Lezingen van de dag – donderdag 11 januari 2018


Heilige (of feest) van de dag

Vitales van Gaza (ca 625)

Vitalis van Gaza, Palestina; monnik

Aanvankelijk was hij monnik in het klooster van de beroemde abt Seridus te Jeruzalem. Omdat hij jong was ingetreden en niets van de gewone wereld scheen te weten, stuurde zijn abt hem naar Alexandrië om zijn roeping te beproeven. Daar ontdekte hij dat er prostituees bestonden. Geschokt zocht hij werk, verdiende er tien obolen per dag mee, hield er één voor zichzelf, ging elke nacht naar één van die meisjes en gaf haar de overige negen om haar zuiverheid te bewaren. Zelf bleef hij op om te bidden…

Iedereen sprak er schande van. Pas na zijn dood kwam de ware toedracht aan het licht, en werd hij beschouwd als een groot heilige.

donderdag in week 1 door het jaar


Uit het eerste boek Samuël 4, 1-11

Eertijds onder Mozes, werd de ark van het Verbond gebouwd om de tafels van de Wet te bewaren. Dat was het teken dat God onder hen woonde. Zijn verblijf te midden van hen was echter afhankelijk van hun trouw aan de Wet. Bij herhaalde ontrouw bieden zelfs de heiligste tekens van God geen bescherming meer.

In die dagen trokken de Israëlieten ten strijde tegen de Filistijnen. Ze sloegen hun kamp op bij Eben–Haëzer; de Filistijnen lagen in Afek.
Nadat de Filistijnen zich in slagorde tegenover de Israëlieten hadden opgesteld, brandde de strijd los. Israël werd door de Filistijnen verslagen: vierduizend man sneuvelden in de slag.
Toen het leger naar het kamp was teruggekeerd, vroegen de oudsten van Israël: ‘Hoe komt het dat de Heer ons vandaag tegen de Filistijnen een nederlaag heeft laten lijden? De ark van het verbond met de Heer moet uit Silo hierheen worden gehaald. Dan zal de Heer in ons midden zijn en ons bevrijden uit de greep van onze vijanden.’
Het leger liet de ark van het verbond uit Silo overbrengen, de ark van de Heer van de hemelse machten, die op de cherubs troont. Chofni en Pinechas, de beide zonen van Eli, kwamen met de ark mee.
Toen de ark van het verbond met de Heer in het legerkamp aankwam, barstten alle Israëlieten uit in luid gejuich, zodat de aarde ervan dreunde.
De Filistijnen hoorden het lawaai en vroegen: ‘Wat klinkt daar voor gejuich uit het kamp van de Hebreeën?’
Toen ze vernamen dat de ark van de Heer in het legerkamp was aangekomen, werden ze bang en zeiden: ‘Hun God is naar het legerkamp gekomen. Het ziet er slecht voor ons uit, want zoiets is nooit eerder gebeurd. Het ziet er slecht voor ons uit! Wie redt ons uit de greep van die machtige God? Het is dezelfde God die in de woestijn de Egyptenaren met allerlei plagen heeft getroffen. Verlies de moed niet, Filistijnen, laat zien wat je kunt! Anders worden wij slaven van de Hebreeën zoals zij het van ons zijn geweest. Laat dus zien wat je kunt. Ten aanval!’
De Filistijnen gingen tot de aanval over en de Israëlieten werden verslagen. Ieder vluchtte naar zijn eigen woonplaats. Het was een zware nederlaag voor Israël, waarbij dertigduizend man voetvolk omkwamen.
De ark van God werd buitgemaakt en Chofni en Pinechas, de beide zonen van Eli, vonden de dood.

 

Psalm 44, 10 + 11 + 14 + 15 + 24 + 25

Refr.: Ja, ik kom, Heer, om uw wil te doen.

U hebt ons verstoten en vernederd:
U trok niet ten strijde met onze legers.

U deed ons wijken voor onze belagers,
onze haters roofden ons leeg.

U hebt ons het mikpunt van spot gemaakt,
onze naburen smaden en honen ons.

U hebt ons bij de volken belachelijk gemaakt,
ze schudden meewarig het hoofd.

Word wakker, Heer, waarom slaapt U ?
Ontwaak! Verstoot ons niet voor eeuwig.

Waarom verbergt U uw gelaat,
waarom vergeet U onze ellende, onze nood ?

