Lezingen van de dag – dinsdag 21 juni 2016


Heilige (of feest) van de dag

Aloysius van Gonzaga († 1591)FourCandlesForJeffBuckley-250x250

Aloysius van Gonzaga sj, Rome Italië; jezuïetenstudent & verpleger pestlijders

Aloysius werd op 9 maart 1568 in het Italiaanse Castiglione bij Mantua geboren, als oudste zoon en erfgenaam van de hertog van Castiglione. Reeds op zijn vierde jaar werd hij door zijn trotse vader overal mee naartoe genomen, of het nu diplomatieke missies waren of jachtpartijen. Maar toen hij op een keer met malaria thuiskwam, was het afgelopen. Op zevenjarige leeftijd onderging de jongen een gevoelige verandering: hij werd meer teruggetrokken en in zichzelf gekeerd. Toen zijn vader na twee jaar terugkeerde van een zendingsreis naar Spanje, was hij trots op zijn zoon: de jongen zou straks een wijze en bedachtzame opvolger zijn.

Aan het hof van De’Medici’s
Tezamen met zijn broer Rudolf werd de jonge Aloysius naar Milaan gestuurd om aan het hof van hertog Francesco de’ Medici zijn opleiding te krijgen in alle vaardigheden die hij straks als man van adel nodig had. Deze vriend van zijn vader behoorde tot de hoogste kringen van zijn tijd. Hij had omgang met alle machtigen der aarde. Hoe oogverblindend het leven daar ook was, de ruim tienjarige Aloysius had een bijzonder fijn gevoel voor wat echt en niet echt was. Hij keek door de mooie aankleding en rijke façades, het gekonkel en geroddel, de vleierijen en pluimstrijkerijen heen; proefde bij velen de opgeschroefde onechtheid en trok zich van dit alles zoveel mogelijk terug. Wel ridderlijk opkomen voor Christus en zijn kerk, en het intussen houden met een of meerdere maîtresses. Hij walgde ervan en zocht zijn toevlucht in de huiskapel, de enige plek die veilig was. In zijn persoonlijk gebed beloofde hij plechtig nooit met opzet een zonde te bedrijven en niet mee te doen met het holle vertoon van de meesten hier aan het hof. In zijn eentje las hij vrome en theologische boeken. Natuurlijk kwam ook de kardinaal van Milaan zo nu en dan eens langs, Carolus Borromeus, die zelf later heilig verklaard zou worden. Deze was getroffen door de heilige ernst van het twaalfjarige kereltje. Door zijn toedoen mocht Aloysius ook de eerste communie ontvangen, want dat was nog altijd niet gebeurd. Vanaf dat moment begon het jongetje als een kloosterling te leven; ’s nachts bleef hij lang op om te bidden; hij vastte drie keer per week en hij bracht veel tijd door met bidden, lezen en mediteren.

Spaanse en Italiaanse hoven
Toen Maria van Oostenrijk na de dood van haar man, keizer Maximiliaan II, naar haar vaderland Spanje terugkeerde, bood vader Di Castiglione aan dat zijn familie haar zou vergezellen. In Madrid zocht Aloysius een pater jezuïet als biechtvader. Hem maakte hij zijn verlangen bekend om bij de jezuïeten in te treden. Hij was nu vijftien. Zijn biechtvader zei dat hij nog te jong was, en dat zoiets nooit zou kunnen zonder de toestemming van zijn vader.
Voorzichtig bracht hij zijn verlangen bij zijn vader ter sprake. Dat doorkruiste de toekomstplannen van de hertog volkomen. In zijn woede probeerde hij hemel en aarde te bewegen om zijn zoon op andere gedachten te brengen. Daarom stuurde hij hem in gezelschap van zijn jongere broer Rudolf langs de Italiaanse hoven in de hoop dat die bevlieging wel zou overgaan. Maar de jongen die het hof van de Medici’s in Milaan had meegemaakt, zag alleen maar meer van hetzelfde. Bij thuiskomst was hij des te vaster besloten om zijn leven aan wezenlijker dingen te wijden. Nu zag zijn vader in dat niets hielp en gaf tenslotte in arren moede zijn toestemming. Aloysius trad in bij de jezuïeten te Rome op 25 november 1585. Hij was op dat moment ruim zeventien jaar oud.

