Lezingen van de dag – donderdag 25 januari 2018


Heilige (of feest) van de dag

Bekering van Paulus

feest

We horen voor het eerst van hem, als Stefanus, de diaken, op last van de Joodse overheden wordt gestenigd. Dan leggen de beulen hun mantels neer aan de voeten van Saulus (zo heette Paulus vóór zijn bekering).
[Handelingen van De Apostelen 07,59 08,01]

Hem was er, als rechtgeaarde orthodoxe jood, dan ook alles aan gelegen om ze uit te roeien. Daartoe had hij zelfs volmachten gekregen van de Hoge Raad te Jeruzalem. Ze gaven hem het recht om huizen van verdachten binnen te dringen en te controleren of er geen volgelingen van Jezus woonden. Op weg naar Damascus werd hij als een donderslag bij heldere hemel getroffen en op de grond geworpen. Verblind door het felle licht tastte hij hulpeloos in het duister. Een stem vroeg hem: ‘Saul, Saul waarom vervolg je mij?’ Een leerling van Jezus, Ananias, overwon zijn weerzin en nam hem bij zich in huis. Paulus was omgedraaid als een blad aan een boom. Van nu af zou hij de meeste fanatieke verdediger van Jezus’ leer: het evangelie was er voor ieder die hulpeloos in het duister rondtastte, ongeacht of men tot het uitverkoren volk van de joden behoorde of niet.
[Handelingen van de Apostelen 09,01-19; 22,03-21; 26,09-20]

Drie jaar lang bereidde hij zich in het verborgene voor op zijn zending. Toen trad hij uit de schaduw en ondernam minstens vier grote reizen. Intussen schreef hij een onbekend aantal brieven, waarvan er veertien in het Nieuwe Testament in de Bijbel zijn opgenomen.

Bekering van de H. apostel Paulus

Feest  –  eigen lezingen


Uit de Handelingen der Apostelen 9, 1-22

Bekering van Paulus

Saulus bedreigde de leerlingen van de Heer nog steeds met de dood. Hij ging naar de hogepriester met het verzoek hem aanbevelingsbrieven mee te geven voor de synagogen in Damascus, opdat hij de aanhangers van de Weg die hij daar zou aantreffen, mannen zowel als vrouwen, gevangen kon nemen en kon meevoeren naar Jeruzalem.
Toen hij onderweg was en Damascus naderde, werd hij plotseling omstraald door een licht uit de hemel. Hij viel op de grond en hoorde een stem tegen hem zeggen: ‘Saul, Saul, waarom vervolg je mij?’
Hij vroeg: ‘Wie bent U, Heer?’
Het antwoord was: ‘Ik ben Jezus, die jij vervolgt. Maar sta nu op en ga de stad in, daar zal je gezegd worden wat je moet doen.
De mannen die met Saulus meereisden, stonden sprakeloos; ze hoorden de stem wel, maar zagen niemand.
Saulus kwam overeind, en hoewel hij zijn ogen open had, kon hij niets zien. Zijn metgezellen pakten hem bij de hand en brachten hem naar Damascus.
Drie dagen lang bleef hij blind en at en dronk hij niet.
In Damascus woonde een leerling die Ananias heette. In een visioen zei de Heer tegen hem: ‘Ananias!’
Hij antwoordde: ‘Ik luister, Heer.’
Daarop zei de Heer: ‘Ga naar de Rechte Straat en vraag daar in het huis van Judas naar iemand uit Tarsus die Saulus heet. Hij is aan het bidden, en hij heeft in een visioen gezien hoe een man die Ananias heet, binnenkomt en hem de handen oplegt om hem weer te laten zien.’
Ananias antwoordde: ‘Heer, van veel kanten heb ik gehoord over deze man en over al het kwaad dat hij uw heiligen in Jeruzalem heeft aangedaan. Bovendien heeft hij toestemming van de hogepriesters om hier iedereen die uw naam aanroept in de boeien te slaan.’
Maar de Heer zei: ‘Ga, want hij is het instrument dat Ik gekozen heb om mijn naam uit te dragen onder alle volken en heersers en onder al de Israëlieten. Ik zal hem tonen hoezeer hij moet lijden omwille van mijn naam.’
Ananias vertrok en ging naar het huis, waar hij Saulus de handen oplegde, terwijl hij zei: ‘Saul, broeder, ik ben gezonden door de Heer, door Jezus, die aan u verschenen is op de weg hierheen, om ervoor te zorgen dat u weer kunt zien en vervuld wordt van de heilige Geest.’
Meteen was het alsof er schellen van Saulus’ ogen vielen; hij kon weer zien, stond op en liet zich dopen, en nadat hij gegeten had, kwam hij weer op krachten.
Hij bleef enkele dagen bij de leerlingen in Damascus en ging onmiddellijk in de synagogen verkondigen dat Jezus de Zoon van God is.
Allen die hem hoorden waren stomverbaasd en vroegen: ‘Dat is toch de man die in Jeruzalem de volgelingen van die Jezus naar het leven stond, en hij is toch hierheen gekomen om hen gevangen te nemen en uit te leveren aan de hogepriesters?’
Saulus’ optreden werd echter steeds krachtiger, en hij bracht de in Damascus wonende Joden in verwarring door aan te tonen dat Jezus de messias is.

