Lezingen van de dag – donderdag 18 januari 2018


Heilige (of feest) van de dag

Regina Protmann († 1613)

Regina Protmann, Braunsberg, Duitsland; stichteres

Zij werd in 1552 als koopmansdochter geboren te Braunsberg, in Ermland, Oost-Pruisen. Dat was zes jaar na de dood van Maarten Luther. Temidden van het woeden van de Reformatie bleef het gezin trouw aan het katholieke geloof. Op haar negentiende besloot ze zich geheel aan God toe te wijden en trok zich met twee vriendinnen terug in de eenzaamheid van een bouwvallig huis. Hier ligt in feite het begin van de door haar gestichte Congregatie der Catharinazusters die vooral rond de Oostzee verspreid is. Ze volgden het voorbeeld van Benedictus: ‘Bid en Werk’. Hun aantal groeide verbazend snel.

Maar het was de jezuïetenspiritualiteit die haar gevoelig maakte voor de eeuwige spanning in het leven van de gelovige: dat God niet alleen te vinden is in stil gebed, contemplatie en andere geestelijke oefeningen, maar ook in dienstbetoon aan armen, zieken en hulpbehoevenden en in geestelijke begeleiding van mensen. Zo stelden zij hun huis open en namen vooral noodlijdenden op. En dat, terwijl het Concilie van Trente juist enkele jaren tevoren de waarde van het slot voor vrouwenconventen krachtig had onderstreept. Ze wijdden zich vooral aan handenarbeid, ziekenverzorging en later ook aan de opvoeding van meisjes. Aanvankelijk hadden ze heel wat verdachtmakingen te doorstaan, gegeven het feit dat ze de zieken thuis opzochten, bij hen bleven waken en bidden, en dat soms ook ’s  nachts! Dat hadden vrome vrouwen tot dan toe immers nog nooit gedaan. Pas gaandeweg begon het tot de bevolking door te dringen dat hier iets nieuws groeide. Op 18 maart 1583 werden ze officieel door de bisschop erkend en goedgekeurd; in 1602 volgde de pauselijke goedkeuring.

Hoewel ze nooit officieel als overste is aangewezen, noemde iedereen haar ‘moeder Regina’. Het vuur van het begin bleef tot aan haar dood zichtbaar in haar voortgloeien. Een onbekende priester uit haar omgeving schrijft: ‘Het vuur van de christelijke naastenliefde brandde in haar hart. Daar kunnen de armen en noodlijdenden over meepraten! Hoe vaak is ze niet in het gasthuis de voeten van arme sloebers gaan wassen; hoe vaak heeft ze niet de wonden van patiënten verbonden. Had iemand, koorts, kiespijn, gezwellen, een oogkwaal of wat dan ook: zij wist er een middeltje voor. Als zij hoorde dat er iemand ziek was, ook al was het een volslagen onbekende, dan stuurde ze er alvast een zuster heen met een krachtige soep en een stevig maal om aan te sterken.’

Meer dan veertig jaar geeft zij leiding aan de Catharinazusters. Zij is voor al haar medezusters een voorbeeld. Zij legt zichzelf de strengste verstervingen op, die ze overigens verbiedt aan haar medezusters. Het komt geregeld voor dat zij haar kleren of beddengoed weggeeft, op de kale vloer slaapt of nachtenlang blijft bidden voor het altaarsacrament voor de bekering van zondaars. Als zij hoort dat er ergens oorlog of een gewapend conflict uitbreekt, dan begint zij met haar communiteit een veertigurengebed, alsof alleen zij nog in staat zijn het onheil af te wenden. Consequent gaat zij op haar doel af, in weerwil van teleurstellingen en tegenslagen, geïnspireerd daar haar levensmotto ‘Zoals God wil’.

Na een ziekbed van zes weken sterft ze op 18 januari 1613. In de Tweede Wereldoorlog worden haar relieken overgebracht van Pruisen naar Rome. Thans rusten zij in het moederhuis te Grottaferrata.

