Lezingen van de dag – dinsdag 7 februari 2017


Heilige (of feest) van de dag

Lucas de Wonderdoener  († ca 947)

Lukas (ook Loukas) de Wonderdoener (ook van Hellas, van de Stirionberg, van Stiris of Thaumaturgos), Griekenland; kluizenaar

Hij was afkomstig uit de buurt van Athene. Volgens de verhalen die rond zijn persoon worden overgeleverd, zou hij als klein kind al bijzonder gevoelig geweest zijn voor godsdienstige zaken. Hij had hart voor de armen, besteedde veel tijd aan gebed en hield zich aan de vastenpraktijken van de kerk.

Hij was nog jong, toen zijn vader stierf. Nu was hij verantwoordelijk voor het stukje grond van de familie. Zo wordt er van hem verteld dat hij er in een bepaald voorjaar op uit trok om het land in te zaaien. Onderweg kwam hij een arme bedelaar tegen aan wie hij zoveel zaaigoed afstond dat hij te weinig overhield om het gehele oppervlak van zijn eigen grond te voorzien. Maar God liet zijn goedkeuring blijken doordat uit het schamele restje zaad een enorme oogst groeide.

Lukas was hier zo van onder de indruk dat hij besloot monnik te worden. Zonder zijn moeder iets te zeggen, meldde hij zich aan bij een klooster in het naburige Athene. Moeder was ontroostbaar en in haar verdriet bad zij tot God dat Hij zo goed wilde zijn haar de verblijfplaats van haar zoon te onthullen. Daarop droomde de hègoumen (overste) van het klooster drie nachten achtereen dezelfde droom. Een vrouw verscheen hem die hem met grote heftigheid verweet haar zoon van haar te hebben afgenomen.

Geschokt riep de hègoumen Lukas bij zich en ondervroeg hem over de omstandigheden van thuis. Onmiddellijk beval hij hem naar huis terug te keren en voor zijn moeder te gaan zorgen. Toen moeder vier maanden had aangezien, hoezeer hij zich tot het monniksleven voelde aangetrokken en hoeveel verdriet het hem deed niet aan die roeping te kunnen voldoen, gaf zij hem tenslotte haar zegen.

Nu meldde hij zich aan bij een ander klooster. Toch werd hij het liefst kluizenaar. Hij trok zich terug op de berg Joanitza (of Joanitra) bij Korinte. Daar stond een kerkje dat was toegewijd aan de heilige artsen Cosmas en Damianus († 303; feest 26 september). Hij bouwde een eenvoudig hutje tegen de kerk aan en legde een moestuintje aan voor zijn onderhoud. Zeven jaar verbleef hij op die plek; deed er ’s nachts zijn gebeden en ontving overdag mensen die hem om raad of gebed kwamen vragen. Twee bejaarde monniken die bij hem langs kwamen, achtten hem waardig voor de grote monnikengeloften. Daarmee was zijn hartenwens vervuld.

Door de invallen van de Bulgaren zag hij zich genoodzaakt naar elders te trekken. Nu ging hij in de leer bij een pilaarheilige in het Peloponnesusgebergte. Tien jaar zorgde hij voor hem zoals een kind voor zijn vader. Toen keerde hij terug naar zijn Joanitraberg. Maar daar werd zijn dierbare rust steeds meer verstoord door toeloop van mensen. Zij kwamen af op de wonderen die over hem verteld werden; die wilden ze met eigen ogen wel eens zien.

Opnieuw trok hij zich terug. Nu naar een nog verder afgelegen berg in de landstreek Fokis, Stirion genaamd. Daar is hij tenslotte gestorven, naar men aanneemt op 57-jarige leeftijd.

Op zijn graf werd door Romanos II Theofanu het beroemde klooster Hosios Loukas gebouwd. Nog altijd komen er pelgrims naartoe om zijn hulp in te roepen.

Hij wordt afgebeeld als monnik met baard, de monnikskap over het hoofd, in gebedshouding (de beide armen uitgespreid ten hemel).

dinsdag in week 5 door het jaar


Uit het boek Genesis 1, 20 – 2, 4a

De bekroning van de schepping is de mens. Hij wordt aangesteld als koning ervan. Al het aardse wordt hem als gave in handen gegeven opdat hij daarmee de anderen gelukkig en de wereld steeds meer bewoonbaar zou maken. Dit betekent dat God de mens maakte naar zijn beeld. De mens is voortaan Gods getuige op aarde.

