Lezingen van de dag – donderdag 17 sept. 2015


Heilige (of feest) van de dag

Hildegard van Bingen (+ 1179)st__hildegard_von_bingen_icon_by_theophilia-d83xlwg

Hildegard van Bingen osb, Eibingen, Duitsland; maagd & mystica; † 1179.

Hildegard werd in 1098 geboren te Bermersheim bij Alzey. Als achtjarig meisje werd zij toevertrouwd aan de zorgen van de benedictinessen op de Disibodenberg. In 1136 volgde zij er haar leermeesteres, Jutta van Sponheim († 1136; feest 22 december) op als abdis. Vervolgens stichtte zij tussen 1147 en 1150 nabij Bingen het klooster Rupertsberg; Margaretha van Sponheim was er priorin († 1190; feest 29 oktober). In 1165 voegde zij daar de stichting van het klooster te Eibingen in de buurt van Rüdesheim aan toe.

Eind jaren (1147) veertig begon zij bekendheid te krijgen. Op verzoek van aartsbisschop Heinrich van Mainz en abt Kuno van de Disibodenberg wijst paus Eugenius III († 1153; feest 8 juli) twee prelaten aan die een onderzoek moeten instellen naar persoon, leefgewoonten en geschriften van de kleine abdis. Zo tijgen bisschop Auberon van Verdun en Aldebert, de voorzitter van diens dekenaal kapittel, naar de Disibodenberg.

Diep onder de indruk komen ze bij haar vandaan en begeven zich naar de bisschoppenvergadering van Trier; ze hebben bij zich het eerste deel van Hildegards boek ‘Scivias’. Het is eind 1147. Daar zijn de paus en vele prelaten bijeen om kerk- en kloosterhervormingen door te voeren.

De geschiedschrijver Jean Trithème zal drie eeuwen later schrijven: ‘De paus las de geschriften van de maagd voor aan een groot aantal aanwezigen. Hij trad zelf op als voorlezer en voorzag een belangrijk deel van haar werk van uitleg. Allen die de voorlezing hoorden, waren een en al bewondering en brachten eensgezind dank aan God.’ Sinds die tijd stond de paus in geregeld briefcontact met ‘dit zo bewonderenswaardig door God geïnspireerd licht’.

Hildegard van Bingen preekt in Trier
Pinksteren 1160 is zij in de stad Trier om een predikatie te houden voor de verzamelde geestelijken van de stad. Kort na haar vertrek schrijven de prelaten haar een brief waarin zij haar vragen haar preek op schrift te stellen: “Het is ons bekend dat de Heilige Geest in u woont en dat Hij u veel openbaart wat voor andere mensen verborgen blijft. Want sinds uw vertrek, nadat u hier met Pinksteren was gekomen om ons vanuit een hogere beschikking te zeggen dat een dreigement ons te wachten stond, hebben wij om ons heen enerzijds veel moeilijkheden ondervonden vanwege de kerken, en anderzijds aan veel gevaren bloot gestaan van de kant van de mensen. Wij hebben te weinig aandacht gegeven aan Gods toorn. En we hebben het aan zijn goedheid te danken dat we tot nu toe gespaard zijn gebleven. Omdat God in u is en zijn eigen woorden uit uw mond komen, smeken wij u, uwe moederlijke genegenheid, ons te schrijven wat u ons mondeling hebt medegedeeld.”

In haar antwoord schrijft zij van zichzelf: ‘Ik ben een klein, nietig wezen zonder gezondheid, kracht, moed of kennis.’ Maar dan begint ze te vertellen over wat zij gezien heeft in haar visioenen. Hoe de hele christenheid verbleekt en verslapt, en hoe wij het aan Gods genade te danken hebben dat we nog niet gestraft of zelfs verdelgd zijn. Dat is haar thema: Gods onvermoeibare goedheid, die keer op keer blijk geeft van zijn zorg en aanwezigheid, de verflauwing en onverschilligheid bij de mensen bestrijdt en telkens opnieuw hun afnemende ijver nieuw leven inblaast.

Ondanks haar zwakke en ziekelijk gestel ondernam zij dus moeizame reizen. Niet alleen naar Trier, maar ook naar Metz, Keulen en Zuid-Duitsland. Zij gaf er conferenties, en diende velen van advies. Zij bezat, zeker gemeten naar de maat van toen, een enorme kennis op het gebied van medicijnen en natuurwetenschappen. Zij onderhield een briefwisseling met de pausen, keizers en koningen, die zij meemaakte; daarnaast met vele bisschoppen en andere hoogwaardigheidsbekleders en invloedrijke mensen van haar tijd. Zij uitte zonder enige schroom en in alle vrijmoedigheid haar mening tegenover ieder van hen. Dat leverde haar enerzijds waardering op, maar anderzijds ook vijandschap. Zij genoot de bescherming en het vertrouwen van paus Eugenius III en Sint Bernardus († 1153; feest 20 augustus).

