Lezingen van de dag – dinsdag 8 dec. 2015


Heilige (of feest) van de dag

Maria Onbevlekt Ontvangenpatroonsfeest50

Hoogfeest

Omdat Maria was uitverkoren de moeder van Jezus te worden, werd ze zonder erfzonde geboren, sterker nog: reeds vanaf het moment dat ze werd ontvangen in de schoot van haar moeder, is ze gevrijwaard gebleven van de zonde.
Ze is dus onbevlekt ontvangen in de moederschoot.

Hoewel dit geloof al zeer oud is onder de christenen, werd het in de Katholieke Kerk pas op 8 december 1854 door paus Pius IX († 1878; sterfdag 7 februari) als dogma uitgeroepen.
Vanouds staat het feest op 8 december. Reeds in de vijfde eeuw was er te Jeruzalem een kerk verrezen ter ere van Maria’s geboorte. Deze was ingewijd op 8 september. Die datum werd sindsdien gevierd als Maria Geboorte.
Omdat Maria’s conceptie in de moederschoot negen maanden vóór haar geboorte ligt, werd de feestdag van Maria Onbevlekt Ontvangen dientengevolge 8 december.
Wanneer de openbaringen van Anna Katharina Emmerich ook maar enigszins op waarheid berusten, zouden we mogen aannemen, dat Maria stierf in het jaar 48 op 64-jarige leeftijd. Op het moment van Jezus’ geboorte moet zij zestien jaar oud geweest zijn. Dat is niet onwaarschijnlijk. Haar Onbevlekte Ontvangen zou dan in het jaar 17 vóór Chr. geplaatst moeten worden.

MARIA ONBEVLEKT ONTVANGEN

Hoogeest   –   eigen lezingen

Wij mensen kunnen niet zeggen dat wij altijd trouw zijn aan ons gegeven woord. Wij schipperen en zoeken zo vaak ons eigen belang. Bij God is dit ondenkbaar. Hij blijft trouw aan zijn beloften spijt de ontrouw van de mens. Hij draagt ons een goed hart toe, Hij leidt ons naar de uiteindelijke voltooiing en zegt dat alle kwaad in de wereld overwonnen kan worden. In Jezus is dit reeds gebeurd. In Hem, de Zoon van Maria, die wij vandaag vereren, is Gods woord aan ons tot vervulling gekomen. Dat God dit zo menselijk heeft willen voltrekken door bemiddeling van Maria, de Onbevlekte Ontvangene, moet ons met grote dankbaarheid vervullen.

 

Uit het boek Genesis 3, 9-15 + 20

‘Vijandschap sticht Ik tussen jou en de vrouw, tussen jouw nageslacht en het hare’.

Toen de mens zich tussen de bomen van de tuin verborgen had, riep de Heer God de mens en vroeg hem: ‘Waar ben je?’
Hij antwoordde: ‘Ik hoorde U in de tuin en werd bang omdat ik naakt ben; daarom verborg ik me.’
‘Wie heeft je verteld dat je naakt bent? Heb je soms gegeten van de boom waarvan Ik je verboden had te eten?’
De mens antwoordde: ‘De vrouw die U hebt gemaakt om mij ter zijde te staan, heeft mij vruchten van de boom gegeven en toen heb ik ervan gegeten.’
‘Waarom heb je dat gedaan?’ vroeg God, de Heer, aan de vrouw.
En zij antwoordde: ‘De slang heeft me misleid en toen heb ik ervan gegeten.’
God, de Heer, zei tegen de slang: ‘Vervloekt ben jij dat je dit hebt gedaan, het vee zal je voortaan mijden, wilde dieren wenden zich af; op je buik zul je kruipen en stof zul je eten, je hele leven lang. Vijandschap sticht Ik tussen jou en de vrouw, tussen jouw nageslacht en het hare, zij verbrijzelen je kop, jij bijt hen in de hiel.’
De mens noemde zijn vrouw Eva; zij is de moeder van alle levenden geworden.

 

Psalm 98, 1-4

Refr.: Wonderen heeft de Heer verricht.

Zing voor de Heer een nieuw lied:
wonderen heeft Hij verricht.244e8307a57f8ddc100aada7c09329d4

Zijn rechterhand heeft overwonnen,
zijn heilige arm heeft redding gebracht.

De Heer heeft zijn overwinning bekendgemaakt,
voor de ogen van de volken zijn gerechtigheid onthuld.