Jezuïet
Zijn geestelijk leidsman leerde hem nu zich te matigen in de strenge religieuze praktijken waaraan hij in de afgelopen jaren zo gewend was geraakt. De jonge novice zei van zichzelf: “Ik ben een stuk kronkelig metaal en ben ingetreden om gladgeschaafd te worden.” Vanaf nu leidde hij het leven van elke jezuïet in het begin van zijn opleiding: hij legde na afloop van het tweejarige noviciaat de drie religieuze geloften af, studeerde filosofie en deed zijn examens. In 1589 werd hij naar zijn ouderlijk huis teruggestuurd om een ruzie bij te leggen tussen zijn vader en zijn broer Rudolf. Daar had hij een flinke tijd voor nodig en pas in mei 1590 keerde hij naar Rome terug.

De pest
In 1591 werd Italië getroffen door allerhande rampen en ziektes. Aloysius ging uit bedelen om aalmoezen in te zamelen voor de pestlijders. Stuitte hij op straat op een stervende patiënt, dan droeg hij hem in zijn armen naar een hospitaaltje, waste de zieke, gaf hem te eten en deed alles wat nodig was. Hij walgde van de stank en de afzichtelijke goorheid van de zieken met hun wonden, de hospitalen met hun gebrek aan hygiëne en de ziekenzalen met hun smerige bedden en vuiligheid. Maar zijn overste maande hem tot voorzichtigheid. Er waren al genoeg jonge jezuïeten in opleiding het slachtoffer geworden van hun heldhaftigheid; ze raakten zelf besmet en stierven meestal niet lang daarna. Vandaar dat Aloysius’ overste hem opdroeg alleen naar het hospitaaltje te gaan van Maria van Altijddurende Bijstand. Daar werden namelijk geen pestlijders of andere gevallen van besmettelijke ziekten heengebracht. Aloysius gehoorzaamde. Maar de eerste de beste patiënt die hij er verzorgde, bleek achteraf wel degelijk besmet te zijn. Op 3 maart 1591 bleef de jonge jezuïet met hoge koorts in bed. Uiteindelijk kwam hij er wel weer bovenop, maar hij was intussen zo verzwakt dat hij tenslotte toch bezweek aan de gevolgen ervan. In de late avond van 21 juni 1591 blies hij zijn laatste adem uit; drieëntwintig jaar oud.

Op 19 oktober 1605 werd hij door paus Paulus V zalig verklaard. Paus Benedictus XIII verklaarde hem heilig op 31 december 1726 tegelijk met Stanislas Kostka, die in 1568 op achttienjarige leeftijd was gestorven.

Hij is patroon van Castiglione delle Stiviere en Mantua; van de jeugd, studerende jeugd, van studenten; zijn voorspraak wordt ingeroepen tegen oogkwalen en de pest; patroon van beroepskeuze.

Bron: Heiligen.net

dinsdag in week 12 door het jaarbijbel


Uit het tweede boek Koningen 19, 9b-11 + 14-21 + 30-35a + 36

Het koninkrijk van Israël had middelen ter beschikking zoals alle andere koninkrijken. Het had echter ook een ander middel: zijn geloof in de éne God wiens ijverzuchtige liefde zijn getrouwen steeds spaarde.

In die dagen zond Sanherib opnieuw gezanten naar Hizkia, met de opdracht: ‘Zeg tegen koning Hizkia van Juda: “Laat u niet misleiden door de Heer, uw God, in wie u uw vertrouwen hebt gesteld omdat Hij u heeft toegezegd dat Jeruzalem niet in handen zal vallen van de koning van Assyrië. U hebt toch zelf gehoord hoe de koningen van Assyrië alle landen die ze binnenvielen vernietigd hebben. Zou u dan gered worden?’
Toen Hizkia de brief had gelezen die de boden hem overhandigd hadden, ging hij naar de tempel van de Heer en legde de brief daar open voor Hem neer. En hij bad tot de Heer: ‘Heer, God van Israël, U die op de cherubs troont, U alleen bent God van alle koninkrijken op aarde, U hebt de hemel en de aarde gemaakt. Leen mij uw oor, Heer, en luister, open uw ogen en zie toe. Hoor met welke woorden Sanherib de levende God hoont. Het is waar, Heer, de koningen van Assyrië hebben andere volken en hun landen verwoest en hun goden aan het vuur prijsgegeven. Dat waren dan ook geen goden, het waren slechts maaksels van mensenhanden, beelden van hout en steen, die ze vernietigd hebben. Ik vraag U, Heer, onze God: red ons uit zijn handen, opdat alle koninkrijken op aarde zullen beseffen dat U, Heer, de enige God bent.’
Jesaja, de zoon van Amos, liet Hizkia weten: ‘Dit zegt de Heer, de God van Israël: Ik heb je gebed over koning Sanherib van Assyrië gehoord, en dit is wat Ik, de Heer, over hem zeg: Vrouwe Sion minacht je, ze lacht je uit, meewarig schudt Jeruzalem haar hoofd. De Judeeërs die ontkomen en het overleven, zullen wortel schieten en vrucht dragen, want wie het overleven en ontkomen, zullen zich vanuit Jeruzalem, vanaf de Sion verspreiden. De Heer zal zich daarvoor beijveren. Daarom – dit zegt de Heer over de koning van Assyrië: Hij zal deze stad niet te na komen. Hij zal er geen pijl op afschieten, geen schild tegen opheffen en geen wal tegen opwerpen. Hij zal op zijn schreden terugkeren en deze stad niet te na komen – spreekt de Heer. Omwille van Mijzelf en omwille van mijn dienaar David zal Ik deze stad beschermen en haar bevrijden.’
Diezelfde nacht trok een engel van de Heer ten strijde en doodde in het kamp van de Assyriërs honderdvijfentachtigduizend man.
Koning Sanherib van Assyrië brak het beleg op en keerde voorgoed terug naar zijn woonplaats Nineve.


