Lezingen van de dag – donderdag 10 november 2016


Heilige (of feest) van de dag

Leo de Grote, paus († 461) leo-de-grote

Leo Paus I (ook Lié), bijgenaamd ‘de Grote’, Rome, Italië; paus & kerkleraar

Hij was waarschijnlijk afkomstig uit Toscane. Op jonge leeftijd trok hij naar Rome om de kerk te dienen en was aartsdiaken onder de pausen Celestinus I († 432; feest 6 april) en Sixtus III († 440; feest 28 maart). Na diens dood in 440 werd hijzelf tot bisschop van Rome (= paus) gekozen; zijn aantreden staat gedateerd op 29 september.
Hij was vooral actief in het bestrijden van ketterijen, zoals de Pelagianen, Manicheeërs, Nestorianen en nog anderen.
In die tijd schreef hij aan zijn collega van Constantinopel, Flavius († 449; feest 17 februari), zijn beroemde brief over de vraag hoe begrepen moest worden dat Christus zowel een goddelijke als een menselijke natuur had. Dit document werd een mijlpaal in de dogmageschiedenis. Het werd op het belangrijke Concilie van Chalcedon van 451 uitgeroepen tot de officiële leer van de kerk op dit punt.
Op alle mogelijke manieren toonde hij zich een herder voor zijn kudde. Beroemd is zijn ontmoeting in 452 met de Hun Attila bij Mantua. Deze was op weg om de stad Rome te veroveren, maar Leo smeekte hem de stad ongemoeid te laten. Ze sloten vrede en Attila trok inderdaad weg…
Maar toen drie jaar later de Vandalen onder leiding van Genserik (of Geiserik) voor de stad verschenen, was het hem niet vergund zijn diplomatieke kunststuk te herhalen: de stad werd geplunderd. Toch wist Leo bij de opperbevelhebber te bereiken dat toch minstens de mensenlevens werden gespaard en de stad niet in brand zou worden gestoken.

Hij ligt begraven in de St-Pieterskerk te Rome onder het altaar dat aan hem is toegewijd. In 1754 werd hij uitgeroepen tot kerkleraar.
Hij wordt afgebeeld als paus (met driekroon of tiara en pauskruis), vaak met bijbel en/of draak bij zich (symbool van het kwaad der ketterijen).

donderdag in week 32 door het jaarbijbel


Uit de brief van Paulus aan Filémon 7-20

Paulus drukt zijn fijngevoelige liefde uit in zijn brief aan Filémon. De slaaf Onesimus was bij Filémon gevlucht. Paulus had hem opgenomen en bekeerd. Zoals gebruikelijk moest hij hem terugsturen. Hij voegt er het verzoek aan toe hem alles te vergeven en hem op te nemen als vriend.

Uw liefde heeft mij veel vreugde en troost gegeven, broeder, want u hebt de heiligen gesterkt. In mijn verbondenheid met Christus heb ik het volste recht u te zeggen wat u moet doen, maar vanwege uw liefde doe ik u liever een verzoek – ik, Paulus, een man van respectabele leeftijd, die gevangen zit omwille van Christus Jezus.
Ik zou u om een gunst willen vragen voor Onesimus, die tijdens mijn gevangenschap mijn kind is geworden. Hij was u destijds niet van nut; nu kan hij echter niet alleen mij, maar ook u goede diensten bewijzen. Ik stuur hem naar u terug, hoewel hij me na aan het hart ligt en ik hem graag bij me gehouden had. Dan had hij namens u voor mij kunnen zorgen nu ik omwille van het evangelie gevangen zit. Maar ik heb zonder uw medeweten niets willen ondernemen, want u moet mij niet een gunst verlenen omdat ik u onder druk zet, maar omdat u het zelf wilt. Misschien hebt u hem korte tijd moeten missen om hem voor altijd terug te krijgen, niet meer als een slaaf, maar als veel meer dan dat, als een geliefde broeder. Voor mij is hij dat al, hoeveel te meer moet hij het dus voor u zijn, zowel in het dagelijks leven als in het geloof in de Heer.
Dus, als u met mij verbonden bent, ontvang hem dan zoals u mij zou ontvangen. En mocht hij u hebben benadeeld of u iets schuldig zijn, breng het mij dan in rekening. Ik, Paulus, schrijf hier eigenhandig neer dat ik u zal betalen. Ik ga er dan maar aan voorbij dat u mij uw eigen leven schuldig bent.
Kom, broeder, bewijs mij deze dienst omwille van de Heer, stel mij omwille van Christus gerust.