Hij heeft gedacht aan zijn liefde en trouw
voor het volk van Israël.

De einden der aarde hebben het gezien:
de overwinning van onze God.

Juich de Heer toe, heel de aarde,
juich en jubel, zing het uit.

 

Uit de brief van Paulus aan de Efesiërs 1, 3-6 + 11-12

‘In Christus heeft God ons vol liefde uitgekozen’.

Broeders en zusters,
gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons in de hemelsferen, in Christus, met talrijke geestelijke zegeningen heeft gezegend.
In Christus immers heeft God, voordat de wereld gegrondvest werd, ons vol liefde uitgekozen om voor Hem heilig en zuiver te zijn, en Hij heeft ons naar zijn wil en verlangen voorbestemd om in Jezus Christus zijn kinderen te worden, tot eer van de grootheid van Gods genade, ons geschonken in zijn geliefde Zoon.
In Hem heeft God, die alles naar zijn wil en besluit tot stand brengt, ons de bestemming toebedeeld om vanaf het begin onze hoop te vestigen op Christus, tot eer van Gods grootheid.

 

Alleuia.timthumb.php

De Heer wil ik dienen,
sprak Maria.

Alleluia.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 1, 26-38

‘Wees niet bang, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken’.

In de zesde maand zond God de engel Gabriël naar de stad Nazaret in Galilea, naar een meisje dat was uitgehuwelijkt aan een man die Jozef heette, een afstammeling van David. Het meisje heette Maria.
Gabriël ging haar huis binnen en zei: ‘Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je.’
Ze schrok hevig bij het horen van zijn woorden en vroeg zich af wat die begroeting te betekenen had.
Maar de engel zei tegen haar: ‘Wees niet bang, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet Hem Jezus noemen. Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en God, de Heer, zal Hem de troon van zijn vader David geven. Tot in eeuwigheid zal Hij koning zijn over het volk van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.’
Maria vroeg aan de engel: ‘Hoe zal dat gebeuren? Ik heb immers nog nooit gemeenschap met een man gehad.’
De engel antwoordde: ‘De heilige Geest zal over je komen en de kracht van de Allerhoogste zal je als een schaduw bedekken. Daarom zal het kind dat geboren wordt, heilig worden genoemd en Zoon van God. Luister, ook je familielid Elisabet is zwanger van een zoon, ondanks haar hoge leeftijd. Ze is nu, ook al hield men haar voor onvruchtbaar, in de zesde maand van haar zwangerschap, want voor God is niets onmogelijk.’
Maria zei: ‘De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd.’
Daarna liet de engel haar weer alleen.

Van Woord naar leven

In het evangelie van vandaag hebben we gehoord hoe er een ontmoeting plaatsvindt tussen hemel en aarde, tussen God en mens. Een ontmoeting tussen een vertegenwoordiger van God: de engel Gabriël, van Godswege gezonden en een vertegenwoordiger van de aarde: Maria.

Maar wat gebeurt er nu in zo’n ontmoeting? Wat wordt er gezegd, en wat wordt er niet gezegd? Wat gebeurt er wanneer wij in gebed zijn, in een inwendig, persoonlijk gebed? Want wat ons hier in het evangelie wordt voorgehouden, is eigenlijk zoveel als een gebedservaring, een Godservaring, een Godsontmoeting. In dit gebeuren van de Blijde Boodschap van de engel aan Maria is de engel aan het woord, hij spreekt en Maria zwijgt, of beter gezegd: Maria luistert. Eén keer, aan het begin, vertoont ze iets van een reactie, maar niet door iets te zeggen. Die reactie was op het woord van de engel: “Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je.” Dat roept niet een zekere ongerustheid, maar een zekere verbazing, verwondering in haar op. De engel stelt haar echter gerust en effent zodoende het pad naar haar hart, waar hij met die boodschap wil terecht komen.

In het hart wil de engel bij Maria binnengaan, en in het gebed wil God met zijn Woord in ons hart binnengaan, want God wil niet alleen ons verstand verlichten, ons iets doen begrijpen, een waarheid aan het licht brengen, Hij wil ook en bovenal met zijn Woord ons hart raken, Hij wil ons zijn heilige Geest meedelen, zijn liefde. God wil ons niet alleen een leer of een inzicht geven, maar de waarheid zelf, de waarheid in eigen Persoon, of de goedheid in eigen Persoon. Daar hoort bij, omdat het God zelf is, dat er ontzag wordt opgewekt in ons hart, eerbied, heilige vrees. ‘Maria schrok hevig bij het horen van zijn woorden en vroeg zich af wat die begroeting te betekenen had.’ Als dat ontzag voor God er eenmaal is, dan kan God verder gaan, Hij stelt gerust, geeft vrede, en maakt zo het hart ontvankelijk voor vertrouwelijkheid en intimiteit: “Wees niet bang, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken.”

