Lezingen van de dag – donderdag 3 dec. 2015


Heilige (of feest) van de dag

Franciscus Xaverius (+ 1552)6940_S-Franciscus-Xaverius_1000 02

Franciscus Xaverius (eigenlijk Francisco de Yasu y Javier) sj, Sancian, Zuid-Oost-Azië; missionaris; † 1552

Hij werd op 7 april 1506 geboren op het landgoed Javier in Navarra, Baskenland, Noord-Spanje. Hij studeerde te Parijs met een glanzende carrière in het vooruitzicht. Maar een ontmoeting met zijn landgenoot Iñigo (Ignatius) van Loyola zou van beslissende betekenis worden voor zijn leven. Deze Ignatius probeerde Franciscus over te halen tot zijn ideaal om ‘de zielen te helpen’, mensen in hun geloof en gebed te begeleiden en gelukkig te maken door aandacht te besteden aan Gods werk in ieders persoon. Met grote moeite liet Franciscus zich hiervoor winnen. Tezamen met nog acht anderen legden Ignatius en hij in 1534 de geloften af dat ze hun verdere leven enkel en alleen in dienst van God zouden stellen. Dat gebeurde in het kapelletje van Montmartre, dat destijds even buiten Parijs lag.

Meteen daarna ging Franciscus theologie studeren. De tien vrienden in de Heer hielden contact, ook al raakten ze verspreid over het toenmalige Europa. Ze ontmoetten elkaar in Venetië met de bedoeling samen naar het Heilige Land te gaan, om daar in de voetstappen van Jezus te treden. In die tijd ontving Franciscus de priesterwijding, 1537. Toen hun plannen werden gedwarsboomd door een oorlog tussen Turkije en Venetië, besloten ze naar hun diensten aan te bieden aan de paus in Rome. In 1540 kregen ze officieel toestemming van paus Paulus III († 1549) om een religieuze orde op te richten: de Sociëteit van Jezus (‘jezuïeten’). Op aanvraag van de koning van Portugal werd Franciscus in 1541 naar de nieuwe missiegebieden van Achter-Azië gezonden.

Vanaf dat moment begon er een rusteloos leven van reizen en trekken. Het doet sterk denken aan Paulus, de grote apostel uit de eerste eeuw van het christendom († ca 67; feest 29 juni). Franciscus legde zelfs een beduidend langere afstand af dan de Apostel. Achtereenvolgens zou hij verkondigend en dopend door India trekken (1542-1544), de Molukken (1544-1547) en Japan (1548-1551).

Eerst zette hij vanuit Goa in India koers naar de oostkust dwars door het vasteland. In het voorbijgaan bezocht hij te Madras het graf van de apostel Thomas († 1e eeuw; feest 3 juli). Vandaar zette hij koers naar Malakka, deed de Molukken aan, Ambon waar al christenen woonden en Ternate, nog volledig onbekend met de christelijke godsdienst. Hij deed zelfs Molotai aan, een eiland dat bekend staat om zijn koppensnellers. Overal probeerde hij met behulp van tolken mensen tot het christelijk geloof te bewegen. Als hij ook maar enigszins meende dat zij het doopsel waardig waren, diende hij het toe. Hij werd daarbij tot heilige ijver gedreven door zijn overtuiging dat ongedoopten in het hiernamaals voorgoed verloren zouden gaan, een opvatting die toen heel gewoon was en algemeen verspreid.
Franciscus was gegrepen door de persoon van Jezus en de liefde van zijn Vader. Met zijn vurig Baskisch temperament leefde hij voor het evangelie.
Ruim een jaar na zijn aankomst in zijn missiegebied schreef hij in volkomen eenzaamheid vanuit een gehucht op 800 kilometer afstand van zijn standplaats Goa, India:

“Menigten van mensen komen hier niet in contact met Christus om de eenvoudige reden dat er niemand klaar staat voor de heilige taak om hen erover te vertellen. Vaak heb ik gepopeld van verlangen om de Europese universiteiten binnen te rennen, vooral de Sorbonne in Parijs, en daar als een uitzinnige te keer te gaan tegen degenen die meer geleerdheid bezitten dan de bereidwilligheid om er goed gebruik van te maken. Ik zou hun aan het verstand willen brengen hoeveel mensen van de hemel niet weten en ongelukkig blijven door hun nalatigheid.”

Franciscus gaat er zonder meer vanuit dat het Evangelie als enige de weg wijst naar het werkelijke geluk: de inwendige wetenschap door God zomaar bemind te zijn en van daaruit je leven te in te richten.

“Zij zouden niet alleen de wetenschappen moeten bestuderen, maar ook voor ogen moeten houden met welke bedoeling God hun deze talenten heeft geschonken. Dan zouden zij zich vast en zeker veel meer toeleggen op hun gebedsleven; zij zouden God van meer nabij leren kennen en een plaats geven in hun leven; zij zouden alle neigingen in hun leven afwegen en het goede weten te kiezen, en zij zouden roepen: ‘Heer, hier ben ik. Wat wilt u dat ik doe? Stuur mij maar overal naar toe waar u wilt, al was het naar Indië!’ Met hoeveel meer vreugde in hun hart zouden zij dan leven…”
Deze vertaling is een bewerking van een tekst zoals afgedrukt in James Brodrick s.j. ‘De Heilige Franciscus Xaverius 1506-1552’ Utrecht, De Fontein, 1953 (Ned. vert. van J. Duprés) p.106-107.