Op 13 juni 1999 werd zij door paus Johannes Paulus II († 2005) zalig  verklaard.

donderdag in week 2 door het jaar


Uit het eerste boek Samuël 18, 6-9 + 19, 1-7

Koning Saul was jaloers om de grote overwinning van de kleine David. Daarom wilde hij David uit de weg ruimen. Maar de zoon van de koning, Jonatan, brengt David hievan op de hoogte en spreekt voor hem ten beste. Dikwijls gaat het zo: als anderen succes hebben, kunnen wij dat moeilijk verdragen en meteen plaatsen wij ons buiten de lijn van God in ons leven. Wij zouden ons integendeel moeten verheugen over de voorspoed van anderen.

Bij de intocht van het leger, toen David terugkeerde van zijn overwinning op de Filistijn, liepen in alle steden van Israël de vrouwen zingend en dansend uit om koning Saul feestelijk in te halen met muziek van tamboerijnen en rinkelbellen. Opgetogen zongen ze: ‘Saul versloeg ze bij duizenden, David bij tienduizenden.’
Saul ergerde zich aan dit lied en werd woedend: ‘David geven ze er tienduizenden en mij maar duizenden. Nog even en ze geven hem het koningschap!’
Vanaf die dag begon Saul David te wantrouwen.
Saul maakte aan zijn hovelingen en zijn zoon Jonatan bekend dat hij Davids dood wenste. Maar Jonatan, die zeer op David gesteld was, waarschuwde hem: ‘Mijn vader Saul is van plan je te doden. Wees op je hoede morgenochtend, houd je schuil en blijf waar je bent. Ik ga dan met mijn vader de stad uit, houd bij jou in de buurt halt en breng het gesprek op jou. Daarna zal ik je laten weten hoe de zaken staan.’
Jonatan hield tegen zijn vader Saul een pleidooi voor David. Hij sprak als volgt: ‘Laat de koning zich niet vergrijpen aan zijn dienaar David. Hij heeft u immers niets misdaan. Integendeel, hij heeft u juist grote diensten bewezen. Met gevaar voor eigen leven heeft hij de Filistijn verslagen, en de Heer heeft Israël een grote overwinning bezorgd. U hebt het met eigen ogen gezien en was er opgetogen over. Waarom zou u dus onschuldig bloed vergieten door David te doden zonder dat daar aanleiding toe is?’
Saul liet zich door Jonatan overreden en zwoer: ‘Zo waar de Heer leeft, hij zal niet worden gedood.’
Toen riep Jonatan David en vertelde hem hoe het gesprek verlopen was.
Hij bracht David bij Saul en David kwam weer aan het hof wonen, zoals eerst.

 

Psalm 56, 2 + 3 + 9ab + 10 + 11 + 12 + 13

Refr.: Verheerlijken wil ik de Heer, mijn rots.

Wees mij genadig, God, want ze bedreigen mij,
de hele dag bestoken en bestrijden ze mij.

Mijn tegenstanders bedreigen mij, heel de dag,
en bestrijden mij vanuit hun hoge vesting.

Mijn omzwervingen hebt U opgetekend,
vang mijn tranen op in uw kruik.

In het uur dat ik U aanroep wijken mijn vijanden,
want dit weet ik: God staat mij ter zijde.

Op God, wiens woord ik prijs,
op de Heer, wiens woord ik prijs, vertrouw ik.

Op God vertrouw ik, angst ken ik niet,
wat kan een mens mij aandoen?

Aan U, God, heb ik geloften gedaan,
met dankoffers wil ik U betalen.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 3, 7-12

Deze lezing is een zogenaamd verzamelbericht: een algemene schildering van de uitwerking die Jezus’ wonderen bij het volk hadden. Zijn optreden wekt een menigte enthousiaste mensen. Dit enthousiasme van het volk, zowel als de openlijke vijandschap van de leiders van het volk, zijn geen van beide echt geloof. Daarom onttrekt Hij zich ook aan het volk.

