Lezingen van de dag – dinsdag 17 januari 2017


Heilige (of feest) van de dag

Antonius Abt († ca 356)

Antonius Abt (ook van Egypte, de Grote, de Kluizenaar, van Schotland, van de Thebaïs of met het Varken), Thebaïs, Egypte; woestijnvader & abt

Antonius werd rond 251 geboren in de Egyptische plaats Koma (nu: Qiman el-Ar, Midden-Egypte). Zijn levensverhaal is opgetekend door zijn leerling Sint Athanasius de Grote († 373; feest 2 mei). Deze vertelt dat Antonius zich rond 310 naar Alexandrië begaf om zich als christen bekend te maken, met de bedoeling de marteldood te ondergaan. Het was immers de tijd van de christenvervolgingen onder keizer Maximinus Daia (305-313). Maar deze liet hem ongemoeid.
Teruggekeerd “beoefende hij een nog strengere ascese en onderging hij het martelaarschap naar de geest”. Immers vanaf zijn 20e jaar leefde hij als kluizenaar. Dat kwam omdat hij als welgestelde jongeman eens in de kerk de evangelietekst hoorde voorlezen: “Als je volmaakt wilt zijn, verkoop dan alles wat je bezit en volg mij” (Matteus 19,21). Antonius was zo gegrepen door die tekst, dat hij hem letterlijk in praktijk bracht en op zijn eentje de woestijn in trok.
In de afzondering nam hij slechts het allernoodzakelijkste eten tot zich; hij heeft er vreselijk te strijden gehad tegen bekoringen: duivels in de gedaante van allerlei fantastische dieren gingen hem te lijf met knuppels en roeden en soms lieten ze hem half dood liggen.
Eerst woonde hij 35 jaar lang in een rotsspelonk in de buurt van de plaats waar hij geboren was. Daarna trok hij dieper de eenzaamheid in en vestigde zich op een berg aan de overkant van de Nijl in de buurt van het huidige El-Maimum.
Daar ontdekte hij, dat er al iemand vóór hem de woestijn was ongetrokken, om God in de eenzaamheid te dienen en te zoeken: Sint Paulus van Thebe († 342; feest 15 januari). Over die ontmoeting bestaat een mooie legende.

Negentig jaar lang had Sint Paulus de Woestijnvader in de eenzaamheid van de woestijn doorgebracht. Zijn enige bezigheid was bidden. Zijn enige gezelschap werd gevormd door zijn raaf die hem al zestig jaar lang elke dag een halfje brood bracht, en door de wilde dieren die hun schuilplaats met hem deelden. Toen hoorde hij opeens iemand van buiten zijn grot vragen om binnen te mogen komen voor een gesprek. Dat was Antonius. Hij was erachter gekomen dat er nog een ander in de woestijn leefde, die daar zelfs al eerder mee begonnen was dan hij. Sint Paulus was een nederig man. Hij maakte allerlei bezwaren, omdat hij zich niet waardig achtte om met zo’n groot man als Antonius om te gaan. Na een langdurige omhelzing, zetten zij zich toch neer om over God te praten en om samen zijn lof te zingen.
Op het uur van de maaltijd zagen de twee Paulus’ trouwe raaf aan komen vliegen. Maar deze keer had hij bij wijze van uitzondering een heel brood in de bek. “Moet je kijken, broeder, riep Paulus uit, wat worden we toch goed door God verzorgd, want Hij is het natuurlijk die ons deze maaltijd toestuurt. Al zestig jaar lang brengt deze raaf mij een half brood, en dat was meer dan genoeg voor mij. Maar nu de Heer u naar mij toe heeft gezonden, heeft Hij ter ere van u meteen het rantsoen verdubbeld!”
Na God gedankt te hebben gingen de beide heilige mannen bij de bron zitten voor hun eenvoudige maaltijd. Elk van beiden stond erop dat de ander de eer toekwam het brood te breken. Toen ze zo niet verder kwamen, besloten ze dat elk voorzichtig aan een kant van het brood zou trekken…

