Lezingen van de dag – donderdag 20 aug. 2015


Heilige (of feest) van de dag

Bernadus van Clairvaux († 1153)resolve

o.cist., Frankrijk; abt & kerkleraar

Bernardus werd vermoedelijk in 1091 geboren te Fontaine-les-Dijon uit een adellijk geslacht. Zijn moeder was Aleth de Montbard († vóór 1150; feest 4 april); zij was reeds op vijftienjarige leeftijd gehuwd met Técelin († ca 1150; feest 4 april), heer van Fontaine-les-Dijon, bijgenaamd ‘de Blonde’. Als het aan moeder had gelegen, was zij zelf liever het klooster in gegaan, maar zij schikte zich in haar lot en volgde haar man naar zijn kasteel. Gelukkig was haar heer een deugdzaam man. Zijn plicht maakte, dat hij haast altijd aan het hof van de hertog van Bourgondië verkeerde, maar ook in dat milieu bewaarde hij zijn godsdienstzin en goede zeden. Het echtpaar kreeg zes zonen en één dochter. In hun opvoeding legden de beide ouders bij hun kinderen de basis voor een onverzettelijke, heilige levenswandel. Moeder besteedde veel zorg en aandacht aan haar kinderen en gaf hun waar ze zelf van leefde: vroomheid en eenvoud. Tijdgenoten zeggen van haar, dat zij van het kasteel een half klooster had gemaakt. Daardoor zou je kunnen zeggen, dat alle kinderen het religieuze leven met de paplepel ingegeven kregen. Ze zijn dan ook uiteindelijk allemaal het klooster ingegaan. De beroemdste werd Bernard.

Toch wees er aanvankelijk niets op dat de onstuimige, radicale Bernard die kant op zou gaan. Maar nadat hij de kloosterschool van Notre-Dame de Châtillon had doorlopen, trad hij in 1112, samen met 5 vijf familieleden en nog 30 edellieden in het klooster van Cîteaux, dat in die tijd onder leiding stond van de grote abt Sint Stephanus Harding († 1134; feest 17 april). Alleen zijn boers Gerard en Nivard waren daar toen nog niet bij; Gerard diende nog in het leger, en zou later intreden. De jongste, Nivard, lieten zij thuis bij vader als troost voor zijn oude dag; hij zou later mét zijn vader naar het klooster komen.

De grote groep nieuwkomers gaf een extra impuls aan de nieuwe orde der cisterciënzers, genoemd naar hun klooster Cîteaux, die al bij abt Robertus van Solesme († 1110; feest 29 april) begonnen was en door de nieuwe ordesregel, ‘Charta Caritatis’ geheten, van de hand van Stefanus Harding zijn beslag had gekregen.

De cisterciënzer beweging
Vanuit Cîteaux stichtte Bernardus en zijn gezellen kloosters in La Ferté-sur-Grosne (1113), Pontigny (1114), Morimond en Clairvaux-sur-Aube (25 juni 1115); Bernardus werd abt van dit laatste klooster: hij zou er voortaan naar genoemd worden. Deze eerste vier vestigingen worden de ‘eerste vier dochters’ van Sint Bernardus genoemd. Ze werden gevolgd door vele tientallen andere, waaronder Fontenay (1119), Igny (1127), Notre-Dame- d’Aiguebelle (1137) bij Montélimar, Villers bij Villers-la-Ville ten zuiden van Brussel (1146), waarvan de ruïnes nog altijd een geweldige indruk op de bezoeker achterlaten, Aulne (1147) en Cambron (1148). Dankzij zijn inspanningen ontstonden er ook vestigingen in Italië (1120), Duitsland (o.a. Amelunxborn, 1129), Oostenrijk (1130), Engeland en Schotland (o.a. Fountains, 1135, en Melrose, 1136), Tsjechië (o.a. Sedlec, 1142), Portugal (o.a. Alcobaça, 1147) en Spanje (o.a. Santes Creus, 1150, en Poblet, 1153). Bekende cisterciënzerabdijen in Zuid-Frankrijk zijn voorts Silvacane (1144), Fontfroide, dat zich in 1146 bij de orde voegde, Sénanque (1148) en Le Thoronet, aanvankelijk al elders begonnen, maar rond 1155 verhuisden de monniken naar de huidige vestiging. Dit alles overziende is het duidelijk, waarom Bernardus ook wel de tweede stichter van de cisterciënzers wordt genoemd.
De officiële benaming van de orde luidt Sacer Ordo Cisterciensis, afgekort als s.o.cist. of o.s.b.cist.; zij worden cistersiënzers van de gewone observantie genoemd, ook Bernardijnen genoemd. Na de hoge middeleeuwen voerden zij een aanzienlijke versobering in, vooral in hun kerken en kloostergebouwen.
Zij gaan gekleed in een witte pij met zwart scapulier waaraan de zwarte capuce is bevestigd, alles bijeengehouden met een brede leren riem. In het koor dragen zij een kovel. Leden van de vrouwelijke tak heten cisterciënzerinnen.

