Lezingen van de dag – dinsdag 13 juni 2017


Heilige (of feest) van de dag

Antonius van Padua († 1231)

Antonius van Padua (oorspronkelijk Fernando van Coïmbra) ofm, Italië; kerkleraar

Antonius heette aanvankelijk Fernando. Hij was afkomstig uit de Portugese hoofdstad Lissabon en schijnt nog af te stammen van Godfried van Bouillon. Op 15-jarige leeftijd trad hij toe tot de kanunniken met de regel van Sint-Augustinus. Twee jaar later verhuisde hij naar de Augustijner vestiging in Coïmbra. Toen acht jaar later een aantal enthousiaste monniken uit de nieuwe orde van Franciscus langstrokken om in Marokko door middel van prediking en naastenliefde de Moren te gaan bekeren, sloot hij zich bij hen aan. Om zijn nieuwe leven te markeren, noemde hij zich naar de vader van de woestijnmonniken: Antonius.

In Noord-Afrika werd hij ernstig ziek. Onverrichter zake toog hij naar Noord-Italië. Juist op het moment dat Franciscus daar al zijn medebroeders aan het verzamelen was. Hoewel Antonius in Portugal een begaafd predikant was geweest, hield hij zich nu zo bescheiden op de achtergrond dat hij in een kloostertje de meest eenvoudige karweitjes kreeg op te knappen. Zijn huisgenoten meenden zelfs dat hij niet helemaal bij zijn verstand was.

Zijn gaven kwamen aan het licht, toen bij een grote kerkelijke plechtigheid de feestpredikant plotseling verstek liet gaan. In verlegenheid, omdat niemand op zo’n hoge feestdag met veel bezoekers, waaronder vele hooggeplaatste, onvoorbereid het woord wilde nemen, wees iemand gekscherend op Antonius: “We kunnen altijd nog Antonius er op af sturen…” In zijn nederigheid nam Antonius deze opmerking aan als een bevel. Hoe zenuwachtig de anderen ook probeerden uit te leggen dat het maar een grapje was geweest, hij was er niet meer van af te brengen, en hield zo’n gloedvolle predikatie dat hij onmiddellijk door Franciscus uit preken werd gestuurd tot in de wijde omtrek, zelfs tot in Zuid-Frankrijk en Noord-Spanje aan toe.

Naar het schijnt was hij eens bijzonder teleurgesteld over de lauwe houding van de gelovigen te Rimini. Om hen beschaamd te doen staan, trok hij naar het strand om dan in godsnaam maar voor de vissen te preken: die zouden tenminste wel luisteren. En zo was het. Zodra hij het woord richtte tot de golven van de zee, kwamen van alle kanten vissen aanzwemmen en stelden zich in rijen voor hem op, de kleintjes helemaal vooraan in het ondiepe water, de grotere op de achterste rijen. Door met hun staart bewegingen in het water te maken, gaven ze hun instemming met Antonius’ woorden te kennen.

In dezelfde geest is de legende van de ezel.

Legende met de ezel
Antonius leefde in de tijd dat de ketterij der Albigenzen zich wijd had verspreid. De Albigenzen loochenden de godheid van Christus, en geloofden ook niet in de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de eucharistie. Antonius trad in zijn preken herhaaldelijk tegen hen op: “Op het altaar gebeurt de wezensverandering van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus. Het lichaam dat door de maagd ter wereld werd gebracht, dat aan het kruis hing, dat in het graf lag, dat op de derde dag verrees, dat naar de rechterhand van de Vader opsteeg: dat lichaam wordt dagelijks door de priester geconsacreerd en aan de gelovigen uitgereikt.” Een leider der Albigenzen bleef echter ontkennen. Daarop koos Antonius een wel heel opmerkelijke manier om de man te overtuigen. Hij wilde wedden, dat de ezel van de Albigens wel eerbied aan de hostie zou betuigen waar zijn meester dat niet deed! Om te beginnen kreeg het dier drie dagen geen eten meer. Daarop werd de voerbak tot de rand gevuld. Nu hield Antonius het dier de heilige hostie voor. Het liet zijn voerbak voor wat die was en ging onmiddellijk door de knieën om zijn eerbied te betuigen. Waarop de ketter zich inderdaad bekeerde.

