Lezingen van de dag – dinsdag 26 september 2017


Heilige (of feest) van de dag

Cosmas en Damianus van Cyrrhus († ca 303)

Cosmas van Cyrrhus, Mesopotamië (ook van Aegae, Cilicië, Klein-Azië = Huidig Turkije); arts & martelaar met zijn collega & broer Damianus & hun broers Anthimus, Leontius en Euprepius

Legende / (uit: Legenda Aurea door Jacques de Voragine / † 1298)

1. Cosmas en Damianus waren broers. Ze waren afkomstig uit de stad Aegae. Hun moeder was een vrome vrouw en heette Theodota. Ze studeerden medicijnen en kregen daarbij van de Heilige Geest zoveel bijstand dat zij alle ziekten en kwalen wisten te genezen. Niet alleen bij mensen, maar zelfs bij paarden. Nooit lieten zij toe dat zij voor hun zorgen betaald werden. Zo was er een vrouwe, Palladia genaamd, die al haar geld had uitgegeven aan geneesmiddelen; ten einde raad kwam zij de beide broers consulteren, die haar prompt wisten te genezen.

Uit dankbaarheid bood ze Damianus een heel bescheiden geschenkje aan. Eerst weigerde hij, maar uiteindelijk nam hij het toch aan, niet uit hebzucht, maar omdat de vrouw zo vriendelijk aandrong. Maar toen Cosmas ervan hoorde, gaf hij te kennen dat hij na zijn dood niet bij zijn broer in hetzelfde graf begraven wenste te worden. In de daarop volgende nacht verscheen hem de Heer zelve, en Hij zei dat er geen kwaad in stak dat zijn broer het geschenkje had aangenomen.
Ze werden zo beroemd dat ook de proconsul, Lysias, van hen hoorde. Hij liet ze voor zich verschijnen en hij informeerde naar hun naam, hun land van herkomst en hun rijkdommen. De heilige mannen gaven ten antwoord:
“Wij heten Cosmas en Damianus. Wij hebben nog drie broers: Anthimus, Leontius en Euprepius. Wij zijn afkomstig uit Arabië. Maar rijkdom, die hebben christenmensen niet.”
De proconsul liet ook de drie broers ontbieden. Zij weigerden de afgoden de verschuldigde eer te bewijzen.

Daarom liet hij hun handen en voeten met klinknagels doorboren. Maar zij dreven de spot met zijn martelingen. Toen liet hij hen omhangen met dikke zware kettingen en zo in zee gooien. Maar een engel schoot te hulp en haalde ze eruit, en zo kwamen ze weer voor de proconsul te staan. Deze riep uit:
“Jullie moeten wel grote tovenaars zijn dat je zulke trucs weet uit te halen. Leer mij die ook, in naam van mijn goden!”
Hierop verschenen er twee demonen die hem vastgrepen en hem fors in zijn gezicht sloegen. Hij wendde zich nu tot de twee heiligen:
“Vrienden, hebt medelijden met mij en bidt voor mij tot jullie God.”
Zij hieven een gebed aan en onmiddellijk sloegen de demonen op de vlucht. Toen merkte Lysias op:
“Zie je nou hoe geërgerd mijn goden zijn, alleen omdat ik maar even dacht hen te laten vallen? Ik zal het dus niet meer laten passeren, als jullie ze beledigen.”
Toen liet hij ze in een groot vuur werpen. Maar de vlammen deerden hen niet, ze verteerden echter wel een flink aantal heidenen die eromheen stonden te kijken.

Ze werden vastgebonden aan een schildersezel om gegeseld te worden, maar een engel wist hen te vrijwaren van alle pijn. Tenslotte werden de beulen zo moe dat ze vanzelf ophielden. Toen liet de proconsul de drie broers van de heiligen arresteren en in de gevangenis werpen, terwijl hij hun tweeën op een kruis liet stenigen. Maar de stenen die men naar hen toe gooide, zeilden terug naar de werpers zelf en verwondden zo een flink aantal mensen. Nu werd de proconsul zo witheet van woede dat hij de drie broers uit de gevangenis liet halen; vervolgens gaf hij opdracht de twee op het kruis met pijlen de doorzeven. Maar de pijlen die op hen afgeschoten worden keerden in de lucht weer om in de richting van degenen die ze afgeschoten hadden. Toen moest de proconsul zijn nederlaag wel inzien en hij liet ze alle vijf bij zonsopgang onthoofden.

