Lezingen van de dag – donderdag 1 december 2016


Heilige (of feest) van de dag

Edmund Campion († 1581)candle-1129354_640

Edmund Campion sj, Tyburn, Londen; priester & martelaar onder fanatieke anglicanen

Edmund Campion was op 25 juni 1540 te Londen geboren. Zijn ouders, van huis uit katholiek, waren overgegaan tot de anglicaanse kerk. Vandaar dat de jonge Edmund in Christ’s Hospital zijn opleiding kreeg. Hij was het die in 1553 als dertienjarig studentje een welkomstwoord mocht voorlezen bij het bezoek van koningin Mary Tudor.

Hij verhuisde naar Oxford om er te studeren aan St-John’s College. Na voltooiing van zijn studies bleef hij aan het college verbonden als docent. Zijn voorlezingen waren zo populair dat zijn studenten zich zelfs Campionisten gingen noemen. Toen de stichter en weldoener van het college, Sir Thomas White, in 1564 overleed, viel hem, de pas vierentwintigjarige Campion, de hoge eer te beurt de lijkrede te mogen uitspreken. Twee jaar later, 3 september 1566, bracht koningin Elizabeth een bezoek aan het College. Weer was hij het die de welkomstrede hield, in sierlijk Latijn. Het maakte zoveel indruk op de majesteit en haar gevolg, onder wie de Earl of Leicester, dat zij hem uitnodigde in haar dienst te treden. Wie zou toen ooit vermoed kunnen hebben dat dezelfde Edmund Campion vijftien jaar later nog eens voor hen zou staan, maar dan als katholiek priester, jezuïet nog wel, verdacht van hoogverraad?

En wie zou op 25 juni 1580 vermoed hebben dat de marskramer in sieraden, Mr Edmunds geheten, die zojuist vanuit Frankrijk in Dover aan land gestapt was, en die nauwkeurig door douanebeambten was ondervraagd, omdat het gerucht ging dat katholieke priesters clandestien het land probeerden binnen te komen, en wiens bagage aan een uiterst zorgvuldig onderzoek onderworpen was, zonder dat men ook maar iets verdachts had kunnen vinden… Wie zou gedacht hebben dat het hier wel degelijk ging om diezelfde Edmund Campion, die intussen jezuïetenpriester was geworden en nu naar zijn vaderland terugkeerde om te preken en sacramenten toe te dienen onder de veel geplaagde katholieken…?

En dat, terwijl hij in 1566, het jaar van zijn Latijnse welkomstspeech, de Oath of Supremacy had afgelegd (de eed waarmee men de koning(in) van Engeland erkent als hoofd van de kerk). Twee jaar later was hij diaken gewijd in de anglicaanse kerk. Maar het waren juist de theologische studies geweest die hem aan het twijfelen hadden gebracht. Lezend in de kerkvaders en de grote theologen van het verleden, kwam hij tot de conclusie dat de katholieke kerk het ware geloof bewaarde. Hij besloot zijn hart te volgen. Maar omdat katholieken in Engeland verboden waren, week hij in augustus 1569 uit naar de Ierse hoofdstad Dublin. Na een verblijf van bijna drie jaar, kwam hij tot de slotsom dat het katholieke klimaat daar hem niet beviel. Hij keerde terug naar Engeland. Dus toch maar liever de anglicaanse kerk?

Eenmaal terug in zijn vaderland werd hij weer bevestigd in zijn gevoelen: liever katholiek dan anglicaans. Hij vertrok naar het vasteland waar in de Noord-Franse plaats Douai sinds kort een opleidingshuis was geopend voor priesters die clandestien in Engeland wilden gaan werken. Hier werd hij katholiek, besloot met succes zijn studies en vertrok in januari 1573 naar Rome om toelating tot de jezuïetenorde te vragen. Deze verkreeg hij in mei van datzelfde jaar. Omdat de jezuïeten geen Engelse provincie kenden, werd hij naar Praag en Brno gestuurd om er zijn noviciaat te beginnen.

