Lezingen van de dag – donderdag 1 februari 2018


Heilige (of feest) van de dag

Jeanne-Françoise de la Visitation (+ 1888)

Jeanne-Françoise de la Visitation (gedoopt Anna Michellotti), Turijn, Italië

Zij werd op 29 augustus 1843 geboren in de Franse plaats Annecy.
Reeds als kind hield zij ervan om iets liefs te doen voor zieken.
Gaandeweg voelde ze hoe hier haar roeping lag. In 1871 verhuisde ze naar Turijn, waar op dat moment Don Bosco († 1888; feest 31 januari) een middelpunt was van nieuw christelijk elan. Door hem geïnspireerd stichtte ze in 1875 de Congregatie van de Kleine Dienaressen van het Heilig Hart van Jezus.
De kloosternaam die zij aannam, Jeanne-Françoise de la Visitation herinnert aan haar heilige stadgenote uit Annecy, Jeanne-Françoise Frémiot de Chantal († 1641; feest 12 december), stichteres van de kloosterorde der visitandinnen.
Ondanks talrijke moeilijkheden van allerlei aard ijverde ze onverzettelijk voor versterking en uitbreiding van haar congregatie.
Ze stierf op 1 februari 1888, één dag na Don Bosco; pas vierenveertig jaar oud.
Ze werd zalig verklaard in 1975.

donderdag in week 4 door het jaar


Uit het eerste boek Koningen 2, 1-4 + 10-12

Wij horen hier een stuk van het testament van David dat hij geeft aan zijn opvolger en zoon Salomo. Hij drukt hem op het hart trouw te blijven aan het Verbond, de wetten en de voorschriften van de Heer te onderhouden. Dit voorbeeld van de koning is een waarborg voor de trouw van het volk. Zo werkt ons voorbeeld ook in op de medemens.

Toen David zijn einde voelde naderen, droeg hij zijn zoon Salomo op: ‘Ik moet nu heengaan, net als iedereen. Wees sterk en laat zien dat je een man bent. Houd je aan je verplichtingen tegenover de Heer, je God: gehoorzaam Hem en neem zijn bepalingen, geboden, rechtsregels en voorschriften in acht, zoals die zijn vastgelegd in de wetten van Mozes. Dan zul je slagen in alles wat je doet en onderneemt, en dan zal de Heer zijn woord aan mij gestand doen: Als je zonen het rechte pad houden en mij met hart en ziel toegewijd blijven, dan zal er altijd een van jouw nakomelingen op de troon van Israël zitten.’
David stierf en werd begraven in de Davidsburcht. Veertig jaar lang was hij koning van Israël geweest: zeven jaar in Hebron en drieëndertig jaar in Jeruzalem. Salomo besteeg de troon van zijn vader David en regeerde met vaste hand.

 

1 Kron. 29, 10-12

Refr.: U, Heer, heerst over alles.

Geprezen bent U, Heer,
God van onze voorvader Israël,
voor altijd en eeuwig.

U, Heer, bent groots en machtig,
vol luister, roem en majesteit.
Alles in de hemel en op aarde behoort U toe.

U bezit het koningschap en de heerschappij.
Roem en rijkdom zijn van U afkomstig,
U heerst over alles.

In uw hand liggen macht en kracht besloten,
U beslist wie groot en machtig is.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 6, 7-13

De zending van de twaalf is voor het evangelie van Marcus zeer betekenisvol. Ondanks het feit dat Jezus blootgesteld was aan tegenspraak, zal Hij toch met deze twaalf zijn rijk vestigen en uitbreiden. Apostel zijn betekent vertrouwen op Gods kracht en bijstand tot in de stoffelijke levensbehoeften toe. Ook de twaalf moeten de harde leerschool van alle beginners samen doorlopen.

Jezus riep de twaalf bij zich en zond hen twee aan twee uit, en gaf hun macht over de onreine geesten.
Hij droeg hun op niets mee te nemen voor onderweg, geen brood, geen reistas en geen geld, alleen een stok. Sandalen mochten ze wel dragen. ‘Maar’, zei Hij, ‘trek geen extra kleren aan.’
En ook zei Hij: ‘Als jullie ergens onderdak krijgen, moet je daar blijven tot je verder reist. Maar als jullie ergens niet welkom zijn en de mensen niet naar jullie willen luisteren, moet je daar weggaan en het stof van je voeten schudden ten teken dat je niets meer met hen te maken wilt hebben.’
Ze gingen op weg en maakten het goede nieuws bekend om de mensen tot inkeer te brengen, en ze dreven veel demonen uit en zalfden veel zieken met olie en genazen hen.

