Lezingen van de dag – dinsdag 10 mei 2016


Heilige (of feest) van de dag

Damiaan de Veuster (+ 1889)damian_junger_priester

Damiaan de Veuster (geboren Jozef de Veuster) ss.cc., Molokai; missionaris

Jozef de Veuster werd op 3 januari 1840 geboren in het Belgische plaatsje Tremelo. Op dat moment heerste er hongersnood in Vlaanderen, omdat de oogsten mislukt waren. In het gezin was hij de zevende van acht kinderen. Vanaf zijn dertiende werkte hij mee op de boerderij. In die tijd trad zijn broer August in bij de Paters van de Heilige Harten (ook wel Picpus genoemd, naar de straat in Parijs waar het moederhuis staat); hij kreeg als kloosternaam Pamfilus, meestal vertrouwelijk Pamfiel genoemd. Vijf jaar later volgde Jozef zijn voorbeeld en kreeg de kloosternaam Damianus, kortweg Damiaan. Omdat hij geen Latijn en Grieks kende diende hij als werkbroeder in Leuven. Maar in de vrije uurtjes gaf Pamfiel hem bijles zodat hij na enige tijd toch toegelaten kon worden tot de priesteropleiding. Op 7 oktober 1860 legde hij in Parijs zijn kloostergeloften af.

In 1863 besloot de Congregatie de Hawaï-eilanden als missiegebied aan te nemen. Een van de zes paters die met een aantal zusters zouden worden uitgezonden, was Pamfiel. Op het beslissende moment werd hij ernstig ziek. Onmiddellijk bood Damiaan zich aan om zijn plaats in te nemen. Zo vertrok hij vanuit Bremerhaven voor een boottocht van 148 dagen naar Honolulu. Op 21 mei 1864 ontving hij de priesterwijding op één van de Hawaï-Eilanden, Kohala.

Nu werkte hij als missionaris op het platteland van Hawaï tussen arme boeren. Dat kende hij nog van thuis. Hoewel hij moeite had met de taal, aardde hij goed bij zijn mensen met zijn vierkante, stugge boerenkarakter. Hier kwam hij voor het eerst in aanraking met de verwoestende ziekte melaatsheid, waarvoor geen geneesmiddel bestond en die op Hawaï snel om zich heen greep. De regering besloot dan ook al die mensen bijeen te brengen en in quarantaine te plaatsen op het afgelegen eiland Molokaï. Toen de bisschop vroeg of er paters waren die daar voor enige tijd wilden werken, boden zich er vier aan. Damiaan werd aangewezen om er als eerste heen te gaan. Alwat hij meenam was zijn brevier.

Vanaf 10 mei 1873 deelde hij het leven van de melaatsen. Onder uiterst moeilijke omstandigheden probeerde hij aan deze vergeten groep mensen de troost en hoop van het evangelie te brengen. Intussen had hij de aandacht van de wereldpers op zich gevestigd. Van overal stroomden giften toe. Na enige tijd liet hij de bisschop weten dat hij wilde blijven: zijn plaats was onder de melaatsen. Daar wilde God hem hebben.

Met zijn mensen, die door de buitenwereld waren afgeschreven, probeerde hij een menswaardig bestaan op te bouwen. Naast het geestelijk dienstwerk van het toedienen van de sacramenten, godsdienstles geven, zieken bezoeken enzovoort, zorgde hij ook voor de organisatie van materiële en maatschappelijke voorzieningen. Zo legde hij een eerbiedig kerkhof aan, richtte een schamel ziekenhuisje in, droeg zorg voor scholing en onderwijs, en stelde zelfs een heuse fanfare samen. Soms kwamen er medebroeders of zusters om hem te helpen. Daar was hij met zijn rechtlijnig karakter bepaald niet goed in. Ook met zijn kloosteroversten lag hij herhaaldelijk overhoop. Drie jaar voor zijn dood gaf hij aan waar hij zijn kracht vandaan haalde; hij schreef: “Zonder de aanwezigheid van onze goddelijke Meester in mijn kleine kapel zou ik nooit mijn lot aan dat van de melaatsen van Molokaï voor altijd kunnen verbinden.”

