Lezingen van de dag – dinsdag 13 september 2016


Heilige (of feest) van de dag

Johannes Chrysostomus († 407)5856e182-1075-4776-b38d-e37361428f55

Constantinopel, Klein-Azië; bisschop, kerkvader & kerkleraar

Johannes werd geboren te Antiochië, Syrië, in het jaar 347. Hij verloor als klein kind al zijn vader. Zijn moeder, Anthusa geheten, was christin; ze bracht hem de eerste beginselen van het geloof bij, maar liet hem niet dopen. Daar zou hij als volwassene zelf voor moeten kiezen.

Johannes kreeg een opleiding tot rhetor. Welsprekendheid was in zijn tijd misschien wel het belangrijkste vak om verder te komen in de wereld: je moest het woord kunnen voeren. Omdat hij een hoogbegaafd spreker was, vlug van begrip en glad van de tongriem gesneden, leek er voor hem een prachtige politieke carrière weggelegd. Maar tijdens zijn studies was hij gaan ontdekken dat de christelijke geloofsleer eigenlijk de enige levensbeschouwing was die iets te vertellen had over alle facetten van het leven, inclusief de kennis van het goddelijke, de zichtbare en onzichtbare wereld, de wetenschap, de vragen rond goed en kwaad en je eigen persoon.

Hij trok zich als monnik terug in de eenzaamheid om God te zoeken en beter te leren kennen. Van daaruit werd hij in 398 tegen zijn zin door patriarch Theofilus van Alexandrië († 412) geroepen om Sint Nectarius († 397) op te volgen als patriarch van Constantinopel, destijds de hoofdstad van het Oost-Romeinse Rijk. In die hoedanigheid herzag hij de Griekse liturgie en besteedde hij veel aandacht aan bijbeluitleg. Hij had een grote bewondering voor Sint Paulus. Volgens zeggen zou deze hem dan ook meermalen verschenen zijn om hem te helpen bij de interpretatie van moeilijke passages in de Heilige Schrift.

In zijn preken en geschriften, waarvan er vele bewaard zijn gebleven, wist hij te zeggen waar het op stond. De zuiverheid van geloof en zeden ging hem boven alles. Hij joeg daarmee keizerin Eudoxia tegen zich in het harnas. Tot tweemaal toe wist zij gedaan te krijgen dat hij in ballingschap moest. Ongebroken ijverde Johannes voor de verbreiding van de christelijke geest: hij preekte, schreef, stuurde zendelingen naar delen van de wereld waar het christendom nog niet was doorgedrongen; hij deed wèl aan de armen; kortom hij was even geliefd bij zijn eigen mensen als gehaat bij zijn tegenstanders. Hij schreef o.a. drie boeken over seksuele onthouding: ‘Over de maagdelijkheid’, ‘Aan een jonge weduwe’ en ‘Over het éne huwelijk’; daarnaast pastorale werken als ‘Over het priesterschap’ en ‘Over ijdele roem en de opvoeding van kinderen’.
Hij stierf in 407 in ballingschap in het Armeense stadje Comana (het huidige Tokat, Noordoost-Turkije), zestig jaar oud.
Daar vond hij ook voorlopig zijn laatste rustplaats.

Dertig jaar na zijn dood hield zijn opvolger in Constantinopel, patriarch Proclus († 446), een preek, waarin hij zijn leermeester en geestelijk leidsman Johannes Chrysostomus in herinnering riep. Hij zei het te betreuren dat zijn geliefde vader in ballingschap was gestorven, vervolgd omwille van de goede zaak. Tenslotte sprak hij de wens uit zijn relieken hier in de kerk te hebben in het midden van de mensen voor wie hij zijn energie en in zekere zin ook zijn leven had gegeven. De toehoorders waren enthousiast. De oude liefde voor hun vroegere bisschop was gewekt. Ook de keizer van dat moment, Theodosius Junior, deelde in het enthousiasme.

