Lezingen van de dag – maandag 5 okt. 2015


Heilige (of feest) van de dag

Froilan van Leon (+ 1006)san_froilan2

Spanje; bisschop

Geboren in het Galicische plaatsje Lugo, trok hij zich op achttienjarige leeftijd in de eenzaamheid terug om monnik te worden. Volgelingen dienden zich aan en vormden al doende een kloostergemeenschap van Moreruela. Een van zijn leerlingen was de jonge Attilanus uit Tarragona († 1009) .
Tussen beide mannen ontstond een hechte vriendschap in de Heer: over en weer waren zij voor elkaar een steun en inspiratie op hun levensweg. Van zijn benoeming in 990 tot aan zijn dood in 1006 bevorderde hij het kloosterleven en was hij een toonbeeld van vrijgevigheid voor de armen.

MAANDAG IN WEEK 27 DOOR HET JAAR


Uit het boek Jona 1, 1 – 2, 1-11

De profeet Jona is een beeld van het volk Israël dat uitgezonden werd om alle volken voor God te winnen. Jona weigerde en trachtte zich te ontdoen van zijn taak. Het volk sloot zich op in zelfgenoegzaamheid en schuwde contacten met anderen. Maar God grijpt in en brengt hen tot inzicht.

Eens richtte de Heer zich tot Jona, de zoon van Amittai: ‘Maak je gereed en ga naar Nineve, die grote stad, om haar aan te klagen, want het kwaad dat ze daar doen is ten hemel schreiend.’
En Jona maakte zich gereed, maar vluchtte naar Tarsis, weg van de Heer. Hij ging naar Jafo en vond er een schip met bestemming Tarsis. Hij betaalde de overtocht en ging aan boord om mee te varen naar Tarsis, weg van de Heer.
Maar de Heer wierp een hevige storm op de zee, en de zee werd zo wild dat het schip dreigde te breken. De zeelieden werden bang, en ieder riep tot zijn eigen god om hulp. Ook gooiden ze, om het gevaar af te wenden, de lading in zee. Maar Jona was in het ruim van het schip afgedaald, was daar gaan liggen en in een diepe slaap gevallen. De schipper ging naar hem toe en zei tegen hem: ‘Wat lig jij hier te slapen! Sta op, roep je God aan! Misschien dat hij zich om ons bekommert, zodat we niet vergaan.’
Intussen overlegden de zeelieden: ‘Laten we het lot werpen om te weten te komen wiens schuld het is dat deze ramp ons treft.’ Ze wierpen het lot, en het lot viel op Jona.
Toen zeiden ze tegen hem: ‘Vertel ons: Hoe komt het dat deze ramp ons treft? Wat doe je hier aan boord? Waar kom je vandaan? Uit welk land kom je? Bij welk volk hoor je?’
Jona antwoordde: ‘Ik ben een Hebreeër en ik vereer de Heer, de God van de hemel, de God die de zee en het land gemaakt heeft.’
De mannen werden doodsbang, en toen ze van hem hoorden dat hij was weggevlucht van de Heer, zeiden ze tegen hem: ‘Hoe heb je dat kunnen doen?’ En ze vroegen hem: ‘Wat moeten we met je doen, dat de zee ons met rust laat?’ Want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger.
Hij antwoordde: ‘Gooi me in zee, dan zal de zee jullie met rust laten. Want ik weet dat het mijn schuld is dat deze storm zo tegen jullie tekeergaat.’
Maar de mannen roeiden uit alle macht om weer aan land te komen; dat lukte hun echter niet, want de zee ging steeds onstuimiger tegen hen tekeer.
Toen riepen ze tot de Heer: ‘Ach Heer, laat ons toch niet vergaan als wij het leven van deze man opofferen. Reken het ons niet aan als hier een onschuldige sterft. U bent de Heer, al wat U wilt dat doet U!’
Toen tilden ze Jona op en gooiden hem in zee, en de woede van de zee bedaarde.
De mannen werden vervuld met bang ontzag voor de Heer. Ze brachten Hem een offer en deden Hem geloften.
De Heer liet Jona opslokken door een grote vis. Drie dagen en drie nachten zat Jona in de buik van de vis.
Toen begon hij in de buik van de vis tot de Heer, zijn God, te bidden: ‘In mijn nood roep ik de Heer aan en Hij antwoordt mij. Uit het rijk van de dood schreeuw ik om hulp – U hoort mijn stem! U slingerde mij de diepte in, naar het hart van de zee. Door kolkend water ben ik omgeven, zwaar slaan uw golven over mij heen. Ik dacht: Verstoten ben ik, verbannen uit uw ogen. Maar eens zal ik opnieuw uw heilige tempel aanschouwen. Het water stijgt tot aan mijn lippen, muren van water storten op mij neer, zeewier om mijn hoofd verstikt mij. Ik zink tot de bodem, waar de bergen oprijzen, naar het rijk dat zijn grendels voorgoed achter mij sluit. Maar U trekt mij levend uit de dood omhoog, o Heer, mijn God! Nu mijn levensadem mij verlaat roep ik U aan, Heer, en mijn gebed komt tot U in uw heilige tempel. Zij die armzalige afgoden vereren, verlaten U, trouwe God. Maar ik zal mijn stem in dank verheffen en U offers brengen; mijn geloften los ik in. Het is de Heer die redt!’
Toen, op bevel van de Heer, spuwde de vis Jona uit op het land.