Psalm 48, 2 + 3 + 4 + 10 + 11

Refr.: God is onze burcht.

Groot is de Heer, Hem komt alle lof toe.
In de stad van onze God, op zijn heilige berg.Drieeenheid_2

Schone hoogte, vreugde van heel de aarde,
Sionsberg, flank op het noorden,
zetel van de grote koning.

In haar vesting weet men:
God is onze burcht.

In uw tempel, God,
gedenken wij uw blijken van trouw.

Zoals uw Naam, o God, zo reikt ook uw roem
tot aan de einden der aarde,
uw rechterhand is vol van gerechtigheid.


Uit het evangelie volgens Matteüs 7, 6 +12-14

Na de bergrede geeft de evangelist Matteüs enkele korte christelijke leefregels. Wil je de weg van het leven inslaan, doe dan ook voor anderen, alles wat je wilt dat mensen voor u doen. Deze weg is smal zoals de weg van het kruis.

Jezus zei tot zijn leerlingen:
‘Geef wat heilig is niet aan de honden en gooi je parels niet voor de zwijnen; die zouden ze maar met hun poten vertrappen, zich omkeren en jullie verscheuren.
Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen. Dat is het hart van de Wet en de Profeten.
Ga door de nauwe poort naar binnen. Want de brede weg, die velen volgen, en de ruime poort, waar velen door naar binnen gaan, leiden naar de ondergang. Nauw is de poort naar het leven, en smal de weg ernaartoe, en slechts weinigen weten die te vinden.’

Van Woord naar leven

‘Behandel anderen steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen. Dat is het hart van de Wet en de Profeten.’ Zo sprak Jezus tot zijn leerlingen. Zo spreekt Hij tot ons vandaag.

Ieder mens verlangt met liefde en respect behandeld te worden. Dit omdat we diep vanbinnen aanvoelen dat de liefde van de ander naar ons toe ons niet enkel gelukkig maakt, maar ons ook tot meer mens maakt. Liefde krijgen doet je namelijk innerlijk groeien, het doet je in vrede leven, en vooral: het zet jezelf aan tot op jouw beurt de ander lief te hebben. En liefhebben maakt je tot meer mens. Niets dan voordelen dus.

Ik werk in een rusthuis, en onze vorige directrice zei steeds wanneer ze iemand nieuw in dienst nam: ‘Ga zo met de bewoner om alsof het uw eigen moeder of vader is’. Dat is iets soortgelijks.

Het komt erop neer de ander zijn diepste geluk te gunnen, hem innerlijke vrede te gunnen.

Een christen zal diep vanbinnen ook wensen dat die ander Jezus mag leren kennen in zijn leven, dat hij Hem ten diepste mag ontmoeten, omdat je zelf goed weet en ervaren hebt dat Christus de vervulling kan zijn van je eigen leven; je diepste geluk zeg maar.

Ooit heeft iemand jouw van Jezus vertelt… Het is niet verboden op jouw beurt nu ook de ander aan te spreken over Jezus. Doe dit ten gepasten tijde, met de goede woorden, begeleid door je gebed. Maar doe het. Ik denk dat we het te weinig doen.

Een eenvoudige oproep dus vandaag: anderen behandelen zoals we zelf willen behandeld worden. Moge je er zelf vreugde aan beleven.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Goede Jezus,Jesus-mercy-icon-3
mogen wij, naar de oproep uit het evangelie van vandaag, de ander steeds behandelen zoals we zelf zouden behandeld willen worden. Bewaar ons daarom, Heer, in uw liefde. Moge we in de ander U ontmoeten die vraagt bemind te worden. En moge ons ja-woord ons leven maken tot een feest.
In uw naam. Amen.