Na zijn studies begon hij les te geven op het Praags college. Al gauw was hij de beroemdste docent van de stad. Hij schreef en regisseerde toneelstukken voor zijn leerlingen in het kader van het beroemde jezuïetentoneel. In 1580 werd hij bij pater Generaal in Rome ontboden. Deze had besloten missionarissen te zenden naar Engeland. Hij, Edmund Campion, behoorde tot de eerste lichting, tezamen met pater Robert Persons en broeder Ralph Emerson. Op 18 april van datzelfde jaar vertrokken ze naar St-Omer waar ze zich bij andere katholieke geestelijken voegden die zich voorbereidden op een overtocht naar Engeland. Maar al gauw werd bekend dat de Engelse douane extra scherp surveilleerde omdat ze getipt was. Men verspreidde zich. Zo vertrok pater Persons half juni naar de overkant, pater Campion en broeder Emerson volgden negen dagen later.

Onmiddellijk na aankomst in zijn vaderland schreef Pater Campion een pamflet dat bekend is geworden onder de titel Campion’s Brag (‘Campions bluf’). Hij zette erin uiteen dat hij met zijn komst naar Engeland geen politieke, maar religieuze bedoelingen had. Dit voor het geval hij ooit zou worden gearresteerd en beschuldigd zou worden van politieke machinaties. Van dit pamflet alleen al ging een geweldig bemoedigende werking uit onder de Engelse katholieken. Een jaar later, mei 1581 schreef hij een ander boekje: Decem Rationes (‘Tien Redenen’ om een openbaar dispuut aan te gaan met anglicaanse theologen). Het boekje vond gretig aftrek onder professoren en studenten van de universiteit van Oxford.

Maar in juli van datzelfde jaar was het raak. Bij een huiszoeking door getipte priesterjagers werd hij ontdekt en triomfantelijk naar Londen overgebracht. Na enkele dagen gevangenschap in een cel waarin hij niet languit kon liggen of staan, werd hij voorgeleid aan de koningin en de Earl of Leicester. Hebben ze teruggedacht aan vijftien jaar geleden? In ieder geval probeerden ze hem over te halen terug te keren tot de anglicaanse kerk; een glanzende carrière zou zijn deel zijn. Maar Edmund antwoordde simpelweg dat hij liever een katholiek martelaar was dan een anglicaanse bisschop. Teruggebracht naar zijn cel, werd hij een paar dagen later onderworpen aan de folteringen van de pijnbank. Daarna waren zijn tegenstanders best bereid aan zijn tien redenen voor een goed gesprek met anglicaanse theologen tegemoet te komen. Er werden vier cessies gehouden waarin pater Campion onverkort vasthield aan het katholiek geloof en de anderen ervan probeerde te overtuigen dat ze zich op een dwaalweg bevonden. Tevergeefs natuurlijk.

Op 14 november werd zijn rechtszaak geopend in Westminster Hall. Tezamen met zeven andere priesters werd hij ervan beschuldigd te hebben samengezworen tegen de koningin; hij zou in Rome en Reims een eed hebben afgelegd om een aanslag op de koningin te beramen en uit te voeren. Toen hem werd gevraagd met opgeheven hand te zweren dat hij de waarheid zou spreken, was hij zelfs niet meer in staat zijn hand omhoog te krijgen. Een van de andere beschuldigde priesters schoot hem te hulp en hield zijn hand op. Later fluisterde hij dat er geen nagels meer zaten op de vingers van pater Campion… Alle verdachten werden schuldig verklaard en ter dood veroordeeld. Ter plekke hebben ze toen de hymne Te Deum gezongen (‘U God loven wij’).

