Lezingen van de dag – donderdag 13 sept 2018


Heilige (of feest) van de dag

Johannes Chrysostomus († 407)

Constantinopel, Klein-Azië; bisschop, kerkvader & kerkleraar

Johannes werd geboren te Antiochië, Syrië, in het jaar 347. Hij verloor als klein kind al zijn vader. Zijn moeder, Anthusa geheten, was christin; ze bracht hem de eerste beginselen van het geloof bij, maar liet hem niet dopen. Daar zou hij als volwassene zelf voor moeten kiezen.

Johannes kreeg een opleiding tot rhetor. Welsprekendheid was in zijn tijd misschien wel het belangrijkste vak om verder te komen in de wereld: je moest het woord kunnen voeren. Omdat hij een hoogbegaafd spreker was, vlug van begrip en glad van de tongriem gesneden, leek er voor hem een prachtige politieke carrière weggelegd. Maar tijdens zijn studies was hij gaan ontdekken dat de christelijke geloofsleer eigenlijk de enige levensbeschouwing was die iets te vertellen had over alle facetten van het leven, inclusief de kennis van het goddelijke, de zichtbare en onzichtbare wereld, de wetenschap, de vragen rond goed en kwaad en je eigen persoon.

Hij trok zich als monnik terug in de eenzaamheid om God te zoeken en beter te leren kennen. Van daaruit werd hij in 398 tegen zijn zin door patriarch Theofilus van Alexandrië († 412) geroepen om Sint Nectarius († 397) op te volgen als patriarch van Constantinopel, destijds de hoofdstad van het Oost-Romeinse Rijk. In die hoedanigheid herzag hij de Griekse liturgie en besteedde hij veel aandacht aan bijbeluitleg. Hij had een grote bewondering voor Sint Paulus. Volgens zeggen zou deze hem dan ook meermalen verschenen zijn om hem te helpen bij de interpretatie van moeilijke passages in de Heilige Schrift.

In zijn preken en geschriften, waarvan er vele bewaard zijn gebleven, wist hij te zeggen waar het op stond. De zuiverheid van geloof en zeden ging hem boven alles. Hij joeg daarmee keizerin Eudoxia tegen zich in het harnas. Tot tweemaal toe wist zij gedaan te krijgen dat hij in ballingschap moest. Ongebroken ijverde Johannes voor de verbreiding van de christelijke geest: hij preekte, schreef, stuurde zendelingen naar delen van de wereld waar het christendom nog niet was doorgedrongen; hij deed wèl aan de armen; kortom hij was even geliefd bij zijn eigen mensen als gehaat bij zijn tegenstanders. Hij schreef o.a. drie boeken over seksuele onthouding: ‘Over de maagdelijkheid’, ‘Aan een jonge weduwe’ en ‘Over het éne huwelijk’; daarnaast pastorale werken als ‘Over het priesterschap’ en ‘Over ijdele roem en de opvoeding van kinderen’.
Hij stierf in 407 in ballingschap in het Armeense stadje Comana (het huidige Tokat, Noordoost-Turkije), zestig jaar oud.
Daar vond hij ook voorlopig zijn laatste rustplaats.

Dertig jaar na zijn dood hield zijn opvolger in Constantinopel, patriarch Proclus († 446), een preek, waarin hij zijn leermeester en geestelijk leidsman Johannes Chrysostomus in herinnering riep. Hij zei het te betreuren dat zijn geliefde vader in ballingschap was gestorven, vervolgd omwille van de goede zaak. Tenslotte sprak hij de wens uit zijn relieken hier in de kerk te hebben in het midden van de mensen voor wie hij zijn energie en in zekere zin ook zijn leven had gegeven. De toehoorders waren enthousiast. De oude liefde voor hun vroegere bisschop was gewekt. Ook de keizer van dat moment, Theodosius Junior, deelde in het enthousiasme.

Hij gaf opdracht om het stoffelijk overschot van Johannes in Comana op te gaan halen. De legende vertelt hoe de reliekschrijn niet van zijn plaats wilde, totdat keizer Theodosius aan de gestorven Johannes een openbare brief had geschreven, waarin hij zijn spijt betuigde over het gedrag van zijn moeder, de voormalige keizerin Eudoxia; immers zij was verantwoordelijk geweest voor Johannes’ ballingschap. In zijn brief smeekte de keizer Johannes dus terug te keren naar zijn oorspronkelijke standplaats, Constantinopel. De brief werd op de reliekschrijn gelegd, en vanaf dat moment was hij zo licht als een veertje. Ieder die de schrijn aanraakte, werd genezen van welke kwaal dan ook. De tocht van Comana naar Constantinopel werd een triomftocht. Bij aankomst in de hoofdstad herhaalde keizer Theodosius zijn bede om vergiffenis; het was alsof het zijn moeder zelf was die sprak door zijn mond: “Toen ik in dit tijdelijke bestaan verkeerde, heb ik u kwaad gedaan. Maar nu u leeft in eeuwigheid, bid ik u: kom mijn ziel te hulp. Mijn roem is vergaan, en ik ben alleen nog aangewezen op hulp van anderen. Help mij, vader, vanuit uw glorie. Help mij, voor het te laat is, en ik veroordeeld word voor de troon van Christus, de eeuwige Rechter.”
Daarop werd de schrijn de kerk ingedragen en op de bisschopszetel geplaatst. Op dat moment weerklonken deze woorden uit zijn mond: “Vrede zij met u allen!” Dit vond plaats in het jaar 438.
In 1568 werd hij door paus Pius V uitgeroepen tot kerkleraar.