Hier worden in de vorm van een legende mooie dingen gezegd over gebed en een leven met God. Het maakt je respectvol jegens anderen! Zelfs als je je terugtrekt uit het gewone mensengedoe. Als je leeft met God – zo schijnt dit verhaal te suggereren – heb je aan weinig meer dan genoeg. Dat weten we ook uit het evangelie, waar Jezus met weinig broden een menigte van 5000 man wist te voeden (bv. Markus 06,30-44). Op een ander moment zei Jezus: “Zit niet in over de vraag wat je zult eten of waarmee je je zult kleden. De Vader weet wel dat je dat nodig hebt. Maar zoek eerst het Rijk van God, al het andere zal je erbij gegeven worden” (Matteus 06,25-34). Bovenstaand verhaal uit het leven van Antonius en Paulus zou je een illustratie kunnen noemen van die uitspraak van Jezus.

Eens gaf Antonius les aan drie monniken over een zeer moeilijke kwestie uit het geloof, toen juist de bejaarde abt Paulus op bezoek kwam. Deze trok zich in een hoekje terug en wachtte stil tot vader Antonius klaar zou zijn.
Antonius vroeg aan de jongste van de drie monniken hoe hij over de kwestie dacht. De jongeman ging er onmiddellijk op in; wat aan zijn kennis ontbrak, vulde hij aan met zijn vuur en enthousiasme. Toen hij uitgesproken was, bleef vader Antonius enige tijd stil, en zei toen: “Het juiste antwoord heb je nog niet gevonden.”
Toen kreeg de tweede het woord. Hij was al wat ouder, had al wat boeken gelezen en ervaring opgedaan. Hij koos geleerde woorden en formuleerde voorzichtiger. Toen hij uitgesproken was, zei vader Antonius: “Ook jij hebt het juiste antwoord nog niet gevonden.”
Tenslotte mocht de oudste van de drie een antwoord geven. Hij liet lange stiltes vallen, sprak bedachtzaam en je kon merken dat hij al veel boeken had gelezen en een lange gebedservaring achter de rug had. Toen hij was uitgesproken, merkte vader Antonius op: “Toch heb je het juiste antwoord nog niet gevonden.”
Op het moment, dat hij zijn mond opendeed om zelf iets over de zeer moeilijke geloofskwestie te zeggen, bedacht hij dat vader Paulus nog altijd in zijn hoekje zat. Hij wendde zich tot de oude abt en vroeg: “Vader Paulus, zou u er misschien iets over kunnen zeggen?” Nu bleef het geruime tijd stil. Tenslotte zei vader Paulus: “Ik weet het niet…”
Vader Antonius wendde zich tot zijn drie leerlingen en met opgestoken vinger zei hij: “Vader Paulus heeft het juiste antwoord gevonden.”

Bij een van die ontmoetingen had Antonius beloofd, dat hij de oude Paulus na zijn dood zou begraven. Toen Paulus inderdaad overleden was, trof Antonius hem nog aan in een biddende houding. Het lijk werd bewaakt door twee leeuwen, die alle roofdieren van de heilige afhielden. Op Antonius’ aanwijzing groeven zij het graf en zagen toe, hoe Antonius de man begroef. Nadat ze van hem de zegen hadden ontvangen, verdwenen ze weer in de woestijn.

Hier wordt de vrome lezer herinnerd aan een tekst van de profeet Jesaja, waarin de Messiaanse tijd wordt aangekondigd: “De wolf en het lam wonen samen; de panter vlijt zich neer naast het bokje; het kalf en de leeuw weiden samen: een kleine jongen kan ze hoeden. De koe en de berin sluiten vriendschap; hun jongen liggen bijeen. De leeuw eet haksel als het rund. De zuigeling speelt bij het hol van de adder; het kind strekt zijn hand uit naar het nest van de slang” (Jesaja 11,06-08). Het lijkt wel, of die tijd in het leven van de woestijnvaders werkelijkheid is geworden. Zij sloten vriendschap met wilde dieren. Zij maken van de woestijn een leefbare plek, een paradijs! Beroemd is de legende van Sint Hiëronymus († 420; feest 30 september), die in zijn bijbelstudie wordt gestoord door een leeuw met een doorn in zijn poot. Hiëronymus verzorgt de wond, en vanaf dat moment gedraagt het dier zich als een mak huisdier. Overigens heeft hij deze legende postuum overgenomen van Gerasimus van Palestina († ca 475; feest 5 maart).