Tussen de bedrijven door componeerde zij kerkmuziek en schreef of dicteerde zij haar boeken, waaronder geestelijke werken als het ‘Liber Scivias’ (= ‘Ken de wegen’), het ‘Liber vitae meritorum’ (= ‘Het verdienstelijk leven’), en het ‘Liber divinorum operum’ (‘De goddelijke werken’); medische en natuurwetenschappelijke als ‘Liber subtilitatum diversarum naturarum’ (‘De verschillende fijnzinnigheden van de natuur’) en ‘Libri simplicis et compositae medicinae’ (= ‘Eenvoudig boek over artsenij’). Zij bezorgde een levensbeschrijving van Sint Rupertus van Bingen († ca 732; feest 15 mei) en stelde een eigen taal samen, bestaande uit een mengeling van Duits en Latijn.
Zij stierf in 1179, 80 jaar oud.

Zij is patrones van taalwetenschappers, filologen en esperantisten en van natuurwetenschappers. Haar voorspraak wordt ingeroepen voor goede raad.
Zij wordt afgebeeld als abdis (met staf); met boek en ganzenveer; of terwijl ze een brief overhandigt aan een bode.

DONDERDAG IN WEEK 24 DOOR HET JAAR


Uit de eerste brief van Paulus aan Timoteüs 4, 12-16

Timoteüs wordt belast met de zorg voor de gemeenschap. Die bestaat erin dat hij blijvend een goed voorbeeld geeft en zich toelegt op de verkondiging van het Woord van God. Speciale genadegaven staan hem hiervoor ter beschikking. We vinden hier in het kort de taak van elke priester en diaken.

Dierbare,
sta niemand toe dat hij vanwege je jeugdige leeftijd op je neerkijkt, maar wees voor de gelovigen een voorbeeld in wat je zegt, in je levenswijze, in liefde, geloof en zuiverheid.
In afwachting van mijn komst moet je je toeleggen op het voorlezen uit de Schrift, op de prediking en het onderricht.
Veronachtzaam de genade die je geschonken is niet; je dankt haar aan de profetische woorden die de raad van oudsten over jou, onder handoplegging, heeft uitgesproken. Richt je hierop, maak het je eigen, zodat voor iedereen duidelijk wordt dat je vorderingen maakt.
Neem je in acht, houd je aan de leer en blijf dat doen; dan red je zowel jezelf als hen die naar je luisteren.

 

Psalm 111, 7-10

Refr.: De Heer heeft zijn volk verlossing gebracht.

Waarheid en recht zijn het werk van Gods handen, dag_1
uit al zijn regels blijkt zijn trouw.

Ze zijn onwrikbaar, voor altijd en eeuwig,
gemaakt volgens waarheid en recht.

Hij heeft zijn volk verlossing gebracht,
voor eeuwig zijn verbond ingesteld.
Heilig en ontzagwekkend is zijn Naam.

Het begin van wijsheid is ontzag voor de Heer,
wie leeft naar zijn wet, getuigt van goed inzicht.
Zijn roem houdt stand, voor altijd.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 7, 36-50

In de ontmoeting met een publieke zondares, trotseert Jezus alle regels van welvoegelijkheid. Hij opent nieuwe levenskansen voor iedereen. De Farizeeën wijst Hij op hun starheid; de vrouw looft Hij om haar geloof.