Antonius is patroon van Padua, Lissabon, Paderborn en Hildesheim. Daarnaast van de verloren voorwerpen; van de franciscanen; van verliefden, echtelieden en huwelijkspartners; van vrouwen en kinderen; van de armen; van de reizigers; van bakkers (Antoniusbrood), en van bergbewoners. Zijn voorspraak wordt ingeroepen voor een voorspoedige bevalling, tegen onvruchtbaarheid, koorts, en veeziekten; tegen schipbreuk, oorlogsellende en tegen de pest. Daarnaast  geldt hij als patroon voor helpers in de nood en van de huisdieren paard en ezel (de laatste vanwege het hostiewonder). In vroeger tijden was de dinsdag bijzonder aan hem toegewijd.

Antonius van Padua als patroon van verloren zaken
Antonius van Padua is bij uitstek de patroon van de verloren voorwerpen. Een bekend rijmpje zingt: “Heilige Antonius, beste vrind; maak dat ik mijn [hier verloren voorwerp invoegen] vind.” Overigens tekent Erasmus in diens Enchiridion (66) aan, dat deze functie vroeger door de H. Jeroen van Noordwijk werd vervuld, omdat hij er ooit voor had gezorgd, dat een inwoner van Noordwijk zijn gestolen paarden op wonderbare wijze had teruggekregen. Erasmus merkt overigens nog op dat in zijn dagen diezelfde rol bij de Fransen door de apostel Paulus werd vervuld.

Is er nog een omstandigheid in het leven van Antonius aan te wijzen waarop zijn patronaat van verloren voorwerpen wordt teruggevoerd? Het schijnt dat hij eens een bijzonder kostbaar boek kwijt was: een door hem zelf afgeschreven psalmenboek voorzien van aantekeningen die hij had gemaakt met het oog op de lessen welke hij aan zijn medebroeders in opleiding gaf. In die tijd zijn alle boeken vrucht van – letterlijk – monnikenarbeid: met de hand afgeschreven, vaak met versierde letters, soms met verluchtingen; zoiets vormde een kapitaal, nog afgezien van de emotionele waarde, daar het immers hier Antonius’ werkexemplaar was, waaruit hij bad, mediteerde en studeerde. Antonius was door dit verlies zo in verlegenheid gebracht dat hij vurig bad om het verloren voorwerp weer terug te krijgen. Niet lang daarna werd het keurig bij hem terug bezorgd: een novice die een paar dagen tevoren was uitgetreden, had het meegenomen, maar was zo door spijt achtervolgd, dat hij het eigener beweging weer terug kwam brengen.

Overigens bestaat er nog een ander verklaring voor Antonius’ patronaat. In een middeleeuwse tekst zou hij geprezen zijn om zijn krachtdadige predikaties. Daaraan werd de conclusie verbonden, dat hij onder de mensen de verloren zeden weer terugbracht; in het Latijn: ‘mores perditos’. Bij het overschrijven van die tekst zou een monnik zich hebben verschreven en in plaats van ‘mores’ ‘res perditos’ hebben genoteerd: ‘verloren zaken’.

Antonius wordt afgebeeld in bruine franciscaner pij; met lelie (maagdelijkheid) en een boek waarop het Christuskind zit. Het verhaal zegt namelijk dat hij, toen hij al ernstig verzwakt was, zich had laten overhalen om zich op het landgoed van een bevriende graaf, Tiso, te laten verzorgen. Op een avond zag Tiso door de kieren van Antonius’ kamertje een zeer fel licht schijnen. Vrezend dat er brand was, gooide hij de deur open. Daar zag hij tot zijn verbijstering Antonius staan met een stralend kind op zijn arm. Van dat kind kwam het felle licht af. Toen even later alles weer gewoon was, vroeg Antonius aan zijn vriend hier nooit met iemand over te praten. Dat beloofde Tiso, maar achtte zich van die belofte ontslagen na Antonius’ dood.

maandag in week 10 door het jaar


Uit de tweede brief van Paulus aan de Korintiërs 1, 18-22

Paulus verdedigt zich tegenover de Korintiërs. Zij beschuldigden hem van onstandvastigheid. Hij beroept zich daarbij op Gods trouw in Christus en op de trouw van de apostelen. Hun optreden kende geen onstandvastigheid: in hen was slechts één ja.