God zei: ‘Het water moet wemelen van levende wezens, en boven de aarde, langs het hemelgewelf, moeten vogels vliegen.’ En Hij schiep de grote zeemonsters en alle soorten levende wezens waarvan het water wemelt en krioelt, en ook alles wat vleugels heeft. En God zag dat het goed was. God zegende ze met de woorden: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk en vul het water van de zee. En ook de vogels moeten talrijk worden, overal op aarde.’ Het werd avond en het werd morgen. De vijfde dag.
God zei: ‘De aarde moet allerlei levende wezens voortbrengen: vee, kruipende dieren en wilde dieren.’ En zo gebeurde het. God maakte alle soorten in het wild levende dieren, al het vee en alles wat op de aardbodem rondkruipt. En God zag dat het goed was.
God zei: ‘Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.’ God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep Hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep Hij de mensen. Hij zegende hen en zei tegen hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.’ Ook zei God: ‘Hierbij geef Ik jullie alle zaaddragende planten en alle vruchtbomen op de aarde; dat zal jullie voedsel zijn. Aan de dieren die in het wild leven, aan de vogels van de hemel en aan de levende wezens die op de aarde rondkruipen, geef Ik de groene planten tot voedsel.’ En zo gebeurde het.
God keek naar alles wat Hij had gemaakt en zag dat het zeer goed was. Het werd avond en het werd morgen. De zesde dag.
Zo werden de hemel en de aarde in al hun rijkdom voltooid. Op de zevende dag had God zijn werk voltooid, op die dag rustte Hij van het werk dat Hij gedaan had. God zegende de zevende dag en verklaarde die heilig, want op die dag rustte Hij van heel zijn scheppingswerk.
Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde. Zo ontstonden ze, zo werden ze geschapen.

 

Psalm 8, 4-9

Refr.: Heer, hoe ontzagwekkend is uw Naam op aarde.

Zie ik de hemel, het werk van uw vingers,
de maan en de sterren door U daar bevestigd,
wat is dan de sterveling dat U aan hem denkt,
het mensenkind dat U naar hem omziet ?

U hebt hem bijna een god gemaakt,
hem gekroond met glans en glorie,
hem toevertrouwd het werk van uw handen
en alles aan zijn voeten gelegd.

Schapen, geiten, al het vee,
en ook de dieren van het veld,
de vogels aan de hemel, de vissen in de zee
en alles wat trekt over de wegen der zeeën.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 7, 1-13

Jezus’ houding tegenover wetten, voorschriften, gezag en vrijheid, werd sterk gekenmerkt door de nadruk die Hij legde op de waarde van de innerlijkheid, de overtuiging. Jezus waarschuwt de Farizeeën van alle tijden tegen schijnheiligheid en tegenover een overdreven wettelijkheid.

Ook de Farizeeën en enkele van de schriftgeleerden die uit Jeruzalem waren gekomen, hielden zich in Jezus’ nabijheid op. En toen ze zagen dat sommige leerlingen brood aten met onreine handen, dat wil zeggen, met ongewassen handen (de Farizeeën en alle andere Joden eten namelijk pas als ze hun handen gewassen hebben, omdat ze zich aan de traditie van hun voorouders houden, en als ze van de markt komen, eten ze pas als ze zich helemaal gewassen hebben, en er zijn nog allerlei andere tradities waaraan ze zich houden, zoals het schoonspoelen van bekers en kruiken en ketels), toen vroegen de Farizeeën en de schriftgeleerden Hem: ‘Waarom houden uw leerlingen zich niet aan de tradities van onze voorouders en eten ze hun brood met onreine handen?’
Maar Hij antwoordde: ‘Wat is de profetie van Jesaja toch toepasselijk op huichelaars als u! Er staat immers geschreven: “Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is ver van mij; tevergeefs vereren ze mij, want ze onderwijzen hun eigen leer, voorschriften van mensen.” De geboden van God geeft u op, maar aan tradities van mensen houdt u vast.’
En Hij vervolgde: ‘Mooi is dat, hoe u Gods geboden ongeldig maakt om uw eigen tradities overeind te houden! Heeft Mozes niet gezegd: “Toon eerbied voor uw vader en uw moeder”, en ook: “Wie zijn vader of moeder vervloekt, moet ter dood gebracht worden”?
Maar u leert dat iemand tegen zijn vader of moeder mag zeggen: “Alles wat van mij is en voor u van nut had kunnen zijn is korban”’(wat ‘offergave’ betekent), ‘waarmee u hem niet toestaat nog iets voor zijn vader of moeder te doen, en zo ontkracht u het woord van God door de tradities die u doorgeeft; en u doet nog veel meer van dit soort dingen.’