In 1876 groeide bij hem het vermoeden dat hijzelf was aangetast door de melaatsheid. Gaandeweg openbaarde zich inderdaad de ziekte ook bij hem en deed zijn verwoestende werk. Na een verblijf van bijna zestien jaar stierf hij temidden van zijn mensen op 15 april 1889, nog geen vijftig jaar oud. De dag daarop werd hij begraven op het door hem zelf aangelegde kerkhof.

Hij wordt vereerd als ‘De apostel van de melaatsen’.

In 1936 werden zijn relieken naar de Picpuskerk in Leuven overgebracht. In die stad staat er zelfs een standbeeld van hem. In april 1969 kreeg hij zelfs een standbeeld in het Kapitool te Washington, USA: De vijftigste Amerikaanse staat, Hawaï, had hem uitgekozen om de eilanden in de congreszaal te vertegenwoordigen. Op 4 juni 1995 werd hij door paus Johannes Paulus II zalig verklaard en op 11 oktober 2009 heilig verklaard door paus Benedictus XVI.

foto_1235311140

dinsdag in de zevende Paasweek


Uit de Handelingen van de Apostelen 20, 17-27

Het geestelijk testament van Paulus is een oproep tot elkeen die verantwoordelijkheid draagt in de Kerk. Tevens is het een uitnodiging aan elke christen, om nooit zichzelf, maar altijd Jezus en God te zoeken, ook in de anderen. Paulus is steeds bekommerd geweest om de boodschap van Jezus. Hij heeft zich door die boodschap laten verteren als door een vuur: Paulus is liefde geworden voor alles en allen.

Vanuit Milete stuurde Paulus iemand naar Efeze met het verzoek aan de oudsten van de gemeente om bij hem te komen. Toen ze waren gearriveerd, sprak hij hen als volgt toe:
‘U weet hoe ik te midden van u geleefd heb, vanaf de eerste dag dat ik in Asia was: ik heb de Heer in alle nederigheid gediend en heb al het verdriet en de beproevingen als gevolg van de samenzweringen van de Joden doorstaan. U weet ook dat ik alles bekend heb gemaakt wat uw welzijn ten goede komt en dat ik u daarover in het openbaar en thuis heb onderricht. Zowel Joden als Grieken heb ik opgeroepen zich te bekeren tot God en te geloven in Jezus, onze Heer.
Nu ben ik op weg naar Jeruzalem, gedreven door de Geest, zonder te weten wat me daar te wachten staat, behalve dan dat de heilige Geest me in iedere stad verzekert dat gevangenschap en vervolging mijn deel zullen zijn. Ik hecht echter niet de minste waarde aan het behoud van mijn leven, als ik mijn levenstaak maar kan voltooien en de opdracht uitvoeren die ik van de Heer Jezus ontvangen heb: getuigen van het evangelie van Gods genade.
Ik weet dat niemand van u, aan wie ik op mijn reizen het koninkrijk heb verkondigd, mij terug zal zien. Daarom verklaar ik hier op deze dag dat ik voor niemands ondergang verantwoordelijk ben; ik heb immers mijn uiterste best gedaan om u vertrouwd te maken met Gods wil.’

 

Psalm 68, 10 + 11 + 20 + 21

Refr.: Geprezen zij de Heer, dag aan dag.Resurrection-Icon

U liet een milde regen neerdalen, God,
en schonk uw uitgeput land nieuwe kracht.

Uw kleine kudde ging er wonen,
in uw goedheid, God, gaf U het aan de zwakken.

Geprezen zij de Heer, dag aan dag,
deze God draagt ons en redt ons.

Onze God is een reddende God.
Bij God, de Heer, is bevrijding uit de dood.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 17, 1-11

Jezus’ gebed is als het ware een geestelijk testament. Hij roept ons op tot trouw aan onze zending: God brengen in onze wereld. God staat aan het begin en aan het einde van ons leven.

