Lezingen van de dag – dinsdag 19 juli 2016


Heilige (of feest) van de dag

Arsenius de Grote († 449)

Arsenius de Grote (ook de Romein of de Diaken), Troë bij Memfis, Egypte; diaken & woestijnvader

Hij was een Romein van afkomst en werd vermoedelijk in 354 geboren. Toen keizer Gratianus (377-383) een leraar zocht voor de beide zoons van zijn mede-keizer in het Oost-Romeinse Rijk, Theodosius de Grote († 395; feest 17 januari), wees paus Damasus († 384; feest 11 december) hem aan als de beste kandidaat. Zo vertrok hij in 383 naar Constantinopel om zorg te dragen voor de opvoeding van de latere keizers Arcadius (395-408) en Honorius (395-423). Hij werd eervol ontvangen en meteen gepromoveerd tot senator. Maar gaandeweg viel hem deze functie steeds zwaarder. Men meent te weten dat hij in die tijd gebeden heeft: “Heer, stuur mij toch naar de hemelse zaligheid.” Een stem uit de hemel zou hem geantwoord hebben: “Arsenius, ontvlucht het menselijk verkeer, en je zult zalig worden.”

Zo verliet hij na een jaar of tien het hof en trok zich terug in de Egyptische woestijn van Scete om daar het leven van een woestijnvader te leiden. Daar aangekomen schijnt hij nogmaals gebeden te hebben tot de zaligheid te mogen ingaan. Weer kwam er die stem uit de hemel: “Arsenius, vlucht, zwijg en rust, want dat zijn de wortels van een leven zonder zonden.” Hoewel hij dit gebied niet meer heeft verlaten, trok hij nog herhaaldelijk rond in de woestijn. Zijn strenge levenswijze, zijn intense gebedsleven en zijn rigoureuze boetepraktijken wekten zelfs bij zijn collega-woestijnmonniken grote bewondering op. Zo wordt er van hem verteld dat hij bij het ingaan van de zondag, dus op zaterdagavond bij zonsondergang, voor zijn hutje ging zitten met zijn rug naar de zon en met hoog opgeheven handen. Dat hield hij de hele nacht vol, zodat hij nog altijd in diezelfde houding de volgende morgen de zon begroette die zijn gelaat bescheen.

Naar aanleiding van zijn levenskeuze vertelt de Legenda Aurea een verhelderende anekdote. Er waren eens drie monniken, die alle drie naar de volmaakte rust streefden. De eerste wilde iedereen vrede geven, maar hij vond de rust niet waarnaar hij zo verlangde. De tweede probeerde zijn ideaal te bereiken door zieken te bezoeken. Ook hij vond niet wat hij zocht. Getweeën gingen ze naar de derde die diep in de woestijn verbleef en ze vroegen hem wat ze verkeerd deden. Deze goot water uit de put in een beker met de woorden: “Let goed op wat er gebeurt. Meteen als ik het water heb ingeschonken is het nog troebel. Maar als je het een tijdje tot rust laat komen, is het kristalhelder.”

Een van de dingen die hem het meeste ter harte gingen, was de nederigheid. Zo wordt er van hem gezegd dat hij eens aan een ongeletterde monnik raad ging vragen. Iemand uit zijn omgeving merkte op: “Maar vader Arsenius, nu bent u zo geleerd in de Griekse en Latijnse letteren, wat zou zo’n monnik die nooit gestudeerd heeft, u nog kunnen leren?” Daarop antwoordde de voormalige docent: “Wat de Griekse en Latijnse letteren vertellen op werelds niveau, snap ik heel goed, maar ik weet nog niets van het abc van deze eenvoudige man, die nooit een boek heeft ingekeken.” Dag en nacht had hij het doel van zijn leven voor ogen. Dat was ook wat hij altijd zei, wanneer men hem vroeg, waarom hij destijds de wereld verlaten had: “Ik heb altijd wel spijt gehad, nadat ik iets gezegd te hebben; maar nooit, nadat ik gezwegen had.”

Hij stond bekend om zijn tranen. Hij stortte ze op de eerste plaats voor zichzelf, maar ook om de zwakheid van Arcadius en de dwaasheid van Honorius. Een tijdgenoot zegt zelfs, dat hij altijd een zakdoek bij zich had om de tranen te drogen die voortdurend over zijn gezicht stroomden. Na ruim vijftig jaar zo geleefd te hebben stierf hij uiteindelijk in vrede op de rots van Troë, niet ver van Memfis, 95 jaar oud.

Bron: Heiligen.net

dinsdag in week 16 door het jaarbijbel


Uit het boek Micha 7, 14-15 + 18-20

Het is niet gemakkelijk onze fouten te erkennen. Het is nog moeilijker iemand te vinden die ondanks onze fouten toch met ons vooruit wil. In onze hoogmoed willen wij geen genadebrood eten. Toch zou dit een uitkomst zijn. En deze uitkomst biedt God ons. Hij blijft geen verwijten maken.

Heer, weid uw volk met uw staf, uw geliefde kudde die eenzaam leeft in het woud, omringd door vruchtbaar land. Mogen ze weiden in Basan en Gilead, als in de dagen van weleer.
Als in de dagen van zijn bevrijding uit Egypte laat Ik dit volk wonderbaarlijke daden zien.
Wie is een God als U, die schuld vergeeft en aan zonde voorbijgaat? U blijft niet woedend op wie er van uw volk nog over zijn; liever toont U hun uw trouw. Opnieuw zult U zich over ons ontfermen en al onze zonden tenietdoen. Onze zonden werpt U in de diepten van de zee.
U bewijst Jakob uw trouw en Abraham uw goedheid, zoals U gezworen hebt aan onze voorouders, in de dagen van weleer.