Na de ontmoeting met een bekeerde Japanner ging hij naar Japan en probeerde door te dringen tot de keizer. Dat lukte pas na vele vergeefse pogingen en vergeefse pogingen, en dan alleen nog maar nadat ze zich hadden uitgedost in de kleding van westerse hoogmogendheden, compleet met dure relatiegeschenken, zoals klokken, muziekdoosjes, spiegels, kristal, kostbare kleding en wijn. De keizer gaf toestemming om het christelijk geloof te verkondigen. Hij voegde eraan toe dat het ieder in zijn rijk vrij stond dat geloof inderdaad te kiezen, wanneer men van mening mocht zijn dat men er gelukkiger van werd.
De prediking en organisatie ter plaatse liet Franciscus vervolgens over aan medejezuïeten. Zelf verlangde hij ernaar het ‘magische’ China te bereiken, het toenmalige culturele centrum van heel Achter-Azië. Hij was ervan overtuigd dat alle omringende culturen mee zouden gaan, als China voor het christendom kon worden gewonnen.
Om zich op dit alles voor te bereiden ging hij eerst terug naar Goa. Onmiddellijk daarop waagde hij de sprong. Op een onooglijk eilandje voor de Chinese kust werd hij ziek en stierf.

Zijn relieken rusten sinds 1554 in Goa (India). Een deel van zijn rechterarm werd in 1615 overgebracht naar de Gesùkerk te Rome. Tezamen met Ignatius werd hij in 1622 heilig verklaard. Hij wordt beschouwd als de grondlegger van de moderne missie en wordt dan ook vereerd als patroonheilige van de missies, met name van de buitenlandse katholieke missies (sinds 1927) en van de voortplanting van het geloof.

Daarnaast is hij patroon van het Verre Oosten, en in het bijzonder van Goa, India (sinds 1748), Macau en Pakistan; van Portugal; in Italië: van Bastia, Bologna, Cremona, Parma en Piacenza;; en in Spanje van Navarra en Pamplona. Bovendien is hij beschermheilige van jezuïeten, van zeelieden in het Verre Oosten; zijn voorspraak wordt ingeroepen tegen de pest; tegen hagel en storm en voor een goede reis overzee.

Hij wordt afgebeeld in zwarte toog, witte halflange superplie met stola eroverheen; vaak een kruis in de hand voor zich uit (symbool van geloofsverkondiging aan niet-christenen).

DONDERDAG IN DE 1e WEEK VAN DE ADVENT


Uit de profeet Jesaja 26, 1-6

De trouw en de standvastigheid van het volk Gods zal beloond worden. De Heer is een burcht die eeuwen trotseert. Binnen zijn muren en wallen zullen armen en zwakken veilig zijn. De echte vrede zal geschonken worden aan hen die op de Heer vertrouwen. Christus en zijn Kerk zijn voor de gelovigen de rots in de branding.

Op die dag zal in Juda dit lied klinken:
‘Wij hebben een sterke stad, de Heer biedt ons redding als een wal, als een muur. Open de poorten, opdat het rechtvaardige volk kan binnentreden, het volk van uw getrouwen. De standvastige is veilig bij U, vrede is er voor wie op U vertrouwt.
Vertrouw altijd op de Heer, alleen op Hem, want de Heer is een rots sinds mensenheugenis.
Hij haalt neer wie in de hoogte leven en veilig in hun onneembare vesting wonen. Hij brengt zelf hun stad ten val, Hij maakt haar met de grond gelijk, niets laat Hij van haar heel.
Dan wordt ze onder de voet gelopen, vertrapt door de zwakken, vertreden door de armen.’

 

Psalm 118, 1 + 8 + 9 + 19 + 20 + 21 + 25 + 26

Refr.: Gezegend wie komt met de naam van de Heer.

Loof de Heer, want Hij is goed,
eeuwig duurt zijn trouw.
Beter te schuilen bij de Heer, 0793a0fae18b6d8b626bd5f3fb5ddecb
dan te vertrouwen op mensen.

Beter te schuilen bij de Heer,
dan te vertrouwen op mannen met macht.
Open voor mij de poorten van de gerechtigheid,
ik wil binnengaan om de Heer te loven.

Dit is de poort die leidt naar de Heer,
hier gaan de rechtvaardigen binnen.
Ik wil U loven omdat U antwoordde,
en mij de overwinning gaf.