Een van de Farizeeën nodigde Jezus uit voor de maaltijd, en toen Hij het huis van de Farizeeër was binnengegaan, ging Hij aan tafel aanliggen.
Een vrouw die in de stad bekendstond als zondares had gehoord dat Hij bij de Farizeeër thuis zou eten, en ze ging naar het huis met een albasten flesje met geurige olie.
Ze ging achter Jezus staan, aan het voeteneinde van het aanligbed; ze huilde en zijn voeten werden nat door haar tranen. Ze droogde ze met haar haar, kuste ze en wreef ze in met de olie.
Toen de Farizeeër die Hem had uitgenodigd dit zag, zei hij bij zichzelf: Als Hij een profeet was, zou Hij weten wie de vrouw is die Hem aanraakt, dat ze een zondares is.
Maar Jezus zei tegen hem: ‘Simon, Ik heb je iets te zeggen.’
‘Meester, spreek!’ zei hij.
‘Er was eens een geldschieter die twee schuldenaars had: de een was hem vijfhonderd denarie schuldig, de ander vijftig. Omdat ze het geld niet konden terugbetalen, schold hij beiden hun schuld kwijt. Wie van de twee zal hem de meeste liefde betonen?’
Simon antwoordde: ‘Ik veronderstel degene aan wie hij het grootste bedrag heeft kwijtgescholden.’
Hij zei tegen hem: ‘Dat is juist geoordeeld.’
Toen draaide Hij zich om naar de vrouw en vroeg aan Simon:
‘Zie je deze vrouw? Ik ben in jouw huis te gast, en je hebt me geen water voor mijn voeten gegeven; maar zij heeft met haar tranen mijn voeten natgemaakt en ze met haar haar afgedroogd. Je hebt me niet begroet met een kus; maar zij heeft, sinds Ik hier binnenkwam, onophoudelijk mijn voeten gekust. Je hebt mijn hoofd niet met olie ingewreven; maar zij heeft met geurige olie mijn voeten ingewreven. Daarom zeg Ik je: haar zonden zijn haar vergeven, al waren het er vele, want ze heeft veel liefde betoond; maar wie weinig wordt vergeven, betoont ook weinig liefde.’
Toen zei Hij tegen haar: ‘Uw zonden zijn u vergeven.’
Zijn tafelgenoten dachten bij zichzelf: Wie is Hij, dat Hij zelfs zonden vergeeft?
Hij zei tegen de vrouw: ‘Uw geloof heeft u gered; ga in vrede.’

Van Woord naar leven

Het valt misschien moeilijk te geloven, maar de lezing van dit evangelie zouden we één van de eerste biechten uit de geschiedenis kunnen noemen. Een biecht met een, voor ons, vreemd en eigenaardig thema: ‘Aan wie veel liefde betoont, wordt veel vergeven’.

Nu het in onze dagen heel rustig en kalm geworden is rond de biechtstoel, kan het verfrissend zijn even terug te kijken naar de eerste biechtvader uit onze geschiedenis, naar de Enige die in staat is om aan mensen te zeggen: ‘Uw zonden zijn u vergeven’.

Want wellicht denken wij te vaak dat wij met onze zonden bij de biecht de hoofdrol of de zwaarste rol moeten spelen. Een rol die wij daarom zo goed mogelijk moeten kennen, van de grootste tot de kleinste zonde toe. Een rol die ons plankenkoorts bezorgt, omdat we de indruk krijgen voor een rechter te moeten verschijnen of voor een tribunaal te moeten komen, waar alles nauwkeurig wordt onderzocht, waar het vonnis en de strafmaat wordt bepaald.

Jezus laat hier duidelijk zien dat het niet in de eerste plaats om straf, maar om vergeving, niet om veroordeling maar om barmhartigheid gaat. Als verloren zonen en dochters, met onze waslijst van zonden en fouten, spelen niet wij de hoofdrol. Die ligt bij God en zijn barmhartigheid. Het komt er bij ons vooral op aan, zoals bij de vrouw uit het evangelie, te weten te komen waar God te vinden is en dan naar Hem op zoek gaan. Het is voor ons vooral van belang, zoals de verloren zoon, ons om te keren en de stap terug naar de Vader te zetten.

Eenmaal dit innig contact er is, vallen al onze zonden, ook al zijn ze nog zo talrijk, tussen de plooien. Ze tellen voor God niet meer mee. Hij dumpt ze in de oceaan van zijn vergeving.

Van belang is dat wij in onszelf de zin voor bekering op gang houden en moeite willen doen om zoveel mogelijk contact met God te houden. Een sleutelwoord is ons geloof. ‘Uw geloof heeft u gered’, zegt Jezus tot de vrouw. Voor Hem is er een sterke band tussen zonde en ongeloof. Hoe oppervlakkiger ons geloof, hoe zwakker ons zondebesef, hoe minder wij goed en kwaad uit elkaar weten te houden.

In de biechtviering die wij vandaag in het evangelie hoorden is Jezus een heel milde en rustige biechtvader. Alleen op één terrein reageert Hij heel scherp, omdat het voor Hem een zware overtreding is: de zonde van de splinter en de balk. De fout die Simon maakt door andermans tekorten te veroordelen en over eigen fouten heen te zien. Aan wie zo weinig liefde betoont, zal ook maar weinig vergeven worden.

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer,johannes-chrysostomus6
geef ons de liefde om in alle deemoed
voor U neer te knielen,
U ons hart gevend.
Wil ons dan vergeven,
ons bevrijden van alle duisternis,
om geheel in U te kunnen leven
ten bate van allen die Gij ons toevertrouwt.
Amen.