Hij is patroon van predikanten, kanselredenaars en bijenkwekers (vanwege zijn welsprekendheid, die vaak met honing wordt vergeleken) en van studenten.
Hij wordt aangeroepen tegen toevallen (een herinnering aan de genezingen tijdens de overbrenging van zijn reliekschrijn).
Hij wordt afgebeeld in liturgische gewaden (hij heeft veel geschreven over de heilige liturgie), met een boek, een bijenkorf (symbool voor de honingzoete woorden die uit zijn mond kwamen), met een duif (die zou bij zijn bisschopswijding vanuit den hoge neergedaald zijn en op zijn schouder zijn gaan zitten), met een engel (die zou hem herhaaldelijk verschenen zijn om hem te troosten, met name in zijn ballingschapsperiodes om hem te troosten).
In de oosterse kerk draagt Johannes naast de eretitel ‘Chryso-stomos’ (= ‘Gulden-mond’) ook nog de titel ‘Gouden Trompet van de Orthodoxie’. Daar behoort hij met Athanasius de Grote, Basilius de Grote en Gregorius van Nazianze tot de vier grote Oosterse kerkvaders.

donderdag in week 23 door het jaar


Uit de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs

8, 1b-7 + 10-13

Ieder moet zeker zijn geweten volgen. Maak hij moet ook respect kunnen opbrengen voor de gewetensovertuiging van een ander. Zijn eigen visie mag geen aanstoot geven aan zwakkere gelovigen, want Christus is voor allen gestorven.

Broeders en zusters,
kennis maakt verwaand; alleen de liefde bouwt op. Wanneer iemand zich inbeeldt dat hij kennis bezit, is het toch nog niet de ware kennis. Maar wanneer iemand God liefheeft, is hij door God gekend.
Wat nu het eten van offervlees betreft: wij weten dat er in de hele wereld niet één afgod echt bestaat en dat er maar één God is. Ook al zijn er zogenaamde goden in de hemel of op aarde–en zo zijn er immers heel wat goden en heren–, wij weten: er is één God, de Vader, uit wie alles is ontstaan en voor wie wij zijn bestemd, en één Heer, Jezus Christus, door wie alles bestaat en door wie wij leven. Maar niet iedereen bezit deze kennis. Sommigen van u zijn zo aan hun afgod gewend dat ze het offervlees nog altijd als een offer aan die afgod zien. Hierdoor wordt hun geweten, dat zwak is, bezwaard. Wanneer namelijk iemand met een zwak geweten ziet dat u, met uw kennis, in een afgodentempel deelneemt aan een maaltijd, wordt hij er dan niet toe verleid dat offervlees te eten?
Zo gaat de zwakke door uw kennis verloren, een broeder of zuster voor wie Christus gestorven is. Op die manier zondigt u tegen hen, en door hun zwakke geweten te ondermijnen zondigt u tegen Christus.
Als ik dus door vlees te eten mijn broeder of zuster ten val breng, wil ik het nooit ofte nimmer meer eten; dan breng ik hen niet ten val.

 

Psalm 139, 1 + 2 + 3 + 13 + 14ab + 23 + 24

Refr.: Heer, leid mij over de weg die eeuwig is.

Heer, U kent mij, U doorgrondt mij,
U weet het als ik zit of sta,
U doorziet van verre mijn gedachten,
ga ik op weg of rust ik uit, U merkt het op,
met al mijn wegen bent U vertrouwd.

U was het die mijn nieren vormde,
die mij weefde in de buik van mijn moeder.
Ik loof U voor het ontzaglijke wonder van mijn bestaan,
wonderbaarlijk is wat U gemaakt hebt.

Doorgrond mij, God, en ken mijn hart,
peil mij, weet wat mij kwelt,
zie of ik geen verkeerde weg ga,
en leid mij over de weg die eeuwig is.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 6, 27-38

Het fundamentele gebod van de liefde wordt moeilijker als wijzelf ons beledigd voelen of gekwetst. Dan vraagt het evangelie dat wij niet terugslaan. Wij moeten de liefde bewaren en altijd blijven vergeven.