De christenen hadden de woorden van Cosmas goed onthouden en maakten aanstalten om hem niet bij zijn andere broers in het graf te leggen. Maar plotseling begon een kameel met een menselijke stem te spreken en hij beval hun dat ze alle vijf bij elkaar begraven moesten worden. Dit alles vond plaats tijdens de regering van keizer Diocletianus.

2. Eens was een boer vermoeid van de oogst op zijn land in slaap gevallen. Tijdens zijn slaap kroop een slang door zijn mond naar binnen. Bij het wakker worden merkte hij niets en ging gewoon naar huis. Maar ’s avonds kreeg hij ondraaglijke pijn. Nu riep hij de heilige Cosmas en Damianus aan en ging naar hun kerk. Daar aangekomen kwam de slang weer naar buiten zoals hij naar binnen was gegaan.

3. Eens ging een man op weg voor een lange reis. Zijn vrouw beval hij aan in de zorgen de heilige Cosmas en Damianus. Toen sprak hij met haar een bepaald teken af: als iemand dat voor haar zou maken, zou zij weten dat het van hem afkomstig was en dat hij haar bij zich wilde laten komen. Maar de duivel had de afspraak van dat teken gezien. Hij begaf zich dus naar die vrouw, maakte het afgesproken teken en zei dat hij haar namens haar man kwam halen. Maar zij aarzelde:
“U maakt wel het goede teken, maar ik geloof het pas echt, als u wilt zweren bij de heilige martelaren Cosmas en Damianus, want aan hun zorgen heeft mijn man mij toevertrouwd.”
De duivel zwoer daarbij en nu ging die vrouw met hem mee. Maar toen ze eenmaal onbewoonde streken hadden bereikt, had zij in de gaten dat hij haar van zijn paard wilde afgooien met de bedoeling om haar te doden.
Zij zette het op een roepen:
“Heilige Cosmas en Damianus, help mij! Want toen ik met deze man meeging, heb ik me in feite aan u toevertrouwd.”
Onmiddellijk schoten de beide heiligen te hulp temidden van in het wit geklede troepen. Zij verdreven de duivel en zorgden ervoor dat hij er met de staart tussen zijn benen vandoor ging.

4. De Beentransplantatie
Paus Felix liet te Rome een grote kerk bouwen ter ere van de beide heiligen. De oppasser van deze kerk had een been dat helemaal weggevreten was van de kanker. Nu gebeurde het dat hij in de kerk was ingeslapen. Hij droomde dat de heilige artsen Cosmas en Damianus aan hem verschenen. Zij hadden allerlei zalfjes en dokterswerktuigen bij zich.
De ene zei tegen de ander:
“Waar zullen we gezond vlees vandaan halen om het gat te vullen dat wij moeten maken door dit rottende vlees weg te snijden?”
Daarop antwoordde die ander:
“Op het kerkhof van Sint-Petrus’ Banden is vandaag een Moor begraven; die is nog in goede staat. Haal daar maar vandaan wat wij hier nodig hebben.”
Daarop snelde de ene naar het kerkhof om het been van die Moor te gaan halen. Nu begonnen zij bij de zieke het bovenbeen weg te snijden en zetten er dat van de Moor voor in de plaats. Vervolgens smeerden ze de plek zorgvuldig met zalf in. Het been van de zieke stopten zij bij het lijk van de Moor.
Bij zijn ontwaken voelde de man geen enkele pijn. Hij greep naar zijn been, maar er mankeerde niets aan. Toen maakte hij licht en ontdekte dat er helemaal niets meer aan zijn been viel te zien. Eerst begon hij nog te twijfelen of het wel zijn eigen been was dat hij met zijn hand voelde. Maar tenslotte kwam hij tot zichzelf; zielsgelukkig sprong hij op en begon aan iedereen te vertellen wat hem in zijn droom was overkomen, en hoe de heilige martelaars hem in zijn slaap hadden beter gemaakt.
Voor alle zekerheid gingen ze toch maar even in het graf van de Moor kijken. Daar zagen ze inderdaad hoe diens been tot boven aan de heup was weggesneden met naast hem het afgezette zieke been.