Hij gaf opdracht om het stoffelijk overschot van Johannes in Comana op te gaan halen. De legende vertelt hoe de reliekschrijn niet van zijn plaats wilde, totdat keizer Theodosius aan de gestorven Johannes een openbare brief had geschreven, waarin hij zijn spijt betuigde over het gedrag van zijn moeder, de voormalige keizerin Eudoxia; immers zij was verantwoordelijk geweest voor Johannes’ ballingschap. In zijn brief smeekte de keizer Johannes dus terug te keren naar zijn oorspronkelijke standplaats, Constantinopel. De brief werd op de reliekschrijn gelegd, en vanaf dat moment was hij zo licht als een veertje. Ieder die de schrijn aanraakte, werd genezen van welke kwaal dan ook. De tocht van Comana naar Constantinopel werd een triomftocht. Bij aankomst in de hoofdstad herhaalde keizer Theodosius zijn bede om vergiffenis; het was alsof het zijn moeder zelf was die sprak door zijn mond: “Toen ik in dit tijdelijke bestaan verkeerde, heb ik u kwaad gedaan. Maar nu u leeft in eeuwigheid, bid ik u: kom mijn ziel te hulp. Mijn roem is vergaan, en ik ben alleen nog aangewezen op hulp van anderen. Help mij, vader, vanuit uw glorie. Help mij, voor het te laat is, en ik veroordeeld word voor de troon van Christus, de eeuwige Rechter.”
Daarop werd de schrijn de kerk ingedragen en op de bisschopszetel geplaatst. Op dat moment weerklonken deze woorden uit zijn mond: “Vrede zij met u allen!” Dit vond plaats in het jaar 438.
In 1568 werd hij door paus Pius V uitgeroepen tot kerkleraar.

Hij is patroon van predikanten, kanselredenaars en bijenkwekers (vanwege zijn welsprekendheid, die vaak met honing wordt vergeleken) en van studenten.
Hij wordt aangeroepen tegen toevallen (een herinnering aan de genezingen tijdens de overbrenging van zijn reliekschrijn).
Hij wordt afgebeeld in liturgische gewaden (hij heeft veel geschreven over de heilige liturgie), met een boek, een bijenkorf (symbool voor de honingzoete woorden die uit zijn mond kwamen), met een duif (die zou bij zijn bisschopswijding vanuit den hoge neergedaald zijn en op zijn schouder zijn gaan zitten), met een engel (die zou hem herhaaldelijk verschenen zijn om hem te troosten, met name in zijn ballingschapsperiodes om hem te troosten).
In de oosterse kerk draagt Johannes naast de eretitel ‘Chryso-stomos’ (= ‘Gulden-mond’) ook nog de titel ‘Gouden Trompet van de Orthodoxie’. Daar behoort hij met Athanasius de Grote, Basilius de Grote en Gregorius van Nazianze tot de vier grote Oosterse kerkvaders.

dinsdag in week 24 door het jaarbijbel


Uit de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs 12, 12-14 + 27-31a

Volgens de denkwijze van zijn tijd, vergelijkt Paulus de leden van de Kerk met de geledingen van een lichaam. Daardoor wil hij de onderlinge afhankelijkheid en eenheid ervan onderlijnen. Iedere christen heeft als taak zijn persoonlijke gaven van de Geest te laten gelden voor de uitbouw van het gehele lichaam. Ze vullen daarbij elkaar aan en hebben elkaar nodig.

Broeders en zusters,
een lichaam is een eenheid die uit vele delen bestaat; ondanks hun veelheid vormen al die delen samen één lichaam. Zo is het ook met het lichaam van Christus. Wij zijn allen gedoopt in één Geest en zijn daardoor één lichaam geworden, wij zijn allen van één Geest doordrenkt, of we nu uit het Joodse volk of uit een ander volk afkomstig zijn, of we nu slaven of vrije mensen zijn. Immers, een lichaam bestaat niet uit één deel, maar uit vele. Welnu, u bent het lichaam van Christus en ieder van u maakt daar deel van uit.
God heeft in de gemeente aan allerlei mensen een plaats gegeven: ten eerste aan apostelen, ten tweede aan profeten en ten derde aan leraren. Dan is er het vermogen om wonderen te verrichten, de gave om te genezen en het vermogen om bijstand te verlenen, leiding te geven of in klanktaal te spreken. Is iedereen soms een apostel? Of een profeet? Is iedereen een leraar? Kan iedereen wonderen verrichten? Of kan iedereen genezen? Kan iedereen in klanktaal spreken en kan iedereen die uitleggen?
Richt u op de hoogste gaven.

 

Psalm 100, 1-5

Refr.: Erken het: de Heer is God.

Juich de Heer toe, heel de aarde, Drieeenheid_2
dien de Heer met vreugde,
kom tot Hem met jubelzang.

Erken het: de Heer is God,
Hij heeft ons gemaakt, Hem behoren wij toe,
zijn volk zijn wij, de kudde die Hij weidt.