Bernardus’ geestelijk leven
In zijn persoonlijk leven was hij uiterst sober en streng. Volgens zeggen dreef hij bij velen duivels uit en verrichtte hij herhaaldelijk wonderen. De kerk van die tijd was een machtige en rijke kerk. In reactie daarop legden de kloosters de nadruk op de vrijwillige armoede die Jezus zijn apostelen voorhield: “Tracht geen goud, zilver of koper te verwerven om daar uw beurzen mee te vullen” (Matteus 10,09).
Hij verlangde terug naar de armoede en de eenvoud van het begin van het kloosterleven. Maar vele benedictijner kloosters waren in de loop der tijden uitgegroeid tot kapitaalkrachtige grootgrondbezitters; daarmee was de eenvoud en de kloosterlijke geest in zijn ogen verloren gegaan. ‘Zijn’ nieuwe klooster- en kerkgebouwen ademden een rustige sfeer van soberheid; alle weelde en overdaad aan binnen- en buitenkant werden geweerd. Dat bracht hem in botsing met aanhangers van de benedictijner hervormingsbeweging van Cluny, zoals Guillaume van St-Thierry († 1149; feest 8 september) en Petrus Venerabilis van Cluny († 1156; feest 11 mei).

Devotie tot Jezus’ menselijkheid
Mede door de kruistochten leerde men het Heilig Land kennen. En daardoor raakte men weer sterk doordrongen van Jezus’ menselijk bestaan. Tot dan toe was de Heer voornamelijk afgebeeld als overwinnaar in triomferende majesteit. Bernardus schilderde in zijn preken het lijden van de Heer. Zijn devotie voor Jezus’ menselijkheid was zeer groot. Dat leidde tot de legende, dat Maria hem, toen hij eens in gebed was in de kerk van St-Vorles in Châtillon-sur-Seine, in een visioen melk uit haar borst liet proeven.
Net als in zijn preken liet hij zich in zijn brieven en andere geschriften diepgaand inspireren door de Heilige Schrift. Bekend zijn zijn overwegingen bij het Hooglied van Salomo. Zijn hoofdwerk, ‘De Consideratione’ geschreven rond 1148, droeg hij op aan paus Eugenius III († 1153; feest 8 juli). Reeds tijdens zijn leven gaven zijn bewonderaars hem de eervolle bijnaam ‘Doctor Mellifluus’ (= ‘honingvloeiende leraar’).
Bij Bernardus’ dood telde de cisterciënzers orde 339 kloosters, waarvan er 68 rechtstreeks onder Cîteaux ressorteerden; in Engeland waren er 122, in Italië 88, in Spanje 56 en in Duitsland zeker meer dan honderd.

Verering & Cultuur
Na zijn dood werd hij opgevolgd door de uit Brugge afkomstige abt Robrecht Gruuthuse († 1157; feest 29 april). Het waren Guillaume van Saint-Thierry en Arnoldus van Bonneval († 1156; feest 6 februari), die zich meteen aan een levensbeschrijving zetten.
Ruim twintig jaar na zijn dood, 1174, werd Bernardus reeds heilig verklaard. Paus Pius VIII († 1830) riep hem in 1830 uit tot kerkleraar.
Hij patroon van de cisterciënzers; vanwege zijn eretitel ‘honingvloeiend van alle beroepen die met bijen te maken hebben, zoals bijenhouders, waskaarsenmakers en wassmelters; van veehoeders; van drinkers (men dronk eerst sint-bernardsminne om zich te beschermen tegen reisgevaren, later werd het een drankje op zondagmorgen bij het ontbijt…); en van stervenden. Daarnaast is hij beschermheilige van bijen en vee en wordt zijn voorspraak ingeroepen voor gezonde kalveren en dientengevolge tegen zieke koeien en hoornvee en tegen alle gevaren in huis of stal.
Bovendien wordt zijn voorspraak ingeroepen tegen (kinder)stuipen, jicht, krampen, reumatiek en zogeheten lopende roos (ook sint-bernardsvuur genoemd).
Hij wordt afgebeeld in cisterciënzer habijt, als abt (met staf); vaak met kruis en Jezus’ lijdenswerktuigen; niet zelden zien we hoe Christus zijn handen losmaakt van het kruis en ze naar Bernardus uitstrekt (berust op een visioen of legende); met regelboek of schriftrol; soms een mijter in zijn nabijheid (slaat op zijn weigering de waardigheid van bisschop te aanvaarden); met bijenkorf of zwerm bijen (vanwege zijn eretitel ‘honingvloeiende leraar’); met duivel of demon aan ketting; regelmatig vinden we de legende afgebeeld dat Maria hem van haar melk te drinken geeft (zogeheten ‘Lactatio Bernardi’).