 

Jona 2, 3 + 4 + 5 + 8

Refr.: De Heer antwoordt mij.

In mijn nood roep ik de Heer aan
en Hij antwoordt mij. jonah-prophet-01
Uit het rijk van de dood schreeuw ik om hulp;
U hoort mijn stem !

U slingerde mij de diepte in,
naar het hart van de zee.
Door kolkend water ben ik omgeven,
zwaar slaan uw golven over mij heen.

Ik dacht: Verstoten ben ik,
verbannen uit uw ogen.
Maar eens zal ik opnieuw
uw heilige tempel aanschouwen.

Nu mijn levensadem mij verlaat
roep ik U aan, Heer,
en mijn gebed komt tot U
in uw heilige tempel.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 10, 25-37

De vraag van de wetgeleerde was ogenschijnlijk een zeer goede vraag: ‘Meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’ Jezus beantwoordt de gestelde vraag met een wedervraag, die de eerste vraag terug opneemt en tegelijk verbetert. Wij zijn de naaste van een ander als wij met hem meevoelen en hem daadwerkelijk helpen met al onze middelen.

Er kwam een wetgeleerde die Jezus op de proef wilde stellen. Hij vroeg: ‘Meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’
Jezus antwoordde: ‘Wat staat er in de wet geschreven? Wat leest u daar?’
De wetgeleerde antwoordde: ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf.’
‘U hebt juist geantwoord,’ zei Jezus tegen hem. ‘Doe dat en u zult leven.’
Maar de wetgeleerde wilde zich rechtvaardigen en vroeg aan Jezus: ‘Wie is mijn naaste?’
Toen vertelde Jezus hem het volgende: ‘Er was eens iemand die van Jeruzalem naar Jericho reisde en onderweg werd overvallen door rovers, die hem zijn kleren uittrokken, hem mishandelden en hem daarna halfdood achterlieten. Toevallig kwam er een priester langs, maar toen hij het slachtoffer zag liggen, liep hij met een boog om hem heen. Er kwam ook een Leviet langs, maar bij het zien van het slachtoffer liep ook hij met een boog om hem heen. Een Samaritaan echter, die op reis was, kreeg medelijden toen hij hem zag liggen. Hij ging naar de gewonde man toe, goot olie en wijn over zijn wonden en verbond ze. Hij zette hem op zijn eigen rijdier en bracht hem naar een logement, waar hij voor hem zorgde. De volgende morgen gaf hij twee denarie aan de eigenaar en zei: “Zorg voor hem, en als u meer kosten moet maken, zal ik u die op mijn terugreis vergoeden.” Wie van deze drie is volgens u de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers?’
De wetgeleerde zei: ‘De man die medelijden met hem heeft getoond.’
Toen zei Jezus tegen hem: ‘Doet u dan voortaan net zo.’

Van Woord naar leven

‘Wie is mijn naaste ?’, vroeg de wetgeleerde aan Jezus.

En dan horen we het verhaal van de man die beroofd werd en berooid werd achtergelaten. Enkele voorbijgangers lieten hem links liggen tot er toch één de zorg om de arme man op zich nam: de Samaritaan.

Wie is mijn naaste ? Wie is onze naaste ?
Wie ligt er vandaag de dag beroofd en berooid langs de kant van de weg ? Velen.
Zoveel mensen zijn gekwetst in zichzelf door hun eigen zonden, of door de zonden van een ander. Hoe dan ook, in wezen snakken ze naar vriendschap, naar liefde, naar vergeving, naar barmhartigheid. Ze zijn als het ware bedelaars naar liefde.

Wie kijkt met de ogen en het hart van Jezus zal deze gewonde mensen zien zitten langs de kant van het leven, hun handen en hart uitstrekkend naar waarachtigheid, naar warmte, naar iemand die hen spreekt (met of zonder woorden) over iets méér dan de zicht- en grijpbare dingen in het leven; gebaren die hen optillen, genezing brengen, zelfwaarde geven; gebaren die hen God tonen.

Laten we vooral niet te snel denken dat wij zelf niet langs de kant van de weg liggen. Ieder van ons draagt wonden in zich die roepen en schreeuwen om erbarmen.

Laten we als Kerk oog hebben voor elkaar, voor allen. Elke mens is immers kind van God dat uit zichzelf vraagt bemind te worden.

Ja, laat ons Blijde Boodschap voor elkaar zijn.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer,barmhartigheid
doorheen elke mens komt Gij naar ons toe als de goddelijke bedelaar die snakt naar Liefde. Geef dat wij U in iedere naaste mogen erkennen, ontmoeten en ontvangen. Dat ingaan op uw vraag naar Liefde deze wereld steeds mooier mag maken, in de diepe religieuze betekenis van het woord.
Om deze genade bidden we,
vandaag en alle dagen van ons leven.
Amen.