 

Psalm 146, 7-10

Refr.: De Heer heb ik lief.

De Heer doet recht doet aan de verdrukten,Drieeenheid_2
de Heer geeft brood aan de hongerigen.
De Heer bevrijdt de gevangenen.

De Heer opent de ogen van blinden,
de Heer richt de gebogenen op,
de Heer heeft de rechtvaardigen lief.

De Heer beschermt de vreemdelingen,
wezen en weduwen steunt Hij,
maar wie kwaad doen, richt Hij te gronde.

De Heer is koning tot in eeuwigheid,
je God, Sion, van geslacht op geslacht.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 17, 20-25

Vlak bij ons, in onze medemens, in onze taak, in zijn Woord, in zijn sacrament komt de Heer. Leven wij vanuit deze realiteit ?

Toen de Farizeeën Jezus vroegen wanneer het Koninkrijk van God zou komen, antwoordde Hij hun: ‘De komst van het Koninkrijk van God laat zich niet aanwijzen, en men kan niet zeggen: “Kijk, hier is het!” of: “Daar is het!” Maar weet wel: het Koninkrijk van God ligt binnen uw bereik.’
Tegen de leerlingen zei Hij: ‘Er komt een tijd dat jullie ernaar zullen verlangen een van de dagen van de Mensenzoon te zien, maar jullie zullen die dag niet meemaken. Dan zullen de mensen tegen jullie zeggen: “Kijk daar!” of: “Kijk hier!” Maar doe dat niet en schenk er geen aandacht aan. Want zoals de bliksem licht geeft wanneer hij van de ene naar de andere kant van de hemel flitst, zo zal de Mensenzoon verschijnen. Maar eerst moet Hij veel lijden en door deze generatie verworpen worden.

Van Woord naar leven

Vandaag zegt Jezus ons: ‘De komst van het Koninkrijk van God laat zich niet aanwijzen, en men kan niet zeggen: “Kijk, hier is het!” of: “Daar is het!” Maar weet wel: het Koninkrijk van God ligt binnen uw bereik.’

Het huis waar we wonen, de plek waar we werken, de plaats waar we mensen ontmoeten, de gemeenschap waartoe we behoren, de school of univ waar we studeren, onze straat, dorp of stad,… allemaal plaatsen waar Jezus tot ons komt. In die zin is het Rijk Gods voortdurend midden onder ons. Daar is Hij, bemint Hij, roept Hij op.

Christus’ aanwezigheid is voor onze lichamelijke ogen niet altijd zo duidelijk. Maar wie kijkt met de ogen van het geloof, met de ogen van de Geest, zal de Heer aanwezig weten. Dit ‘aanwezig weten’ zal voor de gelovige meer en meer een vanzelfsprekendheid worden in de mate dat hij zich geeft aan die aanwezigheid. Hij zal zich maar al te graag nestelen in Christus’ tegenwoordigheid, opdat hij gelovig weet dat Christus de bron is van zijn liefhebben, en dat hij van Hem de genade zal krijgen te kunnen liefhebben naar Gods wil.

Liefhebbend zal de gelovige bidden, biddend zal hij liefhebben.

Een stille vrede, die zijn wortels vindt in God zelf, zal de minnende motor zijn van z’n biddend handelen. En meer dan hij zal vermoeden zal Jezus door hem heen al weldoende rondtrekken; zijn genade gevend aan allen die hij (Hij) ontmoet en waarvoor hij, in Jezus naam, bidt.

Ja, het Rijk Gods is midden onder ons.

Laat ons ‘ja’ zeggen, in de liefde van de Geest.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer God,Christ-Pantocrator.-Andrei-Rublev.-1410-1420s.-The-central-part-of-the-iconographic-Deesis-of-Zvenigorod.-Moscow-The-State-Tretyakov-Gallery
doe ons inzien dat Gij ten allen tijde onder ons en in ons zijt, als een levende oproep U te beminnen in elk gebeuren, in iedere mens.
Kom heilige Geest, maak ons arm en leeg, maak ons vrij voor Jezus die zo graag door ons, met ons en in ons zijn genezend en bevrijdend werk wil verder zetten.
Tot in lengte van dagen.
Amen.