Broeders en zusters,
zo waar God trouw is, wanneer ik ja tegen u zeg bedoel ik ook ja, niet nee. De Zoon van God, Jezus Christus, die wij, Silvanus, Timoteüs en ik, aan u verkondigd hebben, was immers ook niet iemand die ja zei en nee bedoelde. Hij belichaamt het ja. In Hem worden alle beloften van God ingelost; en daarom is het ook door Hem dat we amen zeggen, tot Gods eer.
Het is God die u en ons Christus als fundament geeft, die ons allen heeft gezalfd, heeft gewaarmerkt als zijn eigendom en ons als voorschot de Geest gegeven heeft.

 

Psalm 119, 129 + 130 + 131 + 132 + 133 + 135

Refr.: Heer, keer U tot mij en wees mij genadig.

Uw richtlijnen zijn voor mij een wonder,
daarom volg ik ze met heel mijn hart.

Als uw woorden opengaan, is er licht
en inzicht voor de eenvoudigen.

Dorstig opent zich mijn mond,
zo hunker ik naar uw geboden.

Keer U tot mij en wees mij genadig,
dat is het voorrecht van wie uw naam bemint.

Stuur mijn gangen zoals U hebt beloofd,
lever mij niet uit aan de macht van het kwaad;

Laat het licht van uw gelaat over mij schijnen,
onderwijs uw dienaar in uw wetten.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 5, 13-16

De leerlingen van Christus worden het zout van de aarde en het licht van de wereld genoemd. Zoals het zout het voedsel smaak geeft, moeten zij de wereld de smaak van de liefde geven. Deze zorg om het Rijk Gods zal hen van binnenuit stuwen tot getuigenis, tot een licht zijn voor de wereld.

Jezus sprak tot zijn leerlingen:
‘Jullie zijn het zout van de aarde. Maar als het zout zijn smaak verliest, hoe kan het dan weer zout gemaakt worden? Het dient nergens meer voor, het wordt weggegooid en vertrapt.
Jullie zijn het licht in de wereld. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. Men steekt ook geen lamp aan om hem vervolgens onder een korenmaat weg te zetten, nee, men zet hem op een standaard, zodat hij licht geeft voor ieder die in huis is. Zo moet jullie licht schijnen voor de mensen, opdat ze jullie goede daden zien en eer bewijzen aan jullie Vader in de hemel.’

Van Woord naar leven

‘Jullie zijn het zout van de aarde’, horen we Jezus vandaag zeggen.

Wij hebben hier thuis de gewoonte om – weliswaar met een bakmachine – ons dagelijks brood zelf te bakken. Een goed afgewogen mengeling van bloem, gist, boter, zout en water… een dagelijkse handeling zonder na te denken.
Doch onlangs was ik zout vergeten. Uiterlijk zag je aan het brood geen verschil, maar wanneer ik het sneed merkte ik al snel wel het verschil: het viel uit elkaar én je kan wel raden dat de smaak naargelang was: uiterst flauw.

Jezus vergelijkt ons, mensen, met zout. Wij moeten zout voor de aarde zijn, zout voor de mensheid, zout voor de samenleving, zout voor onze gezinnen, zout in onze gemeenschappen, zout op de werkvloer, zout voor de klas, zout naar de buren toe, zout op de tram,…
Ieder van ons is geroepen smaak te geven aan het leven, ten gunste van allen die God ons toevertrouwt. We moeten geen angst hebben warme mensen te zijn voor elkaar; niet flauw maar gemeend en hartelijk. We mogen teder zijn naar elkaar, diep vriendelijk, genegen, meevoelend, vreugdevol met hen die blij zijn, meelijdend met hen die pijn dragen. We mogen vergeven, werken aan verzoening, niet deelnemen aan kwaadsprekerij of roddel.

Laten we elkaar zo nabij zijn dat het beste in ieder van ons naar boven kan komen, zodat elkeen kan openbloeien met zijn talenten en gaven, zijn mogelijkheden om van onze samenleving een gemeenschap te maken waar het goed is om leven.

Ja lieve mensen, laten we zout zijn voor elkaar. Doe het in eenheid met Jezus. Dan ben je in goed gezelschap, én mag je zeker zijn dat het zout gezegend is en goede vruchten zal opleveren.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer Jezus,
leer ons zout te zijn op aarde, smaakvol voor ieder. Moge die smaak vooral de belichaming zijn van uw liefde. Moge de heilige Geest ons daartoe enthousiasmeren, ons de spirit geven, de goesting om warm in het leven te staan, mét U Gods liefde gevend naar allen die Hij ons toevertrouwt. Alle dagen van ons leven. Amen.