Lezingen van de dag – dinsdag 14 juni 2016


Heilige (of feest) van de dag

Lidwina van Schiedam († 1433)196001

Lidwina van Schiedam, Nederland; maagd en mystica

Zij werd in 1380 te Schiedam uit arme ouders geboren. In 1395 kwam zij bij het schaatsen op het ijs ten val. Dat was het begin van een ongeneeslijk en zeer pijnlijk ziekteproces. Zij at bijna niets en leefde nagenoeg alleen van de heilige communie die haar regelmatig door de kapelaan van de parochiekerk werd gebracht. Het schijnt dat zij haar pijn heldhaftig droeg en dat zij haar bezoekers vol liefde en aandacht te woord stond. Op die manier was zij een bron van inspiratie voor haar omgeving. Maar ze moest ook meemaken, dat zij als een zonderling of zelfs bedriegster werd beschouwd.

Zo logeerde op 10 oktober 1425 hertog Filips van Bourgondië in de stad Schiedam. Omdat Lidwina een beroemdheid was, gingen een aantal dienaren van de hertog in gezelschap van de plaatselijke pastoor, Jan Engel, bij haar langs. Het was na de maaltijd. Eenmaal binnen begonnen die knechten liederlijke taal uit te slaan; ze beschuldigden haar ervan dat ze een bedriegster was, dat ze net deed alsof ze streng vastte, maar intussen ’s nachts stiekem at en dat ze de bijslaap van de pastoor was. De pastoor probeerde tussenbeide te komen, maar hij werd honend het huis uit gejaagd. Vervolgens staken ze een kaars aan, rukten de gordijnen van Lidwina’s bedstee opzij, en begonnen aan de dekens te trekken.
Lidwina’s nichtje Pieternel sprong ertussen om haar zieke tante te beschermen, maar de onverlaten smeten haar ruw opzij. Daarbij stootte zij zich pijnlijk tegen het bankje bij het altaar, dat in Lidwina’s kamer stond. Haar heupen en lendenen deden zo’n pijn, dat ze vanaf dat moment tot aan haar dood enkele maanden later mank liep en zich hinkend voortbewoog.
Deze Petronilla (of Pieternel) was een dochter van Sint Lidwina’s broer. Zij kwam haar tante op haar ziekbed geregeld verzorgen. Eind december, begin januari werd Pieternel ziek. Ze stierf op 14 januari 1426 ’s avonds om een uur of tien. Lidwina heeft nog afscheid van haar kunnen nemen.
Na haar dood herinnerde Lidwina zich een soort droomvisioen van enkele dagen tevoren. Daarin had ze gezien, hoe een stoet aartsvaders, profeten, apostelen, martelaren, belijders, maagden, priesters en leken met kruisen en brandende kaarsen de kerk van Schiedam uit waren getrokken. Ze hadden hun schreden gericht naar een huisje in de stad, haalden daar een dode op en keerden plechtig weer terug. De overledene had drie kronen: een op haar hoofd en een in elke hand.
Nu – na Pieternels dood – besefte Lidwina, dat dit visioen een voorspelling geweest moest zijn van de dood van haar nichtje. Enerzijds was Lidwina gelukkig te weten, dat ze in de eeuwige zaligheid was opgenomen. Anderzijds had ze veel verdriet over het verlies van iemand die haar steeds met zoveel liefde en zorg terzijde had gestaan en die had gedeeld in al haar geestelijke gaven.
In de twee maanden die volgden op Pieternels dood maakte ze een tijd door waarin ze het gevoel had door God verlaten te zijn.

Reeds tijdens haar leven werd Lidwina als een heilige beschouwd. Op 14 april 1433 kwam er een eind aan haar lijdensweg.

Zij is patrones van de zieken en van het ziekenpastoraat.

Zij wordt afgebeeld met een krans van rozen rond haar hoofd. In de ene hand een kruisbeeld en in de andere een bloesemtak.

Bron: Heiligen.net

dinsdag in week 11 door het jaarbijbel


Uit het eerste boek Koningen 21, 17-29

De profeet Elia ontmaskert koning Achab op een treffende manier. Zoals alle profeten is ook Elia verdediger van de rechtvaardigheid. Maar Achab ziet zijn fout in en dan is Elia ook de boodschapper van Gods barmhartigheid. God wil niet de ondergang van de zondaar maar zijn bekering.