Op 1 december werd hij – tegelijk met de zojuist jezuïet geworden Alexander Briant en de wereldheer Ralph Sherwin – uit zijn cel gehaald en overgebracht naar de beruchte Tyburngevangenis. Een van de ambtenaren vroeg hem zijn misdaad te bekennen. Pater Campion reageerde: ‘Ik ben een katholiek priester. In die geloofsovertuiging heb ik geleefd en ben ik bereid te sterven. Als u vindt dat mijn godsdienst gelijkstaat met verraad, dan ben ik inderdaad schuldig. Maar aan enig ander verraad heb ik mij nooit schuldig gemaakt. God is mijn getuige.’ Hij werd gehangen, onthoofd en gevierendeeld.

Tegelijk met Alexander Briant en Ralph Sherwin werd hij op 29 december 1886 door paus Leo XIII († 1903) zalig verklaard, de heiligverklaring door paus Paulus VI († 1978) vond plaats op 25 oktober 1970.

donderdag in de 1e week van de adventbijbel


Uit de profeet Jesaja 26, 1-6

De trouw en de standvastigheid van het volk Gods zal beloond worden. De Heer is een burcht die eeuwen trotseert. Binnen zijn muren en wallen zullen armen en zwakken veilig zijn. De echte vrede zal geschonken worden aan hen die op de Heer vertrouwen. Christus en zijn Kerk zijn voor de gelovigen de rots in de branding.

Op die dag zal in Juda dit lied klinken:
‘Wij hebben een sterke stad, de Heer biedt ons redding als een wal, als een muur. Open de poorten, opdat het rechtvaardige volk kan binnentreden, het volk van uw getrouwen. De standvastige is veilig bij U, vrede is er voor wie op U vertrouwt.
Vertrouw altijd op de Heer, alleen op Hem, want de Heer is een rots sinds mensenheugenis.
Hij haalt neer wie in de hoogte leven en veilig in hun onneembare vesting wonen. Hij brengt zelf hun stad ten val, Hij maakt haar met de grond gelijk, niets laat Hij van haar heel.
Dan wordt ze onder de voet gelopen, vertrapt door de zwakken, vertreden door de armen.’

 

Psalm 118, 1 + 8 + 9 + 19 + 20 + 21 + 25 + 26

Refr.: Gezegend wie komt met de naam van de Heer.

Loof de Heer, want Hij is goed,
eeuwig duurt zijn trouw.
Beter te schuilen bij de Heer, annunciation-icon1
dan te vertrouwen op mensen.

Beter te schuilen bij de Heer,
dan te vertrouwen op mannen met macht.
Open voor mij de poorten van de gerechtigheid,
ik wil binnengaan om de Heer te loven.

Dit is de poort die leidt naar de Heer,
hier gaan de rechtvaardigen binnen.
Ik wil U loven omdat U antwoordde,
en mij de overwinning gaf.

Heer, geef ons de overwinning,
Heer, geef ons voorspoed.
Gezegend wie komt met de naam van de Heer.
Wij zegenen u vanuit het huis van de Heer.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 7, 21 + 24-27

Jezus’ woorden beluisteren en ze ook in praktijk brengen helpt ons vooruit. Dan bouwen wij op stevige rotsgrond. Als wij ons leven bouwen op zijn woord, dan worden wij gered op de dag van het oordeel. Voorwaarde is: zijn woorden beluisteren en ernaar handelen.

Jezus sprak tot zijn leerlingen:
‘Niet iedereen die “Heer, Heer” tegen mij zegt, zal het Koninkrijk van de hemel binnengaan, alleen wie handelt naar de wil van mijn hemelse Vader.
Wie deze woorden van mij hoort en ernaar handelt, kan vergeleken worden met een verstandig man, die zijn huis bouwde op een rots. Toen het begon te regenen en de bergstromen zwollen, en er stormen opstaken en het huis van alle kanten belaagd werd, stortte het niet in, want het was gefundeerd op een rots. En wie deze woorden van mij hoort en er niet naar handelt, kan vergeleken worden met een onnadenkend man, die zijn huis bouwde op zand. Toen het begon te regenen en de bergstromen zwollen, en er stormen opstaken en er van alle kanten op het huis werd ingebeukt, stortte het in, en er bleef alleen een ruïne over.’