 

Psalm 117, 1 + 2

Refr.: Ga uit over de hele wereld.

Loof de Heer, alle volken,
prijs Hem, alle naties.

Zijn liefde voor ons is overstelpend,
eeuwig duurt de trouw van de Heer.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 16, 15-18

Verkondig het evangelie

Jezus verscheen aan de elf en zei:
‘Trek heel de wereld rond en maak aan ieder schepsel het goede nieuws bekend. Wie gelooft en gedoopt is zal worden gered, maar wie niet gelooft zal worden veroordeeld.
Degenen die tot geloof zijn gekomen, zullen herkenbaar zijn aan de volgende tekenen: in mijn naam zullen ze demonen uitdrijven, ze zullen spreken in onbekende talen, met hun handen zullen ze slangen oppakken en als ze een dodelijk gif drinken zal dat hun niet deren, en ze zullen zieken weer gezond maken door hun de handen op te leggen.’

Van Woord naar leven

Vandaag gedenken, en vieren, we dus de bekering van de apostel Paulus. Paulus heeft zich bekeerd niet enkel door de heftigheid waarmee hij van zijn paard is geslagen, maar vooral omdat hij in heel dit gebeuren God erkende. Dat is de kern van zijn bekering, en van elke bekering: God erkennen als God, de stem die je aanspreekt erkennen als de stem van God, het ‘roepen’ van Christus.

Eenmaal deze erkenning, kun je eigenlijk bijna niet anders dan gevolg geven aan wat je is aangedaan. Iets dat groter is dan jezelf heeft je ‘te pakken’, en wel in liefde. Eenmaal dit doorvoeld als een reëel gebeuren, zal je gehoor doen geven aan Hem die je ten diepste heeft aangesproken.

We zijn niet Paulus, en de meesten van ons zullen niet tegen de grond gesmakt worden door God zelf om tot bekering te komen, en toch … Velen van ons hebben al momenten gekend in hun leven dat ze tegen een muur liepen, en niet zachtjes. Omstandigheden in het leven kunnen daartoe bijdragen. Gewoonlijk zijn we op die momenten heel sterk met onszelf bezig, stellen we ons persoontje heel centraal. En eigenlijk maakt dit laatste ons innerlijk doof voor een mogelijk roepen van God. Ik denk dat God ons meer ‘klopjes’ geeft dan we doorgaans vermoeden. Maar we steken het al snel op het leven, alsof God er niets mee te maken zou hebben.

Ik denk dat we moeten leren God te horen wanneer we heftige dingen meemaken. God is meer aanwezig dan we doorgaans vermoeden, ook in de heftige perioden in ons leven. We zouden dan innerlijk moeten stil vallen, in de zin van jezelf de vraag stellen: Is God hier iets aan het zeggen? Is Hij misschien iets aan het vragen? Doelt Hij op een innerlijk bekering van mij?

We moeten niet verlangen tegen de grond gesmakt te worden. Trouwens God nodigt ook uit op vele andere manieren. Het komt erop aan dagelijks een innerlijke waakzaamheid aan de dag te leggen om zijn roep te kunnen horen; zijn vraag naar bekering, het zich (opnieuw) keren naar Hem; in alle zuiverheid, groeiend in innerlijke armoede en toevertrouwen aan Hem.

Laten we niet doof zijn om Gods roep in ons leven.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer Jezus,
moge uw Geest altijd bij ons zijn, opdat wij uw roepen mogen horen, opdat wij in uw stem God mogen erkennen. Moge dit gebeuren ons hart telkens opnieuw in de goede richting plaatsen: richting Hem, richting liefde, richting Gods wil. Geef ons dan de moed om met ons hele zijn ‘ja’ te zeggen, ons leggend in uw ja-woord tot de Vader.
Kom heilige Geest. Amen.