Heer, geef ons de overwinning,
Heer, geef ons voorspoed.
Gezegend wie komt met de naam van de Heer.
Wij zegenen u vanuit het huis van de Heer.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 7, 21 + 24-27

Jezus’ woorden beluisteren en ze ook in praktijk brengen helpt ons vooruit. Dan bouwen wij op stevige rotsgrond. Als wij ons leven bouwen op zijn woord, dan worden wij gered op de dag van het oordeel. Voorwaarde is: zijn woorden beluisteren en ernaar handelen.

Jezus sprak tot zijn leerlingen:
‘Niet iedereen die “Heer, Heer” tegen mij zegt, zal het Koninkrijk van de hemel binnengaan, alleen wie handelt naar de wil van mijn hemelse Vader.
Wie deze woorden van mij hoort en ernaar handelt, kan vergeleken worden met een verstandig man, die zijn huis bouwde op een rots. Toen het begon te regenen en de bergstromen zwollen, en er stormen opstaken en het huis van alle kanten belaagd werd, stortte het niet in, want het was gefundeerd op een rots. En wie deze woorden van mij hoort en er niet naar handelt, kan vergeleken worden met een onnadenkend man, die zijn huis bouwde op zand. Toen het begon te regenen en de bergstromen zwollen, en er stormen opstaken en er van alle kanten op het huis werd ingebeukt, stortte het in, en er bleef alleen een ruïne over.’

Van Woord naar leven

De rots waarover het evangelie spreekt, is Christus zelf. Bedoeling en roeping is ons ‘huis’ te bouwen op Hem. Dit ‘huis’ zal niet instorten, opdat Christus het fundament zal zijn van ons bestaan.

Wat niet wil zeggen dat er tegen het huis niet gebeukt zal worden. Dat zal het zeer zeker wel. Maar het huis, de bewoners, zullen steeds de ondergrond, de rots, Christus, in her-innering houden, in de zin dat ze zich in Hem genesteld hebben, verankerd, innig met Hem verbonden. Op Christus mogen ze vertrouwen dat dat wat tracht in te beuken niet de macht heeft de ziel te schaden. Oh ja, misschien wel het lichaam, en vele andere dingen. Maar niet de ziel. Want die is vervuld met de Heer, die ziel is bewoond, en wie zich toevertrouwt aan deze Bewoner, Christus, mag zich veilig weten.

Veilig… niet door zich te verbergen voor de wereld, vroom met sfeertjes ergens in een hoekje. Nee, door de wil te doen van de Vader, zoals het evangelie van vandaag ons voorhoudt. Uiteraard uit keuze, maar niet door eigen krachtpatserij. Christus zelf zal de genade verlenen gehoor te kunnen geven aan Gods wil.

Dit laatste vraagt groei; een groei die we allen moeten doorgaan, met vallen en opstaan, in licht en duisternis, in tijden van innerlijke weelde en tijden van barre droogte. Je verlaten op de Heer is immers geen vanzelfsprekendheid. De groei die Hij aanbiedt is gewoonlijk niet de weg die wijzelf zouden kiezen. Gods wegen zijn de onze niet. Gehoorzaamheid, gehoor geven aan de stem van de Heer, die weg bewandelen die Hij met je wil gaan, is niet vanzelfsprekend, verre van. Het vraagt een diep innerlijk afsterven van je eigen ‘ik’ dat zo graag zijn leven zelf in handen wil nemen. Armen van geest – waar we het eerder deze week over hadden – zijn zij die de kunst verstaan zich innerlijk geheel en al toe te vertrouwen aan de Heer. Het zijn zij die kunnen zeggen: ‘Gij, mijn God, mijn Al’.

Het gevaar bestaat er in dat we de moed gaan opgeven, dat we ophouden met bidden of daarin verslappen, dat we weglopen van onze roeping, of nog erger: dat we weglopen of wegdrijven van de Heer, wat jammer zou zijn. Het gevaar bestaat er ook in dat onze roeping gaat lijken op een tocht die we sowieso niet gaan aankunnen. Wie in dit donker straatje belandt laat zich niet leiden door de stem van de Heer, maar door andere stemmen die niets met de Heer te maken hebben. ‘Ja’ zeggen tot God is in het zachte zuigen van de Geest gaan staan.

Roeping is en blijft Blijde Boodschap. De Heer roept niet wanneer we het niet zouden aankunnen. Wat Hij wil is ons volwassen maken in het geloof, Hij wil ons losweken van ons ikje dat z’n eigen weg wil gaan, Hij wil een ‘ik’ laten geboren worden dat zich toevertrouwt aan Hem en waarmee Hij de weg wil gaan die God voor ons droomt. Dat ‘ik’ is ons meest waarachtige ‘ik’; het is het ‘ik’ waarvan God heeft gezegd dat Hij het geschapen heeft naar zijn beeld en gelijkenis.

Christus is onze levensrots, het levend fundament van ons bestaan. Laten we bouwen op Hem, en alleen op Hem.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer,johannes-chrysostomus6
geef dat wij ons bestaan steeds mogen bouwen op U;
Gij onze rots, ons levend fundament.
Wees de ziel van ons bestaan
en zet ons aan te doen wat de Vader wil.
Doe Gij het met ons.
Amen.