Van Woord naar leven

De rots waarover het evangelie spreekt, is Christus zelf. Bedoeling en roeping is ons ‘huis’ te bouwen op Hem. Dit ‘huis’ zal niet instorten, opdat Christus het fundament zal zijn van ons bestaan.

Wat niet wil zeggen dat er tegen het huis niet gebeukt zal worden. Dat zal het zeer zeker wel. Maar het huis, de bewoners, zullen steeds de ondergrond, de rots, Christus, in her-innering houden, in de zin dat ze zich in Hem genesteld hebben, verankerd, innig met Hem verbonden. Op Christus mogen ze vertrouwen dat dat wat tracht in te beuken niet de macht heeft de ziel te schaden. Oh ja, misschien wel het lichaam, en vele andere dingen. Maar niet de ziel. Want die is vervuld met de Heer, die ziel is bewoond, en wie zich toevertrouwt aan deze Bewoner, Christus, mag zich veilig weten.

Veilig… niet door zich te verbergen voor de wereld, vroom met sfeertjes ergens in een hoekje. Nee, door de wil te doen van de Vader, zoals het evangelie van vandaag ons voorhoudt. Uiteraard uit keuze, maar niet door eigen krachtpatserij. Christus zelf zal de genade verlenen gehoor te kunnen geven aan Gods wil.

Dit vraagt groei, die we allen moeten doorgaan, met vallen en opstaan, in licht en duisternis, in tijden van innerlijke weelde en tijden van barre droogte. Je verlaten op de Heer is immers geen vanzelfsprekendheid. De groei die Hij aanbiedt is gewoonlijk niet de weg die wijzelf zouden kiezen. Gods wegen zijn de onze niet. Gehoorzaamheid, gehoor geven aan de stem van de Heer, die weg bewandelen die Hij met je wil gaan, is niet vanzelfsprekend, verre van. Het vraagt een diep innerlijk afsterven van je eigen ‘ik’ dat zo graag zijn leven zelf in handen wil nemen. Armen van geest zijn zij die de kunst verstaan zich innerlijk geheel en al toe te vertrouwen aan de Heer. Het zijn zij die kunnen zeggen: ‘Gij, mijn God, mijn Al’.

Het gevaar bestaat er in dat we de moed gaan opgeven, dat we ophouden met bidden of daarin verslappen, dat we weglopen van onze roeping, of nog erger: dat we weglopen of wegdrijven van de Heer, wat jammer zou zijn. Het gevaar bestaat er ook in dat onze roeping gaat lijken op een tocht die we sowieso niet gaan aankunnen. Wie in dit donker straatje belandt laat zich niet leiden door de stem van de Heer, maar door andere stemmen die niets met de Heer te maken hebben. ‘Ja’ zeggen tot God is in het zachte zuigen van de Geest gaan staan.

Roeping is en blijft Blijde Boodschap. De Heer roept niet wanneer we het niet zouden aankunnen. Wat Hij wil is ons volwassen maken in het geloof, Hij wil ons losweken van ons ikje dat z’n eigen weg wil gaan, Hij wil een ‘ik’ laten geboren worden dat zich toevertrouwt aan Hem en waarmee Hij de weg wil gaan die God voor ons droomt. Dat ‘ik’ is ons meest waarachtige ‘ik’; het is het ‘ik’ waarvan God heeft gezegd dat Hij het geschapen heeft naar zijn beeld en gelijkenis.

Christus is onze levensrots, het levend fundament van ons bestaan. Laten we bouwen op Hem, en alleen op Hem.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer,cours-art_floral-villa_madame-couronne-noel_2jpg
geef dat wij ons bestaan steeds mogen bouwen op U; Gij onze rots, ons levend fundament. Wees de ziel van ons bestaan en zet ons aan te doen wat de Vader wil. Doe Gij het met ons.
Amen.