Lezingen van de dag – dinsdag 18 juli 2017


Heilige (of feest) van de dag

Frederik van Utrecht († 838)

Frederik (ook Fredericus) van Utrecht, Nederland; bisschop & martelaar

Hij was van Friese adel; naar men zegt was hij een kleinzoon van de Friese koning Radboud. Zijn ouders zagen het liefste dat hij later geestelijke zou worden. Daarom stuurden ze hem naar de kloosterschool van Utrecht. Op dat moment was Rixfried daar bisschop. Deze overleed juist op het moment dat keizer Lodewijk de Vrome in het land was. Hij wees Frederik als nieuwe bisschop aan. Dat moet rond 826 geweest zijn.

Frederik staat te boek als een geleerd man. Hij was o.a. bevriend met de grote Rhabanus Maurus, abt van het door Bonifatius gestichte klooster Fulda en bisschop van Mainz († 856; feest 4 februari). Wellicht is deze vriendschap ontstaan tijdens het concilie van Mainz in 829, waarop ze allebei aanwezig waren.

Hij preekte vooral op Walcheren.

Een latere legende vertelt, hoe Frederik tenslotte aan zijn einde kwam. Eens werd hij door keizer Lodewijk de Vrome op een feestmaaltijd uitgenodigd. Bij die gelegenheid bracht de keizer een paar misstanden ter sprake die er bij de bewoners van het Zeeuwse eiland Walcheren heersten. Hij drong er bij hem op aan hen desnoods met geweld in te peperen dat ze niet mochten trouwen met naaste bloedverwanten. De bijbel verbood het immers.

Intussen had bisschop Frederik met verbazing gezien hoeveel vorken de keizer aan tafel gebruikte. Hij zei: “Majesteit, als u een vis eet, begint u dan bij de kop of bij de staart?” Verbaasd antwoordde Lodewijk: “Bij de kop natuurlijk, daar zit immers het meeste merg.” “Heel juist, zei de nieuwe bisschop, en daarom begin ik ook bij de kop, dus bij uzelf. Want u maakt u zelf schuldig aan bloedschande met vrouwe Judith. Zij is immers een bloedverwante van u!”

Terwijl Frederik op Walcheren over Gods wetten preekte, zon vrouwe Judith op wraak. Ze huurde twee moordenaars die hem om het leven brachten. Hij werd bijgezet in de crypte van de Sint-Salvatorkerk te Utrecht.

Hij wordt als martelaar vereerd.

Jaarlijks wordt op de derde zondag van juli in Vlierzele (Vlaanderen) een processie gehouden ter ere van hem.

Zijn voorspraak wordt ingeroepen tegen doofheid.

Hij wordt afgebeeld als bisschop (met tabberd, mijter en staf); twee zwaarden in de borst; twee moordenaars die hem slaan, waarbij de ingewanden uit een gapende wonde naar buiten komen.

dinsdag in week 15 door het jaar


Uit het boek Exodus 3, 1-6 + 9-12

Bij de brandende doornstruik ontvangt Mozes de roeping om zijn volk uit Egypte te bevrijden en naar het beloofde land te leiden. Hij verzet er zich tegen en voelt zich niet waardig. Maar God zal hem bijstaan.

Mozes was gewoon de schapen en geiten van zijn schoonvader Jetro, de Midjanitische priester, te weiden. Eens dreef hij de kudde tot voorbij het steppeland, en zo kwam hij bij de Horeb, de berg van God. Daar verscheen de engel van de Heer aan hem in een vuur dat uit een doornstruik opvlamde. Mozes zag dat de struik in brand stond en toch niet door het vuur werd verteerd.
Hoe kan het dat die struik niet verbrandt? dacht hij. Ik ga dat wonderlijke verschijnsel eens van dichtbij bekijken.
Maar toen de Heer zag dat Mozes dat ging doen, riep Hij hem vanuit de struik: ‘Mozes! Mozes!’
‘Ik luister’, antwoordde Mozes.
‘Kom niet dichterbij’, waarschuwde de Heer, ‘en trek je sandalen uit, want de grond waarop je staat, is heilig. Ik ben de God van je vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.’ Mozes bedekte zijn gezicht, want hij durfde niet naar God te kijken.
‘De jammerklacht van de Israëlieten is tot mij doorgedrongen en Ik heb gezien hoe wreed de Egyptenaren hen onderdrukken. Daarom stuur Ik jou nu naar de farao: jij moet mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte wegleiden.’
Mozes zei: ‘Maar wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden?’
God antwoordde: ‘Ik zal bij je zijn. En dit zal voor jou het teken zijn dat Ik je heb gestuurd: als je het volk uit Egypte hebt weggeleid, zullen jullie God bij deze berg vereren.’