DONDERDAG IN WEEK 20 DOOR HET JAAR


Uit het boek Rechters 11, 29-39a

De Israëlieten kwamen maar moeilijk los uit het heidendom. Hier vinden wij er een voorbeeld van. Jefta doet een onbezonnen belofte aan de Heer en omdat Hij die belofte wil houden, brengt hij zijn dochter een offer.

In die dagen werd Jefta gegrepen door de geest van de Heer. Hij trok door heel Gilead en Manasse, ging daarna weer terug naar Mispa in Gilead en trok van daar op tegen de Ammonieten. Hij beloofde de Heer: ‘Als U de Ammonieten aan mij uitlevert, dan zal het eerste dat me bij mijn behouden thuiskomst tegemoet komt voor U zijn; dat zal ik als brandoffer aan U opdragen.’ Toen trok hij op tegen de Ammonieten en bond de strijd met hen aan, en de Heer leverde ze aan hem uit. Jefta sloeg hen terug van Aroër tot Minnit en Abel-Keramim en nam daarbij niet minder dan twintig steden in. Zo bracht hij een zware nederlaag toe aan de Ammonieten, die het hoofd moesten buigen voor de Israëlieten.
Toen Jefta terugkwam in zijn woonplaats Mispa, werd hij met reidansen en trommelspel verwelkomd. Zijn dochter ging voorop. Zij was zijn enige kind, andere zonen of dochters had hij niet. Meteen toen hij haar zag scheurde hij zijn kleren en riep uit: ‘Ach mijn kind, dat jij me deze slag moet toebrengen, dat juist jij het bent die me in het ongeluk stort! Ik heb de Heer een gelofte gedaan en daar kan ik niet op terugkomen.’ ‘U hebt de Heer een gelofte gedaan, vader,’ antwoordde ze. ‘Nu Hij u gewroken heeft op uw vijanden, de Ammonieten, moet u met mij doen zoals u hebt beloofd. Maar dit wil ik nog vragen: gun me voordat u uw gelofte ten uitvoer brengt nog twee maanden tijd, zodat ik met mijn vriendinnen de bergen in kan trekken om erover te treuren dat ik nooit iemands vrouw zal zijn.’ ‘Goed,’ zei Jefta, en hij liet haar voor twee maanden de bergen in gaan om met haar vriendinnen om haar maagdelijkheid te treuren. Toen die twee maanden voorbij waren keerde ze naar haar vader terug, en hij bracht zijn gelofte ten uitvoer.

 

Psalm 40, 5 + 7-10

Refr.: Uw wil te doen, mijn God, verlang ik.

Gelukkig de mens
die vertrouwt op de Heer08.01_De_Maagd_vVladimir,_Icoon_14e
en zich niet keert tot hoogmoedigen,
tot hen die verstrikt zijn in leugens.

Offers en gaven verlangt U niet,
brand- en reinigingsoffers vraagt U niet.
Nee, U hebt mijn oren voor U geopend
en nu kan ik zeggen: ‘Hier ben ik,
over mij is in de boekrol geschreven.’

Uw wil te doen, mijn God, verlang ik,
diep in mij koester ik uw wet.
Wanneer het volk bijeen is,
spreek ik over uw rechtvaardigheid,
ik houd mijn lippen niet gesloten,
U weet het, Heer.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 22, 1-14

De eerst geroepenen hebben de uitnodiging van de profeten niet aanvaard. De volgenden verwierpen de oproep van Christus en van de apostelen. Maar het feest gaat toch door. Want iedereen is welkom. Als wij ons maar met Christus bekleden en zo de vruchten van de Geest voortbrengen.