Nadat hij twintig jaar op zijn berg had doorgebracht, trok hij naar een oase in de Egyptische woestijn, nu geheten Djzebel al-Galala el Qibliya. In deze oase werd hij bezocht door vele christenen. Van hen besloten er zo nu en dan om hun leven verder in zijn gezelschap door te brengen. Zo ontstond een dorp van kluizenaarswoningen. Hoewel hij geen gemeenschappelijke levenswijze organiseerde, gaf hij aan allen geestelijke leiding; dat is de reden waarom hij de eerste abt genoemd wordt.
Hij stierf toen hij 105 jaar oud was.

In 561 werd zijn graf ontdekt en vanaf 1491 worden zijn stoffelijke resten bewaard in de St-Julienkerk te Arles. Er bevinden zich ook relieken in de abdij St-Antoine ten westen van Grenoble.

dinsdag in week 2 door het jaar


Uit de brief van Paulus aan de Hebreeën 6, 10-20

Voor mensen zonder hoop heeft het leven elke zin verloren. Voor christenen is God het anker van hun hoop. Zij kunnen er vast op vertrouwen, want God doet zijn geloften gestand. Met deze zekerheid blijft het voor christenen altijd mogelijk zin te geven aan hun leven in dienst van God en de mensen.

Broeders en zusters,
God is niet zo onrechtvaardig dat Hij vergeet wat u hebt gedaan, hoeveel liefde u aan zijn Naam hebt betoond door sinds jaar en dag steun te verlenen aan de gelovigen. Het is onze vurige wens dat ieder van u tot het einde toe dezelfde ijver aan de dag blijft leggen, totdat alles waarop wij hopen verwezenlijkt zal zijn, en dat u niet achterblijft, maar in het spoor treedt van hen die dankzij hun standvastig geloof ontvangen hebben wat hun beloofd was.
Toen God aan Abraham zijn belofte deed, kon Hij bij niemand zweren die hoger was dan Hijzelf, en dus zwoer Hij bij zichzelf: ‘Ik zal je rijkelijk zegenen en je talloze nakomelingen geven.’ En zo heeft Abraham, dankzij zijn standvastig vertrouwen, gekregen wat hem beloofd was.
Mensen zweren altijd bij iemand die hoger is dan zijzelf, en met hun eed bekrachtigen ze de waarheid en beëindigen ze elke twist. Toen God de erfgenamen van de belofte ervan wilde doordringen hoe vast zijn voornemen was, stelde Hij zich op dezelfde manier met een eed garant. Met deze twee onomkeerbare daden–die uitsluiten dat God liegt–heeft Hij ons krachtig moed in willen spreken.
Onze toevlucht is het vast te houden aan de hoop op wat voor ons in het verschiet ligt. Die hoop is als een betrouwbaar en zeker anker voor onze ziel, en gaat ons voor tot voorbij het voorhangsel, waar Jezus als voorloper al is binnengegaan, ten behoeve van ons: Hij is hogepriester voor eeuwig, zoals ook Melchisedek dat was.

 

Psalm 111, 1 + 2 + 4 + 5 + 9 + 10c

Refr.: Eeuwig gedenkt de Heer zich zijn verbond.

Ik wil de Heer loven met heel mijn hart,
in de grote kring van oprechten.

Machtig zijn de werken van de Heer,
wie ze liefheeft, onderzoekt ze.

