Lezingen van de dag – donderdag 12 mei 2016


Heilige (of feest) van de dag

Pancratius van Rome († ca 303)05-12-0303-pancratius_5

Pancratius (ook Pancras) van Rome, Italië; martelaar

Afbeelding: ca 1370. Houtsculptuur – Oostenrijk, Schloss Tirol, kapel. 

Hij onderging de marteldood tijdens de vervolgingen onder keizer Diocletianus. Hij zou op dat moment pas veertien jaar geweest zijn. De plaats van zijn terechtstelling lag in het oude Rome aan de Via Aurelia.

Zijn ouders waren volgens zeggen welgestelde Romeinse burgers; ze woonden in de provincie Frygië, in Klein-Azië (het noorden van het huidige Turkije). Zij stierven, toen Pancratius nog maar een kind was. Zoals gebruikelijk was in dergelijke situaties nam nu een broer van zijn vader, Dionysius, de zorg voor de jongen op zich. Oom Dionysius reisde met Pancratius naar Rome om voor hem een goede baan in het leger te organiseren. Zijn familie stond immers bij de Romeinse autoriteiten in hoog aanzien.

Een eind verderop in de straat waar Pancratius onderdak had gevonden, woonde de bisschop van de christenen, paus Caius († 296; feest 22 april). Zo kwam hij in contact met de christenen. Vol afgrijzen zag hij hoe keizer Diocletianus (286-305) hen liet vervolgen, arresteren en op de meest gruwelijke wijzen om het leven brengen. Tegelijk bemerkte hij hoe deze gelovigen niet bitter werden of haatdragend. Integendeel, ze bleven bidden voor het welzijn van de keizer en van al degenen die hen vervolgden. Dat vond Pancratius zo fascinerend dat hij zich aanmeldde als geloofsleerling. Het was paus Caius zelf die hem onderricht gaf en uiteindelijk het doopsel toediende. Pancratius stelde heel zijn niet geringe vermogen ter beschikking van de gelovigen, die over het algemeen tot de armere klasse behoorden.

Nu liep Pancratius hetzelfde gevaar als alle christengelovigen in die dagen. Inderdaad werd hij verraden door iemand uit de straat en aangebracht bij de keizer. Deze probeerde hem tot andere gedachten te brengen door hem mooie beloften in het vooruitzicht te stellen: een glanzende carrière in het Romeinse Rijk en een vorstelijk salaris. Maar dat maakte niet zoveel indruk op iemand die net zijn hele kapitaal had weggegeven. Zo jong Pancratius ook was – volgens zeggen was hij pas veertien – hij bleef standvastig, ook toen men hem dreigde met de meest afschuwelijke folteringen. Uiteindelijk werd hij met een zwaardslag gedood.

Vanaf de vijfde eeuw is de heilige Pancratius reeds terug te vinden op de romeinse heiligenkalender. Op de plek van zijn terechtstelling, de Gianicolo in Rome, liet paus Symmachus († 514; feest 19 juli) later een kerk bouwen die aan hem was toegewijd: de San Pancrazio.

Sindsdien had in die kerk op de zondag na Pasen een aparte plechtigheid plaats. Met Pasen waren de nieuwe dopelingen gehuld in een wit gewaad. Dit droegen ze in de kerk de hele week na Pasen. Zondag na Pasen was de laatste keer dat die witte groep zo duidelijk vooraan in de kerk zat. Vandaar dat die zondag van oudsher ‘Beloken Pasen’ (= ‘blanke of witte Pasen’) wordt genoemd. De plechtigheid dat de pasgedoopten hun witte gewaden voor het laatst droegen en daarna aflegden, werd gehouden in de kerk van San Pancrazio. Waarschijnlijk was dat, omdat wit wordt beschouwd als de kleur van de onschuld, en Sint Pancratius met zijn veertien jaar als toonbeeld van moedige onschuld werd vereerd.

De schedel van Pancratius wordt als een kostbaar reliek bewaard in de St.-Jan van Lateranen.