Maar hoe zal dat gebeuren? Langs welke weg komt de genade van het gebed ons leven binnen? Langs welke weg kan God opnieuw geboren worden met Kerstmis. Maria vraagt: “Hoe zal dat gebeuren? Ik heb immers nog nooit gemeenschap met een man gehad.” En wij vragen met haar mee: Hoe zal dat geschieden? Hoe zal er een grotere vertrouwelijkheid ontstaan met God, hoe krijg ik een hart dat méér aan God is toegewijd, dat helemaal ontvankelijk en vrij is voor Hem. Ik, die zo vast zit aan mijzelf, zo door eigenliefde word beheerst, mijzelf van alles heb toegeëigend en dat ook graag zo houden wil. Hoe zal dit geschieden, dat ik, die méér ben van mezelf dan van Hem, méér van Hem word?
De engel geeft aan Maria als antwoord: “De heilige Geest zal over je komen en de kracht van de Allerhoogste zal je als een schaduw bedekken.” De heilige Geest, de kracht van de Allerhoogste, niet de kracht van een man, maar van God. Het is geen uitwendige macht, maar een inwendige, zachte kracht. Het is enkel liefde, die alleen op te nemen is in het hart. Het is een zoete, zachte kracht die bezit neemt van het hart.

In het gebed gaat het nog steeds zo met de woorden van God. Deze worden opgenomen in het hart, zoals er van Maria ook staat: “Maria bewaarde al deze woorden – woorden van de engel door de herders overgebracht – in haar hart en overwoog ze bij zichzelf” (Lc 2,19). Als God eenmaal met zijn Geest tot die diepte van ons wezen is doorgedrongen, dat zijn liefde bezit heeft genomen van ons hart, dan geschiedt het woord vanzelf.

Na het antwoord van de engel vernomen te hebben, zei Maria: “De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd.” In een oudere vertaling lezen we : “Zie de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar uw Woord”. De dienstmaagd des Heren… daarmee begon toch heel die ontmoeting? De vreze Gods, die heilige vrees, dat diep ontzag, die eerbied, dat respect voor de verhoudingen. En dat wordt uitgedrukt in niet zo maar een gevoel, nee, in dat bén ik, ik bén de dienstmaagd des Heren.
Met “Mij geschiede naar uw woord” schept God zelf het jawoord in Maria’s hart. God zelf neemt bezit van ons hart en van binnenuit, vanuit ons hart, zeggen wij ‘ja’ tot het Woord dat God tot ons gesproken heeft. Wij zijn het Woord van God, doordat dat Woord op ons ‘ja’ vanuit ons hart gezegd, opnieuw vlees aanneemt.

Maar wat is er een stilte nodig om God met zijn Woord tot in die diepte van ons te laten doordringen; wat is er een ingetogenheid nodig, een inkeer, een zelfvergetelheid, dat is niet van deze wereld. Het is wél de genade van de Advent, die stille tijd, als de wereld rondom ons donker wordt en daardoor onze eigen wereld klein. Een tijd die ons niet moet doen vluchten naar knusheid of gezelligheid, of onderlinge menselijke verbondenheid, maar ons moet doen vluchten naar ons hart, naar inkeer. Een tijd waarin wij afdalen in ons hart, in die stille vertrouwelijkheid met Hem, om het verlangen groter en groter te laten worden, zodat wij Hem met Kerstmis echt opnieuw kunnen laten geboren worden.

Overweging: met toestemming overgenomen van de Petrus Canisiusstichting Nederland

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Maria, goede Moeder,foto_1238072997
wil ons voorgaan in het gebed, wil met ons meebidden, opdat wij ons gebed mogen beleven in dat zachte vuur van Gods Geest. Dat wij dezelfde beschikbaarheid in ons mogen dragen zoals Gij die had toen de engel u bezocht. Help ons ‘ja’ te zeggen, in Christus, elke dag opnieuw, eenvoudig en echt. Amen.