Verering en cultuur

Ze werden begraven in de Syrische plaats Cyrrhos. Al spoedig werd er een gedachteniskerkje gebouwd op hun graf. Deze bedevaartskerk werd in de 6e eeuw door keizer Justinianus II († 565; feest 14 november) vergroot tot een aanzienlijke basilica. Van daaruit ontstonden in de oosterse kerk steeds meer kerken die aan beide artsenheiligen waren toegewijd. Tot op de dag van vandaag staan de beide dokter-martelaren in de oosters orthodoxe kerken in hoog aanzien en behoren zij tot de zogeheten ‘anarguroi’ (= ‘De Onbaatzuchtige Artsen’).

Westerse kerk
In de 4e eeuw bezat ook Rome al relieken. In diezelfde tijd werden hun namen toegevoegd aan de opsomming van heiligen in het canongebed. In 527 kwam de Cosmas- en Damianuskerk tot stand. Van daaruit verspreidde zich hun verering over de hele westerse wereld. Zo had Luik al in 560 een aan hen toegewijde bidkapel. In de 9e eeuw kwamen er relieken naar Centula (= St-Riquier aan de Somme bij Amiens), Prüm, Essen en Hildesheim. Daarnaast namen ze ook te Gosslar en Keulen een grote plaats in in de volksdevotie.

In Duitsland zijn zij patroons van de plaatsen Essen en Gosslar; in Italië van Florence; in Spanje van Salamanca; in Tsjechië van de landstreek Bohemen en van de stad Praag en in Zwitserland van de stad Zürich.

Daarnaast zijn zij de beschermheiligen van artsen, chirurgen en tandartsen; apothekers en drogisten; van bandagisten (vervaardigers en handelaars van breukbanden); van kappers en barbiers (in vroeger tijden oefenden zij voor arme mensen vaak de geneeskunst uit; soms legt men hier verband met de op Cosmas’ naam gelijkende ‘cosmetica’); van bakers en vroedvrouwen; van fysici; van badmeesters; van waskaarsenmakers, marskramers en suikerbakkers.

Ze worden aangeroepen voor een goede afloop van (been)transplantaties, tegen epidemieën, klierziekten, koorts, pest, ongezonde sappen, zweren, tegen de paardenziekte droes; ze zijn patroonheiligen van medische faculteiten.
Ze worden afgebeeld als geleerden; als baardeloze artsen met lange jurk met een pelsafzetting en mutsen; met slangenstaf; Cosmas met urinefles of urineglas, Damianus met zalfpot; vijzel of medicijnkist; chirurgische instrumenten; doos; fles; spatel; zwaard en palmtak (martelaarschap); pijl en brandstapel.

dinsdag in week 25 door het jaar


Uit het boek Ezra 6, 7-8 + 12b + 14-20

Het eerste feest dat de Israëlieten vierden in hun herbouwde tempel was het paasfeest. Na hun terugkeer uit de ballingschap was het wel bijzonder zinvol het bevrijdingsfeest te vieren zoals ze dat kenden sinds de uittocht uit Egypte. Ze waren zich zeer bewust wat God voor hen gedaan had.