In de zevende eeuw stuurde paus Vitalianus († 672; feest 27 januari) een gedeelte van Pancratius’ gebeente naar het Angels-Saksische vorstenhuis. Dat bracht in Engeland een grote devotie teweeg voor Pancratius. Mede daardoor werd Pancratius in de volgende achtste eeuw officieel door alle christenen over de wereld gevierd.

Hij is patroon van de eerste-communicanten en – in Frankrijk – van kinderen; van jonge aanplant en bloesem: pas geplante bloemen en planten; daarnaast wordt zijn voorspraak ingeroepen tegen valse getuigenissen en meineed, tegen hoofdpijn en kramp (vanwege de verbastering van zijn naam: Camprace).

Omdat hij wordt vereerd als patroon van de zuivere eed, zijn er ook daarover verhalen ontstaan. Gregorius van Tours († 594; feest 17 november) vertelt ons dan ook het volgende verhaal:

Eens ontstond er tussen twee inwoners van de stad Rome een heftige ruzie. Ze riepen de rechter erbij en voor hem was het al gauw duidelijk wie de ware schuldige was, maar hij kon het niet bewijzen. Daarom besloot hij het te laten aankomen op een zogeheten godsoordeel. God zelf zou door een bijzonder teken de schuldige aanwijzen. Die gang van zaken was in de vroege middeleeuwen niet ongebruikelijk. Hij nam daarom de beide kemphanen mee naar de Sint-Pieter, liet hen allebei hun hand op het altaar leggen en vroeg hen vervolgens te zweren dat ze onschuldig waren. Wie een valse eed zwoer pleegde op die manier tegelijk heiligschennis. Dat zou God of in ieder geval Sint Petrus nooit goed vinden en dat zou dan weer blijken door een bijzonder teken dat zou plaatsvinden. Beide mannen legden met een stalen gezicht hun eed af, en er gebeurde niets. Reeds meende de ware schuldige dat hij aan zijn gerechte straf zou ontkomen. Maar de rechter zei: “Er zijn twee mogelijkheden, waarom er niets gebeurt. Het kan zijn dat de oude Sint Petrus gewoon te vergevingsgezind is; maar het kan ook zijn dat hij nu de kans wil geven aan een jongere heilige om zijn wondermacht te tonen. Laten we daarom ook nog gaan naar de kerk van Sint Pancratius en daar de eed herhalen. Dat deden ze. Vooral de ware schuldige toonde zich overmoedig en stemde van harte in met dit plan. De rechter vroeg de beide mannen het ritueel van daarnet nog eens over te doen hier op het altaar van Pancratius: “Leg daarom uw handen op het altaar en zweer nogmaals dat u onschuldig bent.” Dat deden ze. Maar nu bleek dat een van de twee zijn hand niet meer los kon krijgen van het altaar. Wat men ook probeerde, de hand kwam niet vrij. In die situatie is de ongelukkige bedrieger aan zijn eind gekomen. Vandaar – aldus Gregorius van Tours – dat onder de mensen van tegenwoordig nog altijd de gewoonte bestaat een eed te zweren op het gebeente van Sint-Pancratius.

Hij behoort tot de zogeheten ijsheiligen; ook tot de veertien Noodhelpers.

Hij wordt afgebeeld als een jonge romein met zwaard, martelaarspalm en/of martelaarskroon.

Bron: Heiligen.net

donderdag in de zevende Paasweek


Uit de Handelingen van de Apostelen 22, 30 + 23, 6-11

Paulus, Jood uit de farizeïsche familie, verbeten christenvervolger, werd de grote verbreider en prediker van het christelijk ideaal. Hij wordt dan ook door Joodse tegenhangers voor de rechter gedaagd, waar hij Saduceeën en Farizeeën tegen elkaar uitspeelt. De lezing voorspelt tevens Paulus’ geloofsgetuigenis in Rome.

