Lezingen van de dag – dinsdag 31 juli 2018


Heilige (of feest) van de dag

Ignatius van Loyola († 1556)

Rome, Italië; ordestichter & mysticus

Ignatius van Loyola was van Baskische adel. Zijn opvoeding was navenant. Tijdens een slag bij de stad Pamplona in 1521 gedroeg hij zich zo overdreven dapper, dat hij door een vijandige kogel werd getroffen aan de knie. Op dat moment was hij dertig jaar oud. In het stamslot te Loyola werd hij verpleegd. Er bleef hem niets anders over dan te dagdromen wat hij straks na zijn genezing allemaal voor een mooie, hoofse dame zou doen om haar aandacht en liefde te winnen. Tenslotte begon hij uit pure verveling de twee enige boekjes te lezen die er in het huis te vinden waren: een levensbeschrijving van Jezus, en een bundeltje heiligenlevens. Vanaf dat moment had hij er een onderwerp bij om over te dagdromen: ‘Hoe zou het zijn als ik net als Sint Franciscus ging doen, of als Sint Dominicus?’ Na verloop van tijd bemerkte hij hoe de dagdromen over Franciscus en Dominicus hem veel meer voldoening schonken dan de andere over zijn hoofse dame.

Intussen bleek dat de knie niet goed genas. Er groeide een vreemd uitstekend bot naar buiten. Omdat hij zo nooit voor zijn hoofse dame zou kunnen verschijnen, verzocht hij de dokter, nadat deze het been nog eens gebroken en opnieuw gezet had, het eenvoudig weg te zagen. Zonder verdoving en twee keer een traan wegpinkend doorstond hij deze barre operatie. Toch bleven de fantasieën over de navolging van de heiligen hem meer troost bieden. Hij beschouwde dat verschijnsel als een signaal van ‘de goede geest’, en trok de consequentie dat hij dus aan díe geest moest gehoorzamen.

Na zijn genezing – al bleef hij zich sindsdien wat hinkend voortbewegen – trok hij zich terug in de eenzaamheid, om nog veel meer gebedservaring op te doen. God had hem op zijn ziekbed door de innerlijke bewegingen van troost en dorheid de eerste lessen in onderscheiding der geesten en gebed bijgebracht. Hij zou dat ook in het vervolg blijven doen. Ignatius hield nauwgezet notitie bij van wat hij in zijn gebed doormaakte. Uit die aantekening is zijn handleiding voor het begeleiden van bidders gegroeid: de “Geestelijke Oefeningen”.

Daarin legt Ignatius achtereenvolgens de nadruk op het ordenen van je leven, of beter het inordenen van je leven binnen Gods bedoeling met de wereld; vervolgens op de navolging van Christus door punctueel de evangelieverhalen te overwegen, te proeven en te smaken; en tenslotte op het vermogen om in alle dingen Gods liefde te zoeken en te vinden.

Hij was ervan overtuigd, dat deze gaven hem geschonken waren om door te geven. Zo begon hij mensen te begeleiden in hun gebed. Op zijn veertigste zette hij zich nog aan een theologiestudie te Parijs om beter onderlegd te zijn in het geven van de Geestelijke Oefeningen. Aan de universiteit probeerde hij met behulp van zijn gebedsmethode studenten te winnen voor Christus. Tenslotte vormde zich een groep van negen studenten rond de Geestelijke Oefeningen. De beroemdste van hen is wel Franciscus Xaverius, net als Ignatius een Bask, maar beider families leefden zo’n beetje op voet van oorlog met elkaar.

In 1534 legden de eerste paters de geloften af van maagdelijkheid om daarmee te symboliseren, dat ze zich met al hun vermogens zouden inzetten om mensen voor Christus te winnen. Dit gebeurde in een kapelletje op de Montmartre, even buiten Parijs. In feite ligt daar het ontstaan van de jezuïetenorde, ook wel Sociëteit van Jezus genoemd. Ignatius heeft zich er altijd tegen verzet dat de door hem gestichte orde Ignatianen of Iniguïsten zou heten.

In 1540 werd de Orde officieel door de paus goedgekeurd. Het bijzondere was, dat de paus de onvoorwaardelijke volmacht kreeg om de leden ervan daarheen te sturen, waar hij, als plaatsbekleder van Christus, meende ze het meest nodig te hebben.

Ignatius was kort daarvoor door de anderen tot Algemeen Overste gekozen (in het Latijn van die dagen: Superior Generalis, kortweg ‘Generaal’ geheten). Tot aan zijn dood was hij het bezielende middelpunt van een snel groeiende en zich wereldwijd vertakkende organisatie. Hij bezwoer de paters om regelmatig brieven te schrijven, zodat hij op de hoogte kon blijven, en zich aan hun verhalen kon inspireren. Zelf schreef hij er zowel vóór als na zijn generaalskeuze duizenden.

Was de Orde in 1540 begonnen met tien man, zestien jaar later bij Ignatius’ dood telde ze duizend paters en broeders, verspreid over vestigingen in heel Europa, Azië, Ethiopië en de beide Amerika’s.

Zijn grafschrift luidt: “Voor hem was het kleinste niet te klein en het grootste niet te groot.”