 

Uit het evangelie volgens Marcus 1, 40-45

Zowel door zijn prediking als door zijn wonderen wil Jezus de mensen tot geloof brengen. De wonderen tonen daarbij uitdrukkelijk aan dat Gods kracht in de wereld werkzaam is. De genezene mag echter niet spreken over het wonder dat aan hen werd voltrokken. Want daar was het bij Jezus helemaal niet om begonnen. Het ging veeleer om het aanvaarden van zijn persoon en zijn leven.

Er kwam iemand naar Jezus toe die aan huidvraat leed; hij smeekte Hem om hulp en zei, terwijl hij op zijn knieën viel: ‘Als U wilt, kunt U mij rein maken.’
Jezus kreeg medelijden, stak zijn hand uit, raakte hem aan en zei: ‘Ik wil het, word rein.’ En meteen verdween zijn huidvraat en hij was rein.
Jezus stuurde hem weg met de ernstige waarschuwing: ‘Denk erom dat u tegen niemand iets zegt, maar ga u aan de priester laten zien en breng het reinigingsoffer dat Mozes heeft voorgeschreven, als getuigenis voor de mensen.’
Maar toen de man vertrokken was, ging hij overal breeduit rondvertellen wat er gebeurd was, met als gevolg dat Jezus niet langer openlijk in een stad kon verschijnen, maar op eenzame plaatsen buiten de steden moest blijven. Toch bleven de mensen van alle kanten naar Hem toe komen.

Van Woord naar leven

Jezus kreeg medelijden, stak zijn hand uit, raakte hem aan en zei: ‘Ik wil het, word rein.’

Meelijden is eigenlijk een zeer diep menselijke eigenschap die enorm deugd kan doen wanneer je deze bij een ander mag ervaren wanneer je zelf – om welke reden ook – lijdt. Weinige mensen beheersen deze eigenschap, juist omdat ze zo diepgaand en zuiver is.
Het mag duidelijk zijn dat het hier niet gaat over een soort compassie van op afstand, een soort oppervlakkige welwillendheid naar de ander toe zonder veel inhoud.
Echt meelijden gaat over het vermogen van in te leven in de ander, mee gaan met de ander, en wel op zo’n wijze dat je de ander z’n leed als het ware zelf doorleeft, alsof het je eigen leed geworden is, ook al is het dat in wezen niet. Dat is meelijden; mee lijden met de ander. Het is de ander z’n leed mee dragen, en wel zéér ver.
Louter menselijk gezien is dit een zeer mooie, warme en diepe vorm van vriendschapsbeleving.

Jezus leefde zo. Hij wilde – in de diepste betekenis van het woord – ‘vriend’ zijn voor de mensen. Hij gaf een vriendschap die oprecht was, zuiver, recht uit het hart. Hij beleefde deze vriendschap omdat Hij leefde in het bewustzijn dat God Hem zond naar de mensen om hen Gods vriendschap aan te bieden. Want dat is het wat God de mensen toedraagt: Vriendschap; diepe en ware vriendschap.

God is God en we mogen God vergoddelijken. Maar we mogen God ook vermenselijken. In Jezus is God immers mens geworden. Hij was ten volle God en tevens ten volle mens. God komt in Jezus dan ook naar ons met de meest edele eigenschappen die een mens in zich kan dragen. Denken we aan die diepe vriendschap waar we het over hadden, denken we ook over het vermogen blij te kunnen zijn met hen die blij zijn en droevig met hen die droevig zijn. Denken we aan het vermogen om vergiffenis te kunnen schenken, de armen nabij te kunnen zijn, delen met hen die minder hebben, enz…

Wanneer we deze puur humane eigenschappen kunnen zien in het licht van God, zullen we niet enkel Jezus beter kunnen ervaren als een Vriend in ons leven, maar we zullen ook die eigenschappen weer naar hun werkelijke waarde leren schatten. Want dit laatste zijn we soms kwijt.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer Jezus,
als een vriend zijt Gij bij ons, uw liefde, uzelf gevend. Geef dat wij innig verbonden mogen zijn met U, zodat wij beeld worden van Gods vriendschap met de mensheid; uw vrede dragend, uw liefde uitdragend. Heer, wees Gij daarin onze kracht.
Tot in lengte van dagen. Amen.