De Heer richtte zich tot de Tisbiet Elia met de woorden:
‘Kom, ga Achab, de koning van Israël, tegemoet. Hij is uit Samaria naar de wijngaard van Nabot gekomen om die in bezit te nemen. Zeg tegen hem: “Dit zegt de Heer: Je hebt een moord gepleegd en je het bezit van een ander toegeëigend.” Zeg hem ook: “Dit zegt de Heer: Op de plaats waar de honden het bloed van Nabot hebben opgelikt, zullen ze ook jouw bloed oplikken.”’
Toen Achab Elia zag, zei hij: ‘Mijn vijand heeft me dus weer weten te vinden.’
‘Ik heb u gevonden’, antwoordde Elia. ‘U hebt u ertoe geleend iets te doen dat slecht is in de ogen van de Heer. Daarom breng ik onheil over u: U zult worden weggevaagd en alle mannelijke leden van uw koningshuis, van hoog tot laag, zullen worden uitgeroeid. Omdat u de Heer hebt getergd door de Israëlieten aan te zetten tot zonde, zal het uw familie vergaan zoals het de familie van Jerobeam, de zoon van Nebat, vergaan is, en de familie van Basa, de zoon van Achia. En over Izebel heeft de Heer gezegd: “De honden zullen Izebel opvreten onder de stadsmuur van Jizreël.” Wie van de familie van Achab in de stad sterft, zal door de honden worden opgevreten, en wie sterft in het open veld, zal worden opgevreten door de vogels.’
(Inderdaad, niemand heeft zich er meer dan Achab op toegelegd te doen wat slecht is in de ogen van de Heer. En het was zijn vrouw Izebel die hem daartoe aanzette. Het was gruwelijk, zoals hij afgoden vereerde naar het voorbeeld van de Amorieten, die door de Heer voor de Israëlieten waren verdreven.)
Bij het horen van deze woorden scheurde Achab zijn kleren. Hij trok een boetekleed aan, dat hij op zijn blote lijf droeg en waarin hij ook sliep. Hij vastte en gedroeg zich ook verder zeer berouwvol.
De Heer richtte zich tot Elia met de woorden: ‘Heb je gezien hoe Achab zich voor mij vernedert? Omdat hij berouw toont, zal Ik het onheil over zijn koningshuis niet tijdens zijn leven voltrekken, maar tijdens het leven van zijn zoon.’


Psalm 51, 3 + 4 + 5 + 6a + 11 + 16

Refr.: God, ontferm U over mij in uw barmhartigheid.

Wees mij genadig, God, in uw trouw,
U bent vol erbarmen, doe mijn daden teniet.

Was mij schoon van alle schuld, Drieeenheid_2
reinig mij van mijn zonden.

Ik ken mijn wandaden,
ik ben mij steeds van mijn zonden bewust.

Tegen U, tegen U alleen heb ik gezondigd,
ik heb gedaan wat slecht is in uw ogen.

Sluit uw ogen voor mijn zonden
en doe heel mijn schuld teniet.

U bent de God die mij redt,
bevrijd mij, God, van de dreigende dood,
en ik zal juichen om uw gerechtigheid.


Uit het evangelie volgens Matteüs 5, 43-48

Beminnen die ons beminnen is niet zo moeilijk. Veel lastiger is het te houden van diegenen die ons kwaad hebben gedaan. In de grond zijn we daarin echter kortzichtig. Want als iemand ons echt kwaad heeft gedaan, is hij beklagenswaardig, is hij de ongelukkige die ons medelijden en meeleven nodig heeft. Niet omgekeerd.

Jezus zei tot zijn leerlingen:
‘Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Je moet je naaste liefhebben en je vijand haten.”
En Ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen, alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel. Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
Is het een verdienste als je liefhebt wie jou liefheeft? Doen de tollenaars niet net zo?
En als jullie alleen je broeders en zusters vriendelijk bejegenen, wat voor uitzonderlijks doe je dan? Doen de heidenen niet net zo?
Wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is.’

Van Woord naar leven

God zorgt, zoals we vandaag lezen in het evangelie, niet alleen voor goede, maar ook voor slechte mensen. Hij zorgt voor hen die Hem beminnen, maar ook voor hen die door het stellen van slechte daden Hem misschien niet of minder beminnen. Hij draagt zorg voor allen.

Wij, die geroepen zijn te leven naar Gods beeld en gelijkenis, worden vandaag opgeroepen deze wijze van liefhebben te beleven; dus zowel de goede als de zogenaamde slechte mensen beminnen, én er zorg voor dragen.

Liefde die zich alleen richt tot vrienden kan je niet echt evangelische liefde noemen. Liefde is meer… het is ook hen beminnen die we van nature uit minder graag zien. Het is zelfs hen liefhebben waar we terecht of onterecht diep boos op zijn. Het is ook hen beminnen waar naar we soms gevoelens van haat dragen.

Het is niet enkel vrede en barmhartigheid preken, het is ook vrede en barmhartigheid zijn. Anders zijn onze woorden en intenties loos, mooie dozen zonder inhoud.

Jezus predikt een universele liefde tot allen en alles. Hij toont ons een Vader die elke mens de moeite waard vindt (wat hij ook heeft uitgespookt !) om deze onvoorwaardelijk te beminnen.

Op zijn beurt roep Hij nu ieder van ons op ieder te beminnen zoals Hij ons bemint, en wel vanuit zijn liefde.

Laten we, in Jezus’ naam, beeld zijn / worden van Gods liefde.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer,Pentecost1
geef dat wij altijd ons hart op U gericht houden en naar de heiligheid streven die U eigen is. Kom met uw heilige Geest over ieder van ons en maak ons ontvankelijk voor uw bevrijdend woord. Dat onze liefde zo ver mag gaan dat wij ook hen beminnen die ons een kwaad hart toedragen. Geef dat wij nooit iemand zouden veroordelen of wegwerpen maar ieder ontvangen in uw barmhartigheid. Kom heilige Geest.  Amen.