Lezingen van de dag – dinsdag 14 november 2017


Heilige (of feest) van de dag

Albericus van Utrecht († 784)

Albericus (ook Albricus) van Utrecht osb, Nederland; 4e bisschop

Volgens de een zou hij afkomstig zijn uit de Engelse plaats York; anderen houden vol, dat hij van Frankische adel was en als hoveling verbleef aan het hof van Karel de Grote (†814). Hoe dan ook, op een goed moment trad hij in bij de benedictijnen en stond aan het hoofd van het St-Martinusklooster in Keulen. In 777 werd hij in Keulen tot bisschop van Utrecht gewijd, als opvolger van zijn oom Sint Gregorius († ca 775). Dat de wijding in Keulen gebeurde, mag ons verbazen. Op dat moment was Keulen nog geen aartsbisdom. En enkele jaren tevoren had Bonifatius († 754) ervoor gevochten om Utrecht uit de invloedssfeer van Keulen te houden.

Albericus was het die naast andere priesters Sint Ludger († 809) erop uit stuurde: eerst naar Deventer om daar zowel het werk als de kerk van Lebuïnus († ca 780) weer op te bouwen, en vervolgens naar de Groninger gouwen, waar Bonifatius zo’n dertig jaar eerder was vermoord. Hij was een vriend van Karel de Grote’s leermeester en raadsman, de monnik Alcuinus († 804).

Volgens de legende zou Karel de Grote eens zijn bisdom hebben behoed voor de ondergang. Als tegenprestatie beloofde Albericus voor hem een slot te bouwen. In een paar weken was het werk geklaard. Hij voorspelde Karel, dat het slot even veel jaren zou standhouden, als de bouw ervan dagen had geduurd. Dat zou de verklaring zijn van de bouw en verwoesting van het Valkhof te Nijmegen.

Albericus stierf in 784, het jaar waarin Ludger vanuit Dokkum moest vluchten voor de gewelddadige opstand van de toen nog niet bekeerde Sakser Widukind († ca 807). Men is niet zeker van Albericus’ sterfdag: gegeven worden 14 november en 21 augustus. Hij zou begraven zijn in de St-Salvatorkerk te Utrecht. Thans wordt algemeen aangenomen, dat zijn stoffelijk overschot in de kloosterkerk van Susteren terecht is gekomen.

dinsdag in week 32 door het jaar


Uit het boek Wijsheid 2, 23 – 3, 9

De mens is geschapen voor de eeuwigheid.

God heeft de mens geschapen voor de eeuwigheid, als afspiegeling van zijn eigen wezen.
Maar de duivel heeft uit jaloezie de dood in de wereld gebracht; ieder die hem toebehoort roept de dood over zich af.
De zielen van de rechtvaardigen zijn in Gods hand, geen marteling kan hun deren.
Dwazen menen dan wel dat de rechtvaardigen dood zijn, dat het ellendig is dat ze ons moesten verlaten en rampzalig dat ze afscheid moesten nemen – de rechtvaardigen zijn evenwel in vrede. Ook al ziet iedereen hun lot als een straf, zij koesterden de hoop op onsterfelijkheid. En na een korte tijd van lijden is hun onmetelijk geluk ten deel gevallen, want God heeft hen op de proef gesteld en hen waardig gekeurd om bij Hem te zijn. Hij heeft hen als goud in een oven gelouterd en hen als een brandoffer aanvaard.
Wanneer de tijd aanbreekt dat Hij zich over hen ontfermt, zullen ze opvlammen en als vuur door een stoppelveld razen. Ze zullen een oordeel vellen over alle volken en over hen heersen, en de Heer zal hun koning zijn tot in eeuwigheid.
Wie op Hem vertrouwen zullen de waarheid kennen, en wie trouw zijn zullen in liefde met Hem verkeren.
Want er is genade en barmhartigheid voor zijn heilig volk, en redding voor zijn uitverkorenen.

 

Psalm 34, 2 + 3 + 16 + 17 + 18 +19

Refr.: Laat mijn leven een loflied zijn voor de Heer.

De Heer wil ik prijzen, elk uur van de dag,
mijn mond is altijd vol van zijn lof.

Laat mijn leven een loflied zijn voor de Heer,
de nederigen zullen het met vreugde horen.

Het oog van de Heer rust op de rechtvaardigen,
zijn oor luistert naar hun hulpgeroep.

Toornig ziet de Heer wie kwaad doen aan,
Hij wist hun namen op aarde uit.

De Heer hoort de kreten van de rechtvaardigen,
Hij bevrijdt hen uit de nood.

Gebroken mensen is de Heer nabij,
Hij redt wie zwaar wordt getroffen.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 17, 7-10

Elke verantwoordelijkheid in de Kerk is niets anders dan een nederige dienst om de gaven van God aan de mensen door te geven. Wie dient doet dit niet naar maat, hij is altijd bereid.

Jezus sprak:
‘Als iemand van jullie een knecht zou hebben die ploegt of de kudden weidt, dan zal hij, wanneer die thuiskomt van het land, toch niet tegen hem zeggen: “Ga maar meteen aan tafel”? Zal hij niet veel eerder tegen hem zeggen: “Maak iets te eten voor me klaar, doe je gordel om en bedien me terwijl ik eet en drink, en daarna kun je zelf eten en drinken”? Hij bedankt de knecht toch niet omdat die gedaan heeft wat hem is opgedragen?
Hetzelfde geldt voor jullie; wanneer jullie alles gedaan hebben wat jullie is opgedragen, zeg dan: “Wij zijn maar knechten, we hebben enkel onze plicht gedaan.”’

 

Van Woord naar leven

In ons leven gaat het om de liefde, om liefhebben zoals God ons lief heeft, liefhebben vanuit Hem. Dat is godsdienst, dienst aan God én medemens.
De liefde zou het hart moeten zijn van ons leven. Elke minuut van de dag zou het ons leven moeten stuwen, richting geven, woorden schenken, aanzetten tot gebaren, enz…

Jezus is het levend Hart van onze liefde. Hij, die gekomen is, niet om gediend te worden maar om te dienen, om zichzelf te geven, zodat wij van zijn liefde kunnen leven, zodat wij zijn liefde kunnen zijn, wil het vuur zijn van onze liefde voor elkaar. Niet enkel in wat we doen, maar heel ons zijn wil Hij transformeren in zijn liefde.

Grote woorden… en toch… het zou ons leven moeten zijn, het zou al ons doen en laten moeten beïnvloeden, moeten bevruchten… ja als een – hoe gek dat ook klinkt – vanzelfsprekendheid, als onze dagelijkse ‘plicht’ om het woord uit het evangelie van vandaag te gebruiken.

Laat ons liefhebben, voortdurend, zoals we ademen; van buiten naar binnen, van binnen naar buiten.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

God van liefde,
ik bemin U boven alles uit geheel mijn hart, omdat Gij oneindig goed en oneindig beminnelijk zijt. Uit liefde tot U bemin ik ook alle mensen als mijzelf.
Heer, geef mij steeds meer liefde !
Amen.

(uit een oud gebedenboek)