Jezus sloeg zijn ogen op naar de hemel en zei:
‘Vader, nu is de tijd gekomen, toon nu de grootheid van uw Zoon, dan zal de Zoon uw grootheid tonen.
Hij heeft van U macht over alle mensen ontvangen, de macht om iedereen die U Hem gegeven hebt het eeuwige leven te schenken.
Het eeuwige leven, dat is dat zij U kennen, de enige ware God, en Hem die U gezonden hebt, Jezus Christus.
Ik heb op aarde uw grootheid getoond door het werk te volbrengen dat U mij opgedragen hebt.
Vader, verhef mij nu tot uw majesteit, tot de grootheid die Ik bij U had voordat de wereld bestond.
Ik heb aan de mensen die U mij uit de wereld gegeven hebt uw Naam bekendgemaakt. Zij waren van U, maar U hebt hen aan mij gegeven. Ze hebben uw woord bewaard, en nu begrijpen ze dat alles wat U mij hebt gegeven, van U komt.
Ik heb de woorden die Ik van U ontvangen heb aan hen doorgegeven, zij hebben ze aanvaard en nu weten ze echt dat Ik van U gekomen ben, en ze geloven dat U mij hebt gezonden.
Ik bid voor hen. Ik bid niet voor de wereld, maar voor de mensen die U mij hebt gegeven, omdat zij van U zijn – alles wat van mij is, is van U, en alles wat van U is, is van mij – en omdat in hen mijn grootheid zichtbaar geworden is.
Ik ben al niet meer in de wereld, Ik ga naar U toe, maar zij blijven wel in de wereld.
Heilige Vader, bewaar hen door uw Naam, de Naam die U ook aan mij gegeven hebt, zodat zij één zijn zoals wij één zijn.

Van Woord naar leven

Vandaag horen we in de eerste lezing Paulus zeggen: ‘Nu ben ik op weg naar Jeruzalem, gedreven door de Geest, zonder te weten wat me daar te wachten staat, behalve dan dat de heilige Geest me in iedere stad verzekert dat gevangenschap en vervolging mijn deel zullen zijn. Ik hecht echter niet de minste waarde aan het behoud van mijn leven, als ik mijn levenstaak maar kan voltooien en de opdracht uitvoeren die ik van de Heer Jezus ontvangen heb: getuigen van het evangelie van Gods genade.’

Wanneer men hoort dat een koppel een kindje verwacht zegt de omgeving dikwijls: ‘Als het kind maar gezond is, da’s het voornaamste’. Op zich is dat natuurlijk een mooie wens. Elke ouder hoopt ook dat zijn kind gezond is. Ouders van wie het kind voortdurend ziek is, of waarvan het kind een handicap draagt, dragen soms een diep lijden in zich dat we niet moeten onderschatten.

En toch… we moeten ons durven de vraag stellen of de gezondheid van een mens het aller belangrijkste is in zijn of haar leven.
In onze samenleving heeft men de mond vol van gezondheid en lichamelijkheid. Maar over het volbrengen van Gods wil wordt amper gesproken. En daarmee zeg ik niet dat gezondheid en lichamelijkheid geen belang zouden hebben, maar wat heeft men aan het voortdurend behartigen van deze dingen terwijl men de vraag naar Gods wil amper stelt.

Eigenlijk zouden we moeten zoeken naar eenheid in deze zaken. Gezondheid en lichamelijkheid kunnen beleefd worden in God en krijgen zo hun plaats in het volbrengen van Gods wil. Een minder goede gezondheid kan ook een springplank zijn of worden naar het vinden en volbrengen van Gods wil.

Laten we in ons leven de wil van God zien als het hoogste goed. En moge al het andere ten dienste staan van dat.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer God,herzkreuz
geef ons een hart dat aanvoelt wat Gij met ons leven wil. Moge al het andere: gezondheid, ziekte, vreugde en lijden, ten dienste staan van uw wil. Kom met uw heilige Geest over ieder van ons, opdat wij uw liefde mogen verstaan zoals Gij ze aan ons meedeelt. Amen.