Van Woord naar leven

Jezus droeg hen op niets mee te nemen voor onderweg, geen brood, geen reistas en geen geld, alleen een stok.

De leerlingen mochten bij hun uitzending zo goed als niets meenemen.
Mijn gedachten gaan naar Franciscus van Assisi. Nadat hij medebroeders had gekregen zond hij hen ook de wereld in, met het uitdrukkelijk gebod dat ze arm moesten zijn en blijven. Hij heeft het dan zeker over de zogenaamde spirituele armoede, maar Franciscus bedoelde dit heel zeker ook letterlijk. Niets mochten de broeders meenemen, enkel hun habijt (in die tijd het kleed van de arme) en hun brevier.
De reden waarom de minderbroeders zo door het leven moesten gaan lag in het feit dat zij van niets of niemand afhankelijk mochten zijn in het volste vertrouwen dat God wel voor hen zou zorgen, zowel op geestelijk vlak als ook op materieel vlak. Zo waren ze ‘vrij’ om te doen wat ze moesten doen…

En wij? Moeten wij nu ook zo gaan leven?
Het is zeker zo dat onze wereld van vandaag nood heeft aan mensen als een Franciscus en zijn eerste gezellen.
Wie zich geroepen weet… dat hij of zij opstaat en het doet. Vandaag nog als het kan!

Hoeft dit een probleem te zijn voor ons waarvan de meesten een huis, een auto en een tuin hebben ?
Nee, dit hoeft geen probleem te zijn.
Ten tijde van Franciscus waren er ook mensen, ook gehuwden met kinderen, die Franciscus wilden volgen, maar dat door hun levensstaat niet konden.
Voor hen schreef Franciscus een regel voor de zogenaamde derde orde, waar de mensen werden aangespoord een uiterst sober leven te leiden. Niet omwille van de soberheid op zich, maar om de inhoud van deze aansporing, namelijk om te kunnen leven vanuit het volste vertrouwen dat God hen zal leiden, en dat ze ‘vrij’ zouden zijn in de meest religieuze betekenis van het woord.

Het bezit van veel materiële goederen kan al vlug een rem betekenen wat betreft onze overgave aan God.
De rem zit ‘m hierin dat ons hart dikwijls meer vervuld is van onze goederen dan van God. We gaan onze goederen ook moeten beschermen, ze moeten verzorgen,.. Ze nemen ons in beslag, ze nemen bezit van ons. Dikwijls zijn we er slaaf van, en bepalen zij ons leven.

Wat we alvast zouden kunnen doen is onze materiële goederen beleven als ‘niet van ons’. Ze zijn er voor de opbouw van het Rijk Gods. We beleven ze niet als ons bezit, maar eerder als een middel God eer te brengen en Hem uit te dragen. Al die dingen die hier niet voor dienen, zouden we kunnen verkopen, en het geld aan de armen geven. Het zou een mooie daad zijn en een sterke getuigenis van het evangelie…

De Kerk heeft een rijk Rooms verleden. Rijk aan inhoud, maar ook rijk aan goederen. Wat dit laatste betreft … daar moet ze niet fier op zijn. Ik hoop hiermee geen mensen tegen de borst te stoten, maar naar mijn aanvoelen is dat wel zo.

Een kathedraal kan prachtig zijn, rijke gewaden kunnen erg mooi zijn, gouden kelken zeggen heel zeker iets over de eerbied tot de eucharistie. Menselijk begrijpelijk, maar in wezen: niet goed bezig !
Is dat een oordeel ? Zo ja, vergeef me. Maar ik vergelijk gewoon de boodschap van de Heer die oproept tot soberheid en eenvoud, tot delen van je overvloed, tot innerlijke vrijheid los van elk goed. Dat lees ik gewoon in de evangelies …

We zouden als Kerk de moed moeten hebben om aan de kant van de armen te gaan staan, ook in het beleven van onze materiële goederen. En dat is echt meer dan delen van je overvloed. Het is verkopen al wat je bezit, het geld aan de armen geven, en zo de Heer volgen. Naar het woord van de Heer …

En nu ga ik veel tegenkanting krijgen … Maar ik lees gewoon het evangelie.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer,
maak ons vrij, vanbinnen en vanbuiten. Leer ons geen slaaf te zijn van wat we hebben, of wie we denken te zijn. Leer ons vrij en arm naar U te kijken en met U de weg te gaan die Gij met ons wilt gaan. Amen.