Omdat de tribuun nauwkeurig wilde vaststellen welke beschuldiging door de Joden tegen Paulus werd ingebracht, liet hij hem de volgende dag uit de gevangenis halen en verordonneerde hij dat de hogepriesters en het hele Sanhedrin bijeen moesten komen. Hij liet Paulus naar het tempelgebouw brengen om voor hen te verschijnen.
Paulus wist dat het Sanhedrin deels uit Sadduceeën bestond en deels uit Farizeeën, en daarom riep hij hun toe: ‘Broeders, ik ben een Farizeeër uit een geslacht van Farizeeën, en ik sta hier terecht omwille van de verwachting dat de doden zullen opstaan!’
Toen hij dit gezegd had, ontstond er onenigheid tussen de Farizeeën en de Sadduceeën en raakte de vergadering verdeeld. De Sadduceeën beweren immers dat er geen opstanding is en dat engelen en geesten niet bestaan, maar de Farizeeën geloven zowel het een als het ander.
Er ontstond groot tumult, en enkele schriftgeleerden uit de kring van de Farizeeën stonden op en betoogden heftig: ‘Wij vinden dat deze man niets heeft misdaan! Het kan toch dat een geest of een engel met hem gesproken heeft?’
Toen de onenigheid nog toenam, vreesde de tribuun dat Paulus door de leden van het Sanhedrin verscheurd zou worden. Hij liet een afdeling soldaten komen om hem te ontzetten en hem terug te brengen naar de kazerne.
Die nacht kwam de Heer bij Paulus en zei: ‘Houd moed! Want zoals je in Jeruzalem getuigenis van mij hebt afgelegd, zo moet je ook in Rome van mij getuigen.’

 

Psalm 16, 1 + 2a + 5 + 7 + 8 + 9 + 10 + 11

Refr.: Behoed mij, God, ik schuil bij U.

Behoed mij, God, ik schuil bij U.
Ik zeg tot de Heer: U bent mijn Heer,
mijn geluk, niemand gaat U te boven.

Heer, mijn enig bezit, mijn levensbeker, Resurrection-Icon
U houdt mijn lot in handen.

Ik prijs de Heer die mij inzicht geeft,
zelfs in de nacht spreekt mijn geweten.

Steeds houd ik de Heer voor ogen,
met Hem aan mijn zijde wankel ik niet.

Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn ziel,
mijn lichaam voelt zich veilig en beschut.

U levert mij niet over aan het dodenrijk
en laat uw trouwe dienaar het graf niet zien.

U wijst mij de weg naar het leven:
overvloedige vreugde in uw nabijheid,
voor altijd een lieflijke plek aan uw zijde.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 17, 20-26

Aan het slot van zijn hogepriesterlijk gebed, vraagt Jezus dat alle gelovigen mogen één zijn in broederlijke liefde. Deze eenheid is een deelname aan de eenheid die er is in God tussen Vader, Zoon en Geest. Jezus is ervoor gestorven. Wat doen wij voor de realisatie van die eenheid ?

Jezus sloeg zijn ogen op naar de hemel en zei:
‘Ik bid niet alleen voor hen, maar voor allen die door hun verkondiging in mij geloven.
Laat hen allen één zijn, Vader. Zoals U in mij bent en Ik in U, laat hen zo ook in ons zijn, opdat de wereld gelooft dat U mij hebt gezonden.
Ik heb hen laten delen in de grootheid die U mij gegeven hebt, opdat zij één zijn zoals wij: Ik in hen en U in mij. Dan zullen zij volkomen één zijn en zal de wereld begrijpen dat U mij hebt gezonden, en dat U hen liefhad zoals U mij liefhad.
Vader, U hebt hen aan mij geschonken, laat hen dan zijn waar Ik ben. Dan zullen zij de grootheid zien die U mij gegeven hebt omdat U mij al liefhad voordat de wereld gegrondvest werd.
Rechtvaardige Vader, de wereld kent U niet, maar Ik ken U, en zij weten dat U mij hebt gezonden.
Ik heb hun uw Naam bekendgemaakt en dat zal Ik blijven doen, zodat de liefde waarmee U mij liefhad in hen zal zijn en Ik in hen.’