Jezus sprak to zijn leerlingen:
‘Tot jullie die naar Mij luisteren zeg Ik: heb je vijanden lief, wees goed voor wie jullie haten, zegen wie jullie vervloeken, bid voor wie jullie slecht behandelen. Als iemand je op de wang slaat, bied hem dan ook de andere wang aan, en weiger iemand die je je bovenkleed afneemt niet ook je onderkleed. Geef aan ieder die iets van je vraagt, en eis je bezit niet terug als iemand het je afneemt. Behandel anderen zoals je wilt dat ze jullie behandelen.
Is het een verdienste als je liefhebt wie jullie liefhebben? Want ook de zondaars hebben degenen lief die hen liefhebben. En is het een verdienste als je weldaden bewijst aan wie weldaden bewijzen aan jullie? Ook de zondaars handelen zo. En is het een verdienste als je geld leent aan degenen van wie jullie iets terug verwachten? Ook zondaars lenen geld aan zondaars in de verwachting alles terug te krijgen.
Nee, heb je vijanden lief, doe goed en leen geld aan anderen zonder iets terug te verwachten; dan zullen jullie rijkelijk worden beloond, en zullen jullie kinderen van de Allerhoogste zijn, want ook Hij is goed voor wie ondankbaar en kwaadwillig is. Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is.
Oordeel niet, dan zal er niet over je geoordeeld worden. Veroordeel niet, dan zul je niet veroordeeld worden. Vergeef, dan zal je vergeven worden. Geef, dan zal je gegeven worden; een goede, stevig aangedrukte, goed geschudde en overvolle maat zal je worden toebedeeld. Want de maat die je voor anderen gebruikt, zal ook voor jullie worden gebruikt.’

Van Woord naar leven

‘Heb je vijanden lief, wees goed voor wie jullie haten, zegen wie jullie vervloeken, bid voor wie jullie slecht behandelen. Als iemand je op de wang slaat, bied hem dan ook de andere wang aan.’
Zo horen we Jezus vandaag zeggen.

In de islam mag je geen geweld gebruiken; de koran is daar duidelijk over. Doch in één geval is een zeker geweld wél toegelaten, namelijk wanneer je je als moslim levensbedreigd voelt inzake je geloof.
Het christendom gaat nog een stap verder, en daarin onderscheidt het zich in wezen van de islam. Het christendom, met name Jezus, roept op je linkerwang aan te bieden wanneer men je op de rechterwang slaat, Hij roept op je vijanden lief te hebben, hen te zegenen, voor hen te bidden. Jezus heeft het hier over een absolute geweldloosheid, zelfs al zal het je leven kosten. Hijzelf is, zoals we weten, deze weg gegaan.

Maar het gaat bij Jezus om veel meer dan zomaar een humane geweldloosheid. Het is de vraag van God zelf, een oproep van zijnentwege aan de mensheid. Om, in zekere zin, deelgenoot te worden aan Jezus’ lijden en verrijzen. We moeten het niet opzoeken, maar moest het lot erin bestaan je leven te moeten geven omwille van je geloof, deel je in Jezus’ offer en opstanding, wat altijd z’n vruchten zal kennen in Kerk en wereld.

Oh ja, de Kerk heeft daar in de geschiedenis dikwijls tegen gezondigd. Denk aan de kruistochten waar opgeroepen werd gewapenderhand ten strijde te trekken tegen de moslims om het Heilige Land te heroveren.
Mooi detail in het verhaal van de kruistochten is dat Franciscus van Assisi hieraan deelnam, zonder één keer naar het wapen te grijpen, integendeel: hij had een broederlijke ontmoeting met de sultan waar ze elkaar Gods vrede toewensten. Misschien was dit gebeuren tussen Franciscus en de sultan wel de échte kruistocht die we als christenen en als Kerk moeten aangaan. Om over na te denken !

Hoe dan ook: uw vijanden beminnen, zegenen wie ons vervloeken. De oproep is duidelijk.

En laten we niet te snel denken dat dit niet over ons gaat. Natuurlijk gaat dit over ons, over u en mij. Allen hebben we in ons leven wel eens te maken met mensen die, ook al gebruiken we dat woord niet graag, meer onze vijanden lijken dan onze broeders, mensen die ons het leven flink lastig maken, mensen die we misschien zelfs liever nooit hadden ontmoet. Dat kunnen mensen zijn in onze verre kennissengroep, maar dat kunnen ook mensen zijn zeer dicht in onze leefomgeving.
Maar ook hier geldt de oproep van Jezus: onze ‘vijanden’ beminnen, hen zegenen, voor hen bidden.

Het is een weg die altijd weer opnieuw de deur open laat voor vrede, verzoening, dialoog.

Laten we ieder individueel, kijkend naar onze directe leefomgeving, maar ook als wereldkerk, deze weg bewandelen.
We zijn in goed gezelschap, want de Heer is met ons, zowel in het lijden van mogelijke vervolging, alsook in de vruchten ervan. En deze laatsten zijn diep, en van levensbelang voor Kerk en samenleving; wereldwijd.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Barmhartige Vader,
door Jezus hebt Gij ons geleerd
geen kwaad met kwaad te vergelden.
Schenk ons uw Geest met de gave van
een diepe vergevingsgezindheid
die de genade in zich draagt
elkaar tot U te brengen.
Trek ons in de liefde van uw Zoon.
Amen.