Kom zijn poorten binnen met een loflied,
hef in zijn voorhoven een lofzang aan,
breng Hem hulde, prijs zijn Naam.

De Heer is goed,
zijn liefde duurt eeuwig,
zijn trouw van geslacht op geslacht.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 7, 11-17

God is geen God van doden, maar van levenden. De weduwe van Naïn heeft haar enige zoon verloren. Jezus heeft medelijden met haar. Zoals aangekondigd door Jesaja, zal de Messias zieken genezen, doven doen horen, kreupelen doen gaan, en doden ten leven wekken. Door het leven terug te schenken aan de jongeling werd het de omstaanders duidelijk dat een grote profeet onder hen was opgestaan.

Jezus ging naar een stad die Naïn heet, en zijn leerlingen en een grote menigte gingen met Hem mee.
Toen Hij de poort van de stad naderde, werd er net een dode naar buiten gedragen, de enige zoon van een weduwe. Een groot aantal mensen vergezelde haar.
Toen de Heer haar zag, werd Hij door medelijden bewogen en zei tegen haar: ‘Weeklaag niet meer.’
Hij kwam dichterbij, raakte de lijkbaar aan – de dragers bleven stilstaan – en zei: ‘Jongeman, Ik zeg je: sta op!’
De dode richtte zich op en begon te spreken, en Jezus gaf hem terug aan zijn moeder.
Allen werden vervuld van ontzag en loofden God met de woorden: ‘Een groot profeet is onder ons opgestaan’, en: ‘God heeft zich om zijn volk bekommerd!’
Het nieuws over Hem verspreidde zich in heel Judea en in de wijde omtrek.

Van Woord naar leven

Vandaag lezen we bij Paulus: ‘Een lichaam bestaat niet uit één deel, maar uit vele. Welnu, u bent het lichaam van Christus en ieder van u maakt daar deel van uit.’

Er speelt zich binnen relaties (tussen koppels, binnen gezinnen, religieuze gemeenschappen, op de werkvloer,…) dikwijls een merkwaardig fenomeen af: namelijk dat de ene van de ander verwacht dat hij of zij zou zijn zoals hij of zij zelf is. We geven dat niet graag toe, maar laat ons eerlijk zijn: het speelt dikwijls. Ook bij ons. Het leven zou zoveel eenvoudiger zijn als iedereen zou denken en doen zoals ‘ik’… niet ?
Heerlijk toch jezelf zo centraal te stellen in het leven…

Terwijl God ieder geschapen heeft met zijn specifieke eigenheid, zijn talenten, zijn gaven, zijn karakter misschien ook… Dit ter opbouw van de gemeenschap: de kleine gemeenschappen, maar ook de grote mensengemeenschap.

Het is waar… niet iedereen beleeft ten volle die specifieke eigenschappen waarmee God hen geschapen heeft. Dikwijls blijven die eigenschappen verborgen, komen ze niet tot leven, kennen ze geen vruchten. Wat jammer is… Jammer voor henzelf, én voor de gemeenschap.

Kunnen we zo met elkaar omgaan, kunnen we zo met elkaar leven, dat het beste in ieder naar boven kan komen, zodat ieder ten diepste zichzelf kan worden (zoals God hem gewild heeft), zodat alle gegeven gaven en talenten kunnen groeien en tot leven kunnen komen, ten dienste van de gemeenschap, ter opbouw van Gods Rijk.

Laten we stoppen met te willen dat ieder is zoals we willen dat hij of zij is. Maar laten we de ander beminnen in de persoon zoals hij geschapen is, of op het punt waar hij nu staat. Laten we de ander zo nabij zijn dat hij ten diepste kan groeien in zijn mens-zijn zodat hij vrede en waardigheid vindt in de persoon zoals hij in de diepte is en door God gewild is.

Broederschap is mooi, erg kostbaar, maar niet makkelijk. Maar het is de moeite haar met de liefde Gods te koesteren, zowel binnen gemeenchappen alsook binnen kleinere relaties.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

wildflowers-1539691_640Heer Jezus,
leer ons ieder te beminnen zoals hij door God geschapen is. Mogen wij zo dat kleurrijke boeket zijn voor God; allemaal verschillende bloemen: opvallende en onopvallende, kleine en grote, maar ieder blij om wie hij is, horend tot dat ene mooie boeket ter opbouw van Gods gemeenschap. In uw naam. Amen.