Hij is patroon van bezinningshuizen. Zijn voorspraak wordt o.m. ingeroepen voor het krijgen van kinderen, wanneer dat moeilijk lijkt (ook bij dieren).

dinsdag in week 17 door het jaar


Uit de profeet Jeremia 14, 17-22

De rampen die Jeremia zelf als straf heeft aangekondigd zijn hem te bar. In een ontroerend en diepmenselijk gebed richt hij zich tot God en vraagt zijn verbond toch niet te vergeten. In de plaats van het volk erkent hij zijn misdaden en zonden en blijft hopen op God.

‘Laten mijn ogen vloeien van tranen, nacht en dag. Ogen, kom niet tot rust, want mijn volk is deerlijk verwond, niet te helen is zijn letsel.
Als ik naar de akkers ga, zie ik ze liggen, geveld door het zwaard. Als ik de stad in ga, zie ik ze liggen, uitgeteerd door de honger. Zelfs profeten, zelfs priesters komen terecht in een onbekend land.
Hebt U Heer Juda verworpen, hebt U van de Sion een afkeer gekregen? Waarom hebt U ons zo hard geslagen dat er geen genezing voor ons is? Wij hoopten op vrede, maar vrede bleef uit, wij verwachtten genezing, maar angst overviel ons.
Heer, wij bekennen onze schuld, en de schuld van onze voorouders: wij hebben tegen U gezondigd.
Maar verstoot ons toch niet, doe het niet, omwille van uw Naam. Ontluister uw troon toch niet, denk aan uw verbond met ons, verbreek het niet.
Brengen die nietige goden van andere volken soms regen, of schenkt de hemel buien uit zichzelf? U, de Heer, onze God, doet dat toch? Wij vestigen onze hoop op U, want U hebt alles gemaakt.’

 

Psalm 79, 8 + 9 + 11 + 13

Refr.: God van ons heil, om uw Naam, bevrijd ons.

Reken ons de zonden van vroeger niet aan,
toon erbarmen en haast U,
want onze ellende is groot.

Help ons, God, bevrijd ons,
tot eer van uw roemrijke Naam,
red ons en bedek onze zonden,
omwille van uw Naam.

Laat het zuchten
van uw geknechte volk U bereiken,
machtig is uw arm:
houd in leven wie ten dode zijn gedoemd.

Wij zijn uw volk, de kudde die U hoedt,
wij zullen U prijzen tot in eeuwigheid,
van geslacht op geslacht verhalen van uw roem.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 13, 36-43

De parabel van het onkruid tussen de tarwe wil een les zijn van geduld. Zij geldt voor allen die zich verwonderen over de traagheid waarmee God optreedt en over zijn geduld en gematigdheid tegenover de slechten. Zij wil ons leren de anderen niet voorbarig te oordelen en spoort ons aan onze tijd te benutten voor eigen bekering.

In die dagen stuurde Jezus de mensen weg en ging naar huis. Zijn leerlingen kwamen bij Hem en vroegen: ‘Wilt U ons de gelijkenis van het onkruid op de akker uitleggen?’
Hij antwoordde hun: ‘Hij die het goede zaad zaait is de Mensenzoon, de akker is de wereld, het goede zaad dat zijn de kinderen van het koninkrijk; het onkruid dat zijn de kinderen van het kwaad, de vijand die het zaait is de duivel, de oogst staat voor de voltooiing van deze wereld en de maaiers zijn de engelen. Zoals het onkruid bijeengebonden wordt en in het vuur verbrand, zo zal het gaan bij de voltooiing van deze wereld: de Mensenzoon zal zijn engelen erop uitsturen, en ze zullen uit zijn koninkrijk allen die anderen ten val hebben gebracht en de wetten hebben verkracht bijeenbrengen en hen in de vuuroven werpen; daar zullen ze jammeren en knarsetanden. Dan zullen de rechtvaardigen in het koninkrijk van hun Vader stralen als de zon. Laat wie oren heeft goed luisteren!’

Van Woord naar leven

Moeten we het onkruid uitroeien? Weg met degenen die kwaad doen? ‘Nee’ zegt Jezus heel duidelijk.
Moeten we dat allemaal dan zomaar verdragen? ‘Ja’ zegt Jezus, ‘laat beiden samen opgroeien tot de oogst’.
Dulden dus, eindeloos dulden. We moeten het geduld van God hebben. We moeten het onduldbare dulden en daarbij ons hart tot vrede stemmen opdat de barmhartigheid van de Heer mag zegevieren.

Wilt dat zeggen dat wij niet mogen strijden tegen het kwaad? Jawel, we mogen en moeten strijden, zowel tegen het kwaad in onszelf als tegen het kwaad rondom ons. Maar het moet een heilig strijden zijn, gericht op de bevrijding van hen die kwaad doen. Dat is dus geen strijd met wapens, maar een strijd getekend door liefde en vergeving, door geloof in het kruis dat redding brengt voor ieder, ook voor ons.

De mensen zouden aan ons moeten kunnen zien hoe het goddelijk geduld doorgaat in de geschiedenis.

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Goede God,
als zaad in de akker hebt Gij uw liefde in ons hart gelegd. Moge deze liefde tot volle bloei en wasdom komen. Als we een keer de bal misslaan, of traag zijn, of wat dan ook, mogen we dan geduld hebben met elkaar; een geduld dat haar wortels heeft in Christus. Amen.