Lezingen van de dag – donderdag 21 jan. 2016


Heilige (of feest) van de dag

Meinrad van Einsiedeln (+ 861)st-meinrad-2

Meinrad (ook Meginrad of Meino) van Einsiedeln (ook van Reichenau), Zwitserland; kluizenaar & martelaar;
† 861

Meinrad werd tegen het eind van de achtste eeuw geboren te Sülichgau in de buurt van Rottenburg (Württemberg). Hij trok zich als priestermonnik terug op het monnikenschiereiland Reichenau. Weer later zocht hij de stille eenzaamheid op van het ‘Finster’ Wald’ (= Donkere Bos) aan de Sihlsee. Daar leefde hij in een kluizenaarswoning (‘Einsiedelei’).

Vele mensen wisten hem daar te vinden. Ze ondernamen de reis naar hem toe om goede raad, inspiratie of vergeving te verkrijgen. Zo kreeg hij eens – aldus het verhaal – bezoek van twee onverlaten die meenden dat hij in zijn kluizenarijtje veel geld verborgen hield. Was hij immers niet van aanzienlijke komaf? En al die schenkingen die hij ontving van de pelgrims? Meinrad had, gastvrij en liefdevol als hij was, de twee onthaald op voedsel en onderdak. Daar hadden ze misbruik van gemaakt door hem de hersens in te slaan en vervolgens op zoek te gaan naar de vermeende schatten. In het huisje was niets te vinden. Ook niet in het kapelletje ernaast, waar de monnik elke dag de mis las.

Het enige wat ze aantroffen, waren twee raven die Meinrad gezelschap hadden gehouden vanaf het moment dat hij ze in een ijzige winter van de hongerdood had gered. Deze beide dieren zetten het op een verschrikkelijk krijsen en stortten zich op de twee moordenaars. Ze volgden ze waar ze op hun vlucht ook maar naar toe gingen: ze wisten zelfs de herberg binnen te dringen waar de twee tenslotte een goed heenkomen hadden gezocht. Zo werden ze gegrepen, en met de dood gestraft.

In 937 stichtte Benno van Metz († 940; feest 3 augustus) boven zijn kluis een klooster, dat naar Meinrads kluizenaarswoning Einsiedeln werd genoemd.

DONDERDAG IN WEEK 2 DOOR HET JAAR


Uit het eerste boek Samuël 18, 6-9 + 19, 1-7

Koning Saul was jaloers om de grote overwinning van de kleine David. Daarom wilde hij David uit de weg ruimen. Maar de zoon van de koning, Jonatan, brengt David hieRvan op de hoogte en spreekt voor hem ten beste. Dikwijls gaat het zo: als anderen succes hebben, kunnen wij dat moeilijk verdragen en meteen plaatsen wij ons buiten de lijn van God in ons leven. Wij zouden ons integendeel moeten verheugen over de voorspoed van anderen.

Bij de intocht van het leger, toen David terugkeerde van zijn overwinning op de Filistijn, liepen in alle steden van Israël de vrouwen zingend en dansend uit om koning Saul feestelijk in te halen met muziek van tamboerijnen en rinkelbellen. Opgetogen zongen ze: ‘Saul versloeg ze bij duizenden, David bij tienduizenden.’
Saul ergerde zich aan dit lied en werd woedend: ‘David geven ze er tienduizenden en mij maar duizenden. Nog even en ze geven hem het koningschap!’
Vanaf die dag begon Saul David te wantrouwen.
Saul maakte aan zijn hovelingen en zijn zoon Jonatan bekend dat hij Davids dood wenste. Maar Jonatan, die zeer op David gesteld was, waarschuwde hem: ‘Mijn vader Saul is van plan je te doden. Wees op je hoede morgenochtend, houd je schuil en blijf waar je bent. Ik ga dan met mijn vader de stad uit, houd bij jou in de buurt halt en breng het gesprek op jou. Daarna zal ik je laten weten hoe de zaken staan.’
Jonatan hield tegen zijn vader Saul een pleidooi voor David. Hij sprak als volgt: ‘Laat de koning zich niet vergrijpen aan zijn dienaar David. Hij heeft u immers niets misdaan. Integendeel, hij heeft u juist grote diensten bewezen. Met gevaar voor eigen leven heeft hij de Filistijn verslagen, en de Heer heeft Israël een grote overwinning bezorgd. U hebt het met eigen ogen gezien en was er opgetogen over. Waarom zou u dus onschuldig bloed vergieten door David te doden zonder dat daar aanleiding toe is?’
Saul liet zich door Jonatan overreden en zwoer: ‘Zo waar de Heer leeft, hij zal niet worden gedood.’
Toen riep Jonatan David en vertelde hem hoe het gesprek verlopen was.
Hij bracht David bij Saul en David kwam weer aan het hof wonen, zoals eerst.

 

Psalm 56, 2 + 3 + 9ab + 10 + 11 + 12 + 13

Refr.: Verheerlijken wil ik de Heer, mijn rots.

Wees mij genadig, God, want ze bedreigen mij,
de hele dag bestoken en bestrijden ze mij.

Mijn tegenstanders bedreigen mij, heel de dag, Drieeenheid_2
en bestrijden mij vanuit hun hoge vesting.

Mijn omzwervingen hebt U opgetekend,
vang mijn tranen op in uw kruik.

In het uur dat ik U aanroep wijken mijn vijanden,
want dit weet ik: God staat mij ter zijde.

Op God, wiens woord ik prijs,
op de Heer, wiens woord ik prijs, vertrouw ik.