In die dagen schreef koning Darius aan de stadhouders uit het gebied aan de overzijde van de Rivier: ‘Laat het werk aan de tempel van God ongestoord voortgang vinden. De gouverneur en de oudsten van de Judeeërs mogen de tempel herbouwen op zijn vroegere plaats. En ik heb bevel gegeven dat u de oudsten van de Judeeërs moet steunen bij de bouw van de tempel van God. Ik, Darius, heb dit bevel gegeven, en het moet nauwkeurig worden uitgevoerd.’
De oudsten van de Judeeërs vorderden gestaag met de bouw, dankzij het optreden van de profeet Haggai en van Zacharia, de kleinzoon van Iddo. Zij voltooiden de tempelbouw zoals de God van Israël en de Perzische koningen Cyrus, Darius en Artaxerxes bevolen hadden.
In het zesde regeringsjaar van koning Darius, op de derde dag van de maand adar, was de tempel gereed.
De Israëlieten, de priesters, de Levieten en de overige teruggekeerde ballingen, vierden de inwijding van de tempel van God met vreugde, en daarvoor brachten zij de volgende offers: honderd stieren, tweehonderd rammen en vierhonderd lammeren. Daarnaast offerden zij nog twaalf geitenbokken als reinigingsoffer voor heel Israël, één voor elk van de twaalf stammen. Ook werden de priesters ingedeeld in hun klassen en de Levieten in hun afdelingen, voor de dienst van God in Jeruzalem, volgens de voorschriften in het boek van Mozes.
De teruggekeerde ballingen vierden Pesach op de veertiende dag van de eerste maand. De priesters en de Levieten hadden zich allemaal gereinigd, zij allen waren rein. Ze slachtten het pesachlam voor alle ballingen, voor hun medepriesters, en voor zichzelf.

 

Psalm 122, 1-5

Refr.: Kom, laat ons gaan naar het huis van de Heer.

Verheugd was ik toen ik hoorde:
Wij gaan naar het huis van de Heer.

Verheugd ben ik, nu onze voeten staan,
binnen je poorten, Jeruzalem.

Jeruzalem, als een stad gebouwd,
hecht en dicht opeen.

Daar komen de stammen samen,
de stammen van de Heer.

Om Israëls plicht te vervullen,
te prijzen de Naam van de Heer.

Daar zetelt het gerecht,
daar troont het huis van David.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 8, 19-21

‘Mijn moeder en mijn broers zijn degenen die naar het woord van God luisteren en ernaar handelen.’

Jezus’ moeder en zijn broers kwamen naar Hem toe, maar ze konden niet bij Hem komen vanwege de menigte.
Zijn toehoorders zeiden tegen Hem: ‘Uw moeder en uw broers staan buiten, ze willen U spreken.’
Maar Hij antwoordde: ‘Mijn moeder en mijn broers zijn degenen die naar het woord van God luisteren en ernaar handelen.’

Van Woord naar leven

‘Mijn moeder en mijn broers zijn degenen die naar het woord van God luisteren en ernaar handelen.’

Jezus vraagt om naar het woord van God te luisteren, en ernaar te handelen.
Hij vraagt dat we ons onder Gods Woord plaatsen.

Jezus is het mensgeworden Woord, en wilt niet liever dan dat wij ons nestelen in dat Woord, onze woning maken in Hem, ons laten opnemen door Hem. Het is leven in overgave aan Hem, delend in zijn ja-woord tot de Vader. En zoals Jezus ten volle gehoor gaf aan wat de Vader van Hem vroeg, zo zullen wij in Jezus’ naam op onze beurt gehoor geven aan wat de Vader van ons vraagt.

Op deze wijze mogen we moeder, broeder en zuster zijn van elkaar; wij allen die bewoond zijn door Jezus.
We mogen moeder zijn van elkaar door elkaar te brengen naar het hart van het bestaan: God. Zoals een goede moeder waakt over de diepste geheimen van haar kind, zo mogen wij waken over elkaar dat we onder Gods Woord blijven, dat we mogen leven in wat waar is, los van de leugen, los van het kwaad. We mogen broeders en zusters zijn van elkaar om het feest van de vrede met elkaar te delen, van Hem ontvangend, Hem aan elkaar schenkend.

Laten we ons plaatsen onder Gods Woord, het be-amen, er gehoor aan geven, om dan samen als een warme gemeenschap Gods liefde te belichamen.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Goede God,
het is een wonder van uw genade dat allen die luisteren naar uw woord en ernaar handelen, broeders en zusters van uw Zoon worden genoemd. Maak ons bereid om te leven naar het evangelie en neem ons op in dat grote mystieke Lichaam van uw Zoon: Jezus Christus, onze broer en Heer.
Kom heilige Geest. Amen.