieten hen loten en het lot viel op Mattias. Hij werd aan de elf apostelen toegevoegd.

 

Psalm 103, 1-2 + 11-12 + 19-20ab

Refr.: Prijs de Heer, mijn ziel, vergeet niet één van zijn weldaden.

Prijs de Heer, mijn ziel,
prijs, mijn hart, zijn heilige Naam.
Prijs de Heer, mijn ziel,
vergeet niet één van zijn weldaden.

Zoals de hoge hemel de aarde overspant,
zo welft zich zijn trouw over wie Hem vrezen.
Zo ver als het oosten is van het westen,
zo ver heeft Hij onze zonden van ons verwijderd.

De Heer – zijn troon staat vast in de hemel,
als koning heerst Hij over alles.
Prijs de Heer, u die zijn boden bent,
sterke helden die doen wat Hij zegt.

 

Uit de eerste brief van Johannes 4, 11-16

God blijft in ons en wij in Hem door de liefde en door het geloof in zijn Zoon, wat een gave is van de Geest.

Geliefde broeders en zusters,
als God ons zo heeft liefgehad, moeten ook wij elkaar liefhebben.
Niemand heeft God ooit gezien. Maar als we elkaar liefhebben, blijft God in ons en is zijn liefde in ons ten volle werkelijkheid geworden.
Dat wij in Hem blijven en Hij in ons, weten we doordat Hij ons heeft laten delen in zijn Geest.
En we hebben zelf gezien waarvan we nu getuigen: dat de Vader zijn Zoon gezonden heeft als redder van de wereld.
Als iemand belijdt dat Jezus de Zoon van God is, blijft God in hem en blijft hij in God.
Wij hebben Gods liefde, die in ons is, leren kennen en vertrouwen daarop.
God is liefde. Wie in de liefde blijft, blijft in God, en God blijft in hem.

 

Alleluia.

De Heer keert naar de Vader,
opdat wij zouden vervuld worden
van zijn vreugde.

Alleluia.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 17, 11b-19

Op het ogenblik dat Hij deze wereld gaat verlaten, vraagt Jezus dat de Vader zijn leerlingen trouw, eenheid en vreugde geeft. Zoals de Vader zijn Zoon heeft gezonden, zo zendt nu de Zoon de apostelen in de wereld. Zij zullen op hun beurt getuigen van het woord van de waarheid.

In die tijd sloeg Jezus zijn ogen ten hemel en bad:
‘Heilige Vader, bewaar hen door uw naam, de naam die U ook aan Mij gegeven hebt, zodat zij één zijn zoals Wij één zijn. Zolang Ik bij hen was heb Ik hen door uw naam, die U Mij gegeven hebt, bewaard en over hen gewaakt: geen van hen is verloren gegaan behalve hij die verloren moest gaan, opdat de Schrift in vervulling ging.
Nu kom Ik naar U toe, en Ik zeg dit terwijl Ik nog in de wereld ben, opdat zij vervuld worden van mijn vreugde. Ik heb hun uw woord gegeven.
De wereld haat hen, omdat ze niet bij de wereld horen, zoals ook Ik niet bij de wereld hoor.
Ik vraag niet of U hen uit de wereld weg wilt nemen, maar of U hen wilt beschermen tegen de duivel. Ze horen niet bij de wereld, zoals Ik niet bij de wereld hoor.
Heilig hen dan door de waarheid. Uw woord is de waarheid.
Zoals U mij in de wereld gezonden hebt, zo zend Ik hen in de wereld, en omwille van hen wijd Ik mij aan U, opdat ook zij in de wereld aan U toegewijd mogen zijn.’