Hij stelde een gedenkdag in voor zijn wonderen,
genadig en liefdevol is de Heer.

Hij gaf voedsel aan wie Hem vrezen,
eeuwig gedenkt Hij zijn verbond.

Hij heeft zijn volk verlossing gebracht,
voor eeuwig zijn verbond ingesteld.

Heilig en ontzagwekkend is zijn Naam,
zijn roem houdt stand, voor altijd.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 2, 23-28

De sabbat is gemaakt om de mens en niet de mens om de sabbat. Dat is één van Jezus’ grondhoudingen tegenover voorschriften, wetten, vrijheid en gezag. Hem was het te doen om de mens. Jezus koos partij voor barmhartigheid. Hij geneest de zieken die men Hem brengt. Hij verontschuldigt zijn leerlingen als zij honger hebben. Want de wet is er voor de mens, en niet de mens voor de wet.

Eens liep Jezus op een sabbat tussen de korenvelden door. Zijn leerlingen gingen de velden in en begonnen aren te plukken.
‘Kijk eens!’ zeiden de Farizeeën tegen Hem. ‘Waarom doen ze iets dat op sabbat niet mag?’
Maar Hij antwoordde: ‘Hebt u dan nooit gelezen wat David deed toen hij en zijn metgezellen gebrek leden en honger hadden? Hij ging het huis van God binnen – Abjatar was toen hogepriester – en at van de toonbroden, waarvan alleen de priesters mogen eten. En hij gaf ze ook aan zijn mannen te eten.’
En Hij voegde eraan toe: ‘De sabbat is er voor de mens, en niet de mens voor de sabbat; en dus is de Mensenzoon ook Heer en meester over de sabbat.’

Van Woord naar leven

In de eerste lezing van vandaag uit de brief van Paulus aan de Hebreeën lezen we: “Onze toevlucht is het vast te houden aan de hoop op wat voor ons in het verschiet ligt. Die hoop is als een betrouwbaar en zeker anker voor onze ziel, en gaat ons voor tot voorbij het voorhangsel, waar Jezus als voorloper al is binnengegaan, ten behoeve van ons: Hij is hogepriester voor eeuwig, zoals ook Melchisedek dat was.”

Wanneer iemand leeft in het licht van de eeuwigheid leeft hij wezenlijk anders dan wanneer iemand leeft zonder het besef dat er een eeuwigheid bestaat. En daarmee heb ik het niet over de intensiteit van liefhebben. Een nietgelovige kan immers heel zeker even intens of zelfs meer intens liefhebben dan een gelovige.

Maar als je gelovig weet dat er een hemel bestaat leef je anders. Je draagt een levende hoop in je, je hebt iets om naar uit te kijken, je weet je verbonden met heiligen en overledenen, je wereld is zoveel ruimer dan het loutere aardse of biologische. Je weet dat er ‘daarboven’ Iemand is die je nu reeds bewoont, die je stuwt en de genade verleent lief te hebben vanuit iets groters dan het eigen vermogen om te beminnen. Je ervaart dat dit natuurlijke vermogen altijd en opnieuw bevrucht wordt door Jezus zelf, dat je liefhebben daardoor de kracht in zich draagt dat anderen door Hem geraakt en genezen worden.

Leven in het licht van de eeuwigheid is de hemel in je hart dragen. Het is je nu reeds thuis voelen bij God; Hij die je ooit ten volle in zich zal trekken wanneer het aardse licht voor je gedoofd zal zijn.

Laat ons dankbaar en blij zijn om het bestaan van het hemels leven. Dat de realiteit van ons eeuwig bestaan onze levenswandel diep mag beïnvloeden.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer Jezus,
je bent welkom in mijn hart, méér dan welkom.
Neem me op in U, mijn hele zijn,
mijn geloof én m’n ongeloof.
Trek me in het vuur van uw vrede,
in de brand van uw liefde,
in de vreugde Gods eeuwigheid.
Kom Jezus kom,
ik ben van U.
Amen.