Van Woord naar leven

Jezus sprak tot de Schriftgeleerden en Farizeeën: ‘Wat is de profetie van Jesaja toch toepasselijk op huichelaars als u! Er staat immers geschreven: “Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is ver van mij.’

Bidden is buiten- én binnenkant. De buitenkant is ons lichaam, het zijn onze lippen, het is onze houding, onze kleding, de sfeerschepping. Hoe belangrijk deze dingen ook zijn, ze behoren niet tot het wezen van het gebed. Dat wezen speelt zich immers af diep in onze ziel, daar waar Christus Gods Geest neerlegt; de Geest die in ons bidt, de Geest die ons doet bidden. Wie niet tot de diepte van dit mysterie kan afdalen wanneer hij bidt, zal zeer moeilijk tot echt gebed kunnen komen. De lippen zullen bewegen, de kaarsen zullen branden, de gebedshouding zal er zijn, maar het is meer een gebed van verlangen naar, dan een bidden in.

En wat ik zeker niet wil zeggen is dat deze vorm van gebed geen zin zou hebben. Soms spelen we het niet klaar af te dalen tot het echte bidden vanuit onze ziel, en blijven we steken in het oppervlakkig prevelen van gebeden, dorst als we hebben naar echt gebed. Deze vorm van bidden is niet onbelangrijk. Je bidt, en dat is al heel wat. En God ziet en kent je verlangen. Bidden zonder af te dalen in de ziel is immers in zekere zin al een waaien van de Geest. Je verlangt, je doet moeite.
Je mag je zeker niet laten ontmoedigen wanneer je bij jezelf vaststelt dat het nu even niet dieper kan. God is meer werkzaam dan je denkt, ook in je verlangen naar, en je denken dat het je niet lukt. Je moet alleen volhouden. Niet ophouden. Een gouden sleutel !!

In wezen is bidden je neervlijen in de warmte van de Geest. Zelf niet al te veel doen. Hem vooral laten doen. Ja, de Geest laten zuchten, Hem laten verlangen, Hem laten roepen, Hem laten aanbidden, Hem laten vragen, in Hem trachten te luisteren, in Hem trachten te ontvangen, in Hem trachten te ‘zijn’. Ja, de Geest in je, met je, door je.

Moge je buitenkant je binnenkant dienen. Als je knielt, moge je dit tot ware nederigheid maken. Als je zwijgt mogen je dit tot een arme van geest maken.

Bidden speelt zich af vanbinnen. Het is een meedelen van God, een openbaring van zijn liefde, waarin Hij oproept deelgenoot te worden, bruid of bruidegom, liefdespartner, medevlam.

Laten we in ons bidden met ons hart in de Heer zijn, zoals Hij in ons is. Is het licht ? Dat is het goed. Is het duister ? Dan is het ook goed. Ben je verzadigd ? Dan is het goed. Heb je dorst ? Ook dan is het goed. Hij is er, én jij. Hij bemint je, en jij Hem. Laat dat genoeg zijn. Basta.

En dan leven, hen beminnen die u gegeven zijn. Beminnen vanuit je bidden, in het gebed blijvend. Niet zoals de Schriftgeleerden uit het evangelie van vandaag, God erend met de lippen, maar met hun hart ver van Hem. Nee, beminnen vanuit de liefde van Heer, vanuit zijn aanwezigheid, vanuit onze eenheid met Hem.

Moge het innerlijk gebed, het gebed in de Geest, het hart zijn van je leven. Amen.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer,
schenk ons de gave
van het innerlijk gebed,
waarin wij in de liefde van uw Geest
U ten diepste mogen ontmoeten.
Trek ons in de brand van uw liefde
en doe ons tafelen aan uw Drie-ene Liefde,
als een gebed zonder ophouden.
Amen.