Jezus week met zijn leerlingen uit naar het meer, en een grote menigte uit Galilea volgde Hem. Ook uit Judea en Jeruzalem, uit Idumea en het gebied aan de overkant van de Jordaan en uit de omgeving van Tyrus en Sidon kwamen veel mensen naar Hem toe, omdat ze hadden gehoord wat Hij allemaal deed.
Hij zei tegen zijn leerlingen dat ze een boot voor Hem gereed moesten houden, om te voorkomen dat Hij door de menigte onder de voet zou worden gelopen.
Allerlei zieken verdrongen zich om Hem aan te raken, want Hij had al veel mensen genezen. Telkens als de onreine geesten Hem zagen, vielen ze voor Hem neer en schreeuwden: ‘Jij bent de Zoon van God!’ Hij sprak hen bestraffend toe, en verbood hun bekend te maken wie Hij was.

Van Woord naar leven

Jezus week met zijn leerlingen uit naar het meer, en een grote menigte uit Galilea volgde Hem.

Het moet een mooi zicht geweest zijn: Jezus die met zijn leerlingen richting meer van Galilea trok en die grote menigte die Hem volgde. Wat een dorst moet er geleefd hebben onder de mensen om Hem te willen ontmoeten, naar Hem te luisteren.

Ik denk dat het vandaag niet anders zou zijn. Neem dat Jezus plots hier in onze streken zou zijn, in lichamelijke gestalte: wandelend van dorp naar stad, woorden van leven sprekend, vergeving schenkend, zieken genezend. Velen zouden Hem willen zien, zijn woorden willen horen. Velen zouden Hem willen aanraken, of door Hem aangeraakt willen worden. Velen zouden alles laten vallen om naar Hem toe te gaan.

Maar God heeft gewild dat Jezus niet onder die gedaante bij ons is. Zelfs na de weg die Hij moest gaan is Hij als Verrezene maar korte tijd onder de mensen geweest. Na z’n hemelvaart was het gedaan met de zichtbare Jezus.
Hij mocht dan wel de eucharistie hebben nagelaten waarin wij Hem ‘zichtbaar’ mogen aanschouwen. Feit is dat Hij niet meer onder ons rondloopt.

God heeft gewild dat we de weg van het geloof bewandelen. Het is de weg waarop we worden uitgenodigd ons te geven aan de Heer: ons verstand, onze krachten, ons hart, ons hele zijn. Opdat we, opgenomen door Hem, zijn liefde zouden zijn / worden in al ons doen en laten.

Mooie woorden, en oh zo snel gezegd. De realisatie van deze weg, de consequenties die deze weg met zich meebrengt … da’s heel andere koek. Het is een weg van achterlaten, afsterven, innerlijke armoede, overwinning, gebed, offer, toewijding, gemeenschap, eenvoud, vrede, vreugde … allemaal ingrediënten om tot dat ene te komen dat we kunnen omschrijven als ‘leven in God’ (wat synoniem is van liefde).

Lieve mensen, we leven maar één keer. Laten we onze tijd niet verspillen, maar bereid zijn vandaag te groeien in Gods liefde. Ja, laten we vandaag ‘ja’ zeggen.

Jezus mag dag lichamelijk niet meer onder ons aanwezig zijn, Hij is niet minder aanwezig dan toen aan het meer van Galilea. Laten we blij zijn om zijn aanwezigheid, er ons in onder dompelen, en Hem volgen.

Hebben niet allen die wij ontmoeten recht op onze godsontmoeting ?

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer,
kom met uw Geest over ieder van ons
en schenk ons de genade
van een gezond en sterk geloof,
dat ons aan U doet schenken
en mét U op weg doet gaan,
uw liefde gevend
aan allen die Gij ons geeft.
Amen.