Jezus nam het woord en sprak tot de hoogepriesters en de oudsten van het volk:
‘Het is met het Koninkrijk van de hemel als met een koning die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon. Hij stuurde zijn dienaren erop uit om de bruiloftsgasten uit te nodigen, maar die wilden niet komen. Daarna stuurde hij andere dienaren op pad met de opdracht: “Zeg tegen de genodigden: ‘Ik heb een feestmaal bereid, ik heb mijn stieren en het mestvee laten slachten. Alles staat klaar, kom dus naar de bruiloft!’” Maar ze negeerden hen en vertrokken, de een naar zijn akker, de ander naar zijn handel. De overigen namen zijn dienaren gevangen, mishandelden en doodden hen.
De koning ontstak in woede en stuurde zijn troepen erop af, hij liet de moordenaars ombrengen en hun stad in brand steken.
Vervolgens zei hij tegen zijn dienaren: “Alles staat klaar voor het bruiloftsfeest, maar de gasten waren het niet waard genodigd te worden. Ga daarom naar de toegangswegen van de stad en nodig voor de bruiloft iedereen uit die je tegenkomt.”
De dienaren gingen de straat op en brachten zo veel mogelijk mensen samen, zowel goede als slechte. En de bruiloftszaal vulde zich met gasten voor de maaltijd.
Toen de koning binnenkwam om te zien wie er allemaal aanlagen, zag hij iemand die zich niet in bruiloftskleren gestoken had, en hij vroeg hem: “Vriend, hoe ben je hier binnengekomen terwijl je niet eens een bruiloftskleed aanhebt?” De man wist niets te zeggen. Daarop zei de koning tegen zijn hofdienaars: “Bind zijn handen en voeten vast en gooi hem eruit, in de uiterste duisternis, waar men jammert en knarsetandt. Velen zijn geroepen, maar slechts weinigen uitverkoren.”’

Van Woord naar leven

De parabel van vandaag plaatst ons voor een feestende God, die blijde en gelukkige mensen rond zich heen wilt, mensen die houden van Hem en dus van elkaar. Het gaat hier over een God die zijn kinderen de vreugde van de hemel wilt schenken, mensen die delen in zijn oneindig geluk.
De parabel spreekt over een feest waar God zijn mensen toe uitnodigt. Op dat feest wil hij blijde en dankbare mensen die van harte zijn ingegaan op zijn uitnodiging tot een liefdevol leven zoals Hij het bedoelt.

‘Maar zij wilden niet komen.’
Er zijn altijd mensen die Gods uitnodiging afslaan. Ze denken dat ze het beter weten. Ze zijn zo met zichzelf en met hun eigen zaken bezig dat ze geen tijd en geen zin hebben om te komen. Eigenlijk weten ze niet wat ze missen. Ze kiezen citroenen voor appelen. Ze rekenen op hun eigen stad, maar die stad wordt in brand gestoken.

‘Hij zag iemand die zich niet in bruiloftskleren gestoken had.’
Er zijn ook mensen die wel komen, maar niet van harte. Dit soort gasten zijn lijfelijk aanwezig, maar niet in de diepte. Ze voelen zich niet thuis omdat hun hart afwezig is. Hun lichaam is er maar ze hebben zich niet gekleed met de liefde van de Heer. Wie zo aanwezig is, of eigenlijk afwezig, kan niet blijven. Ze vallen op door hun ‘niet gekleed zijn’ en moeten (voorlopig) maar terug daar waar hun hart is.

‘De dienaren gingen de straat op en brachten zo veel mogelijk mensen samen, zowel goede als slechte. En de bruiloftszaal vulde zich met gasten voor de maaltijd.’
En dan zijn er ook mensen die van harte komen en van harte meedoen. Die gasten laten zich meeslepen door Gods diepe vreugde, én dat van al die anderen. Zij zijn eveneens blij omdat God iedereen heeft uitgenodigd en niet alleen maar de zogenaamde braven, de rechtvaardigen, maar juist ook al de anderen. Zelfs ons, die weinig of geen verdiensten hebben, wij die dikwijls met de wonden zitten die het leven ons heeft nagelaten. Het zijn die gasten die blij zijn omdat ze voor God mogen staan, een God die zoveel verder gaat dan voorkeur en afkeuring. Een God die alles en iedereen nieuw maakt, zelfs mensen van wie zij het amper kunnen geloven. Een God die de woorden schuldig en onschuldig in de mond neemt, en toch tegen iedereen zegt: ‘Kom binnen, wees welkom, wees hier thuis en verheug u met mij.’

Het zijn gasten die ten diepste blij zijn omdat ze ondanks alles van aangezicht tot aangezicht de God ontmoeten die schepper is van alle leven, die hen aller Vader is, die de lucht is die zij inademen, die hen aanvaardt met licht en donker, die hen vrijspreekt moesten ze zichzelf veroordelen, die hen accepteert moesten ze zichzelf afwijzen, die hen liefheeft moesten ze zichzelf verwerpen, die op hen zijn hoop stelt terwijl zij dikwijls wanhopen. Een God die alle tranen wist en zo graag het hemels glas wil heffen op dat diepe geluk dat z’n oorsprong vindt in Hem zelf doorheen zijn Zoon in de liefde van zijn Geest.

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Goede God,heart01
Gij nodigt ons uit op uw feest.
Geef dat wij ons mogen bekleden
met de liefde van Christus,
uitkijkend naar het feest dat Gij
voor ieder mensenkind bereidt.
Wek in ons het verlangen naar U
in het nu en naar de toekomst toe.
Kom heilige Geest,
verwarm ons hart.
Amen.