Op God vertrouw ik, angst ken ik niet,
wat kan een mens mij aandoen?

Aan U, God, heb ik geloften gedaan,
met dankoffers wil ik U betalen.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 3, 7-12

Deze lezing is een zogenaamd verzamelbericht: een algemene schildering van de uitwerking die Jezus’ wonderen bij het volk hadden. Zijn optreden wekt een menigte enthousiaste mensen. Dit enthousiasme van het volk, zowel als de openlijke vijandschap van de leiders van het volk, zijn geen van beide echt geloof. Daarom onttrekt Hij zich ook aan het volk.

Jezus week met zijn leerlingen uit naar het meer, en een grote menigte uit Galilea volgde Hem. Ook uit Judea en Jeruzalem, uit Idumea en het gebied aan de overkant van de Jordaan en uit de omgeving van Tyrus en Sidon kwamen veel mensen naar Hem toe, omdat ze hadden gehoord wat Hij allemaal deed.
Hij zei tegen zijn leerlingen dat ze een boot voor Hem gereed moesten houden, om te voorkomen dat Hij door de menigte onder de voet zou worden gelopen.
Allerlei zieken verdrongen zich om Hem aan te raken, want Hij had al veel mensen genezen. Telkens als de onreine geesten Hem zagen, vielen ze voor Hem neer en schreeuwden: ‘Jij bent de Zoon van God!’ Hij sprak hen bestraffend toe, en verbood hun bekend te maken wie Hij was.

Van Woord naar leven

Jezus week met zijn leerlingen uit naar het meer, en een grote menigte uit Galilea volgde Hem.

Het moet een mooi zicht geweest zijn: Jezus die met zijn leerlingen richting meer van Galilea trok en die grote menigte die Hem volgde. Wat een dorst moet er geleefd hebben onder de mensen om Hem te willen ontmoeten, naar Hem te luisteren.
Ik denk dat het vandaag niet anders zou zijn. Neem dat Jezus plots hier in onze streken zou zijn, in lichamelijke gestalte: wandelend van dorp stad, woorden van leven sprekend, vergeving schenkend, zieken genezend. Velen zouden Hem willen zien, zijn woorden willen horen. Velen zouden Hem willen aanraken, of door Hem aangeraakt willen worden. Velen zouden alles laten vallen om naar Hem toe te gaan.

Maar God heeft gewild dat Jezus niet onder die gedaante bij ons is. Zelfs na de weg die Hij moest gaan is Hij als Verrezene maar korte tijd onder de mensen geweest. Na z’n hemelvaart was het gedaan met de zichtbare Jezus.
Hij mocht dan wel de eucharistie hebben nagelaten waarin wij Hem ‘zichtbaar’ mogen aanschouwen. Feit is dat Hij niet meer onder ons rondloopt.

God heeft gewild dat we de weg van het geloof bewandelen. Het is de weg waarop we worden uitgenodigd ons te geven aan de Heer: ons verstand, onze krachten, ons hart, ons hele zijn. Opdat we, opgenomen door Hem, zijn liefde zouden zijn in al ons doen en laten.
Mooie woorden, en oh zo snel gezegd. De realisatie van deze weg, de consequenties die deze weg met zich meebrengt… da’s heel andere koek. Het is een weg van achterlaten, afsterven, innerlijke armoede, overwinning, gebed, offer, toewijding, gemeenschap,… allemaal ingrediënten om tot dat ene te komen dat we kunnen omschrijven als ‘leven in God’: Liefde.

Lieve mensen, we leven maar één keer. Gelukkig bestaat ons leven uit vele dagen, vele fases. Laten we onze tijd niet verspillen, maar bereid zijn vandaag te groeien in Gods liefde. Ja, laten we vandaag ‘ja’ zeggen.
Misschien zijn er heel wat dingen die ons ontmoedigen in ons ja-woord. Heel dikwijls zijn dat heel menselijke dingen, puur menselijk gezien ook heel begrijpelijk. Maar laten we toe dat ze ons leven beheersen en ons tot rem zijn in Gods liefde te staan ? Of zeggen we: ‘Waar ik ook sta, welke weg ik ook gegaan ben, welke misstappen ik in mijn leven misschien ook heb gedaan, welke zorgen ik vandaag ook meedraag,… Heer, voor U wil ik er zijn, vandaag, morgen, overmorgen. Vergeef mijn nee-woorden Heer, en neem mij in U op, ik wil er voor U zijn. In uw dienst wil ik leven. Genees mij van mijn onliefde en neem mij op in uw vrede opdat ik doorheen alles wat ik doe en laat beeld mag zijn van uw liefde. Ja, moge ik groeien in U.’

Het evangelie van vandaag spreekt over een ‘menigte’ die Hem volgde. Waar is die menigte vandaag ?
Gaan we Hem enkel volgen wanneer we Hem lichamelijk zien ?
Of gaan we de weg waartoe God ons uitnodigt: de weg van het geloof, de overgave, de vrede, de vreugde.
Jezus is niet minder aanwezig dan toen aan het meer van Galilea.
Laten we blij zijn om zijn aanwezigheid, er ons in onder dompelen, en Hem volgen.

Hebben niet allen die wij ontmoeten recht op onze godsontmoeting ?

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer,OLYMPUS DIGITAL CAMERA
kom met uw Geest over ieder van ons
en schenk ons de genade
van een gezond en sterk geloof,
dat ons aan U doet schenken
en mét U op weg doet gaan,
uw liefde gevend
aan allen die Gij ons geeft.
Amen.