Psalm 85, 2-8 + 10

Refr.: Heer, breng ons weer tot leven.

U bent uw land genadig geweest, Heer,
U keerde het lot van Jakob ten goede,
nam de schuld van uw volk weg
en bedekte al zijn zonden. Drieeenheid_2

U bedwong uw woede
en wendde U af van uw brandende toorn.
God, onze helper, keer tot ons terug,
onderdruk uw afschuw van ons.

Wilt U voor eeuwig uw toorn laten duren,
verbolgen zijn van geslacht op geslacht ?
Breng ons weer tot leven,
dan zullen wij ons in U verheugen.

Toon ons uw trouw, Heer,
en geef ons uw hulp.
Voor wie Hem eren is zijn hulp nabij:
zijn glorie komt wonen in ons land.


Uit het evangelie volgens Matteüs 12, 46-50

Tijdens Jezus’ openbaar leven komen zijn dorpsgenoten regelmatig zijn moeder vragen om tussenbeide te komen en Hem weer naar huis te halen. Maria laat zich meelokken. Triomfantelijk komen zijn buren haar komst bij Jezus melden. Zij krijgen echter een gevat antwoord: ‘Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broers? Zij die de wil doen van mijn Vader’.

Terwijl Jezus nog met de mensen in gesprek was, dienden zich buiten zijn moeder en zijn broers aan. Ze vroegen Hem dringend te spreken.
Iemand zei tegen Hem: ‘Uw moeder en uw broers staan buiten, ze willen U spreken.’
Hij antwoordde: ‘Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broers?’
Hij maakte een gebaar naar zijn leerlingen en zei: ‘Zij zijn mijn moeder en mijn broers. Want ieder die de wil van mijn Vader in de hemel doet, is mijn broer en zuster en moeder.’

Van Woord naar leven

Jezus antwoordde: ‘Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broers?’ Hij maakte een gebaar naar zijn leerlingen en zei: ‘Zij zijn mijn moeder en mijn broers. Want ieder die de wil van mijn Vader in de hemel doet, is mijn broer en zuster en moeder.’

Als de Joden aan God dachten, dachten ze aan bevrijding. Als wij ergens in vastzitten, dan denken wij aan God, die ons zal bevrijden.

Ook Jezus voltrekt vandaag een uittocht, de uittocht uit de familie, de aardse familiebanden. Deze uittocht leidde ook een doortocht in naar het beloofde land dat Hij zelf is, naar het beloofde land dat de Kerk is.
In de Kerk heeft men de mooie gewoonte om het volk aan te spreken met ‘Broeders en zusters…’ Dat zeggen mensen normaal tegen hun bloedverwanten, maar in de Kerk zeggen we het tegen mensen die ons vreemd zijn, want in de Kerk leven we in de staat van de uittocht, we steunen niet op aardse verbanden. Kerkelijk leven is nu al leven in de verhoudingen van de hemel, waar God de Vader is van allen en in allen. Daardoor zijn wij dus allen broeders en zusters van elkaar.

Iemand schreef eens een parabel over ons aller uittocht, de doortocht die we allen mogen doormaken. Hij zei: de hemel is: de aardse grenzen kwijtraken. Dat betekent dat het daar niet meer is zoals het hier op aarde is: hij is mijn broeder en hij niet, zij is mijn zuster en zij niet, hij behoort tot mijn familie en zij niet, dat is een buitenstaander en die niet, dat is een vijand en dat is een collega, en hem ken ik niet. Wat een grenzen, wat een obstakels! Wat hebben we allemaal te verdedigen en te beschermen en vooral nog te veroveren! Daaraan kun je nu zien hoe groot Gods liefde is. Voor zijn liefde vallen alle grenzen weg.

Hier op aarde lijken die grenzen als muren zo hoog en dik, maar vanuit de hemel gezien, vanuit de liefde van onze hemelse Vader, is er nauwelijks verschil. En als er al verschillen zijn, dan is het alleen maar om elkaar aan te vullen, om elkaar te verrijken, zoals in het lichaam. Zoals Paulus zegt: “De hand kan niet zeggen tegen de voet: wat heb ik met jou te maken” (Vgl. 1 Kor 12,15). Als er al verschil is, dan is het dat de zwakkeren met meer eerbied worden omgeven.

Grenzen opheffen, grenzen vervagen, grenzen uitwissen, muren neerhalen, dat is het werk van Jezus.
Vandaag doet Hij dat met een gebaar, met een gebaar naar zijn leerlingen. Er was een menigte om Hem heen die naar Hem luisterde, maar het zijn zijn leerlingen over wie Hij zei: “Ziedaar mijn moeder en mijn broeders.” Als je Jezus werkelijk volgt ontstaat er een intimiteitverhouding met Hem en met allen die Hem volgen als met bloedeigen mensen.

Naar woorden van J. Bots, sj

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Goede God,deepawali-1063738_640
Gij strekt uw handen uit naar alle mensen en in uw trouwe zorg weten wij ons geborgen. Geef dat wij als kinderen van eenzelfde Vader elkander alle Goeds toewensen en onze vreugde vinden in het volbrengen van uw wil. Amen.