 

Psalm 103, 1 + 2 + 3 + 4 + 6 + 7

Refr.: De Naam van God wil ik loven met een lied.

Prijs de Heer, mijn ziel,
prijs, mijn hart, zijn heilige Naam.

Prijs de Heer, mijn ziel,
vergeet niet één van zijn weldaden.

Hij vergeeft u alle schuld,
Hij geneest al uw kwalen.

Hij redt uw leven van het graf,
Hij kroont u met trouw en liefde.

De Heer doet wat rechtvaardig is,
Hij verschaft recht aan de verdrukten.

Hij maakte aan Mozes zijn wegen bekend,
aan het volk van Israël zijn grootse daden.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 11, 25-27

Alleen de nederigen van hart maakt Jezus de geheimen van zijn Vader bekend. Zij staan ervoor open. Wie de rede als centrum plaatst van zijn leven heeft het veel moeilijker. Dankbare eenvoud en blije ontvankelijkheid in een geest van diep geloof zijn onmisbare voorwaarden voor het Rijk Gods.

In die tijd zei Jezus:
‘Ik loof U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat U deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt gehouden, maar ze aan eenvoudige mensen hebt onthuld. Ja, Vader, zo hebt U het gewild.
Alles is mij toevertrouwd door mijn Vader, en niemand dan de Vader weet wie de Zoon is, en wie de Vader is, dat weet alleen de Zoon, en iedereen aan wie de Zoon het wil openbaren.’

Van Woord naar leven

Vandaag in de eerste lezing horen we het roepingsverhaal van Mozes bij de brandende braambosstruik. Nadat hij door God gevraagd werd om de Israëlieten uit Egypte weg te leiden, antwoordde hij: ‘Wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden?’

Mozes voelt zich onwaardig. De opdracht die hij krijgt is ook niet niets. Maar zijn gevoel van onwaardigheid draagt ook iets moois in zich: het zegt iets over zijn nederigheid, zijn gevoel van zich klein weten tegenover de grote Almachtige God. Maar desondanks blijft God hem roepen en we weten dat Mozes uiteindelijk ‘ja’ zal zeggen en het volk door de woestijn zal leiden naar het Beloofde Land.

Wij zijn niet Mozes. Wij krijgen niet dezelfde vraag van God aan Mozes gesteld. En toch …

Vraagt God ons niet gemeenschap aan te gaan met allen, om àls gemeenschap onze vleespotten achter te laten om, geleid door Hem, desnoods door woestijnen (die enkel opvoeden), het rijk van de Liefde binnen te gaan; ja, zijn liefde belevend door ons te schenken aan zijn aanwezigheid in Christus.
Zijn we niet geroepen het juk van de slavernij achter te laten om als bevrijde mensen het lied van Gods vrede te zingen voor elkaar; naar onze onmiddellijke naasten maar in wezen naar de hele mensheid toe.

Geliefde mensen, wie is waardig in te gaan op Gods uitnodiging deze reis te maken … U en ik, we zijn allen waardig. In zijn liefde nodigt God ieder van ons persoonlijk uit deze weg te gaan. Laten we hem samen gaan, ons gevend aan Jezus in en onder ons. Moge Hij de grote bezieler zijn ons ja-woord tot de Vader.

Kom, laat ons niet talmen. Laat ons gaan. Laat ons zingen, laat ons bidden, laat ons ‘leven’.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Goede God,
schenk ons de genade van het ja-woord. Moge Jezus dit bewerkstelligen in ons. Mogen wij diep verankerd in Hem ‘ja’ zeggen tot U, ja tot de roeping ons slavenjuk achter te laten om als bevrijde mensen te leven in uw liefde.
Oh Heer God, bevrijd ons, genees ons, til ons op, doe ons wandelen in uw licht. Moge uw gelaat zichtbaar zijn doorheen ons leven, opdat ieder U mag ontmoeten; Gij, schepper van het volle leven.
Amen, ja amen.