Van Woord naar leven

Jezus bad: ‘Vader, Ik heb hun uw Naam bekendgemaakt en dat zal Ik blijven doen, zodat de liefde waarmee U mij liefhad in hen zal zijn en Ik in hen.’

De zending van Jezus bestond erin de Naam van de Vader bekend te maken. Dat heeft Hij gedaan, dat zal Hij blijven doen zolang de mensheid bestaat. Hij zal dit doen zodat de liefde waarmee de Vader Hem liefheeft ook in ons zou zijn. Door zijn eenheid met de Vader, is Jezus liefde zoals de Vader dat is. Door Christus’ tegenwoordigheid in ons maakt Hij het ons mogelijk te delen in die liefde.

Een ver-van-ons-bed-gebeuren ?
Nee, dat hoeft het niet te zijn.
Deze mystieke beleving van het evangelie is voor elke mens weggelegd, voor ieder van ons, ook voor u.

Als we aan het woord ‘mystiek’ denken, dan denken we al snel aan heiligen, aan begenadigde personen. Het is natuurlijk waar dat deze mensen dikwijls echte mystici waren. Zij waren ver gevorderd in de weg die ze te gaan hadden, ze waren zeer diep gegroeid in het versmelten met Christus’ liefde, met Hemzelf. Dat maakte hen tot mystici. Niet enkel hun voorbeeld, maar dikwijls ook de geschriften die ze nalieten zijn bronnen voor ieder van ons; bronnen die aanzetten tot steeds meer en diepere liefde voor de Heer en Gods wil in ons leven. God zij dank zijn vele van hun geschriften doorheen de geschiedenis bewaard gebleven en steeds weer opnieuw beschikbaar gesteld om ze te raadplegen, te bestuderen, er uit te putten.

Maar weet dat die mystici mensen waren zoals u en ik. Ook zij stonden iedere morgen op en gingen iedere avond slapen, maakten eten, onderhielden hun woonst (als ze die hadden), deden hun arbeid, enz. Ook zij kenden hun gevechten, hun twijfels, hun moeheid,… Maar ze gingen ervoor, ieder in zijn of haar spiritualiteit, hen door God geschonken. Ze gingen ervoor, dikwijls met veel moeite, met vallen en telkens opnieuw weer opstaan. Ja, net zoals u en ik. Alleen zijn wij (ik toch alleszins) nog niet zo diep gevorderd op onze weg ‘in Christus’.

Al goed (ja God zij dank !) is het hart van God gekenmerkt door een mateloze goddelijke barmhartigheid. Gisteren las ik nog woorden van Manu Van Hecke (de abt van de trappistengemeenschap in West-Vleteren) die hij uitsprak op een spiritualiteitsdag te Gent eerder deze week. Ik wil zijn woorden graag met je delen:

“Jezus toont ons de weg naar barmhartigheid. Hij toont wie de Vader is. De Vader is altijd op zoek naar ons. Barmhartigheid heeft alles te maken met de pijn in Gods hart om onze onvolkomenheid. God weet weg met ons kwaad. Hij kan het aan als we ‘neen’ zeggen. Daarom zeggen we het drie keer voor de communie: ‘Lam Gods dat wegdraagt de zonden van de wereld’. God is geen bulldozer. Hij komt als een kwetsbaar lam. Zo gaat God met ons om. Daar ligt de bron van ons leven. Zo is onze God. Amen.”

Inderdaad, zo is God, zo gaat Hij met ons om. Zijn we nog niet zo ver gevorderd als de grote mystici? Voor God geen probleem. In Christus klopt Hij aan en wacht tot we ons werpen in zijn barmhartigheid.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Dank U, Vader, om uw barmhartigheid.roos
Wat zijt Gij groot ! Geef ons de liefde, de nederigheid, ons in uw barmhartigheid te werpen, opdat wij door uw genade mogen groeien in ons leven ‘in de Heer’, in uw liefde. Kom heilige Geest. Amen.