Lezingen van de dag – donderdag 26 nov. 2015


Heilige (of feest) van de dag

Jan Berchmans (+ 1621)454

Jan Berchmans sj, Rome, Italië; religieus & student; † 1621

Jan Berchmans werd op 12 maart 1599 te Diest geboren als oudste van vijf kinderen. Zijn vader, eveneens Jan geheten, was schoenmaker en één der schepenen van de stad. Zijn moeder heette Elisabeth van den Hove; zij was een vrome vrouw, die veel ziek was.

Jans ouders hadden gehoopt, dat hij zou meehelpen in de zaak. Maar Jan zelf vatte al zeer jong het ideaal op om priester te worden. Op zijn negende jaar kreeg hij de kans om naar de plaatselijke school te gaan, terwijl hij met een aantal jongetjes die hetzelfde ideaal hadden als hij, intern leefde in het rectorshuis van de Onze-Lieve-Vrouweparochie. De pastoor gaf hem les in alles wat met kerk en geloof te maken had. Jan was een uitnemende leerling. Maar na de beëindiging van zijn derde schooljaar in 1612, haalde zijn vader hem er af. Er was eenvoudig geen geld. Toen de pastoor van het begijnhof te Diest hiervan hoorde, bood hij vader aan, dat hij Jan in huis zou nemen als huisknecht; in ruil daarvoor zou hij zijn opleiding betalen.
Reeds een paar weken later verhuisde hij onder dezelfde condities naar kanunnik Jan Froymont in Mechelen. Opvallend was, dat hij alle klusjes die hij op te knappen kreeg (tafeldekken en afruimen, huis schoonhouden, boodschappen rondbrengen, tuin bijhouden, voor twee jongere mede-internen zorgen), met zo’n opgewekt gemoed deed.

In 1615 openden de jezuïeten een college in Mechelen. Jan ging daarheen om zijn studies af te maken, en wilde jezuïet worden. Het was vooral het levensverhaal van Aloysius van Gonzaga († 1591; feest 21 juni), dat hem daartoe inspireerde.

Intussen was dat de zoveelste tegenvaller voor zijn ouders, die hem graag in de buurt hadden gehouden als parochiepriester. Tenslotte gaf vader toe. Jan was op dat moment 17½ jaar oud. Hij trad in het noviciaat van de paters jezuïeten op 24 september 1616. Daar leerde hij van zijn geestelijk leidsman de eenvoudige doch glanzende levenswijsheid die je als program boven heel zijn leven zou kunnen schrijven: ‘Heiligheid bestaat niet in het verrichten van buitengewone dingen, maar in het buitengewoon verrichten van gewone dingen!’ Nog tijdens dat eerste jaar kreeg hij in de maand december bericht, dat zijn moeder was overleden. Vader zou kort daarna de schoenmakerswinkel sluiten, zelf de priesterstudies op het seminarie aanvatten en twee jaar later al, in april 1618, priester worden gewijd.

Zoals elke jezuïet legde Jan na zijn twee jaar noviciaat de religieuze geloften af van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. In september van datzelfde jaar 1618 begon hij in Antwerpen aan zijn filosofische studies. Daar gaven ze hem te verstaan dat hij was uitgekozen om zijn studies in Rome te voort te zetten. Hij had gehoopt op weg naar Rome zijn vader nog in Mechelen te kunnen treffen voor een afscheid, maar in plaats daarvan kreeg hij te horen, dat vader juist gestorven was, nog geen zes maanden na diens priesterwijding.

Jan arriveerde in Rome op de laatste dag van december 1618. Hij voltooide zijn drie jaar filosofie met glans, en werd gevraagd om het traditionele Openbaar Dispuut namens de jezuïetenopleiding aan te gaan. Niemand echter realiseerde zich, dat hij het gewone met buitengewone zorg verrichtte en hoeveel werk hij daarvoor verzette. Tot diep in de nacht. Het dispuut verliep prachtig, maar meer nog viel zijn ongezonde kleur op.

Hij bleek aan dysenterie te lijden, en zo verzwakt te zijn, dat er eigenlijk al niets meer aan te doen viel. Hijzelf sprak op zijn ziekbed met grote vanzelfsprekendheid over het paradijs… Huisgenoten, medestudenten, paters die in de stad waren, en zelfs Pater Generaal kwamen hem opzoeken om afscheid te nemen. In de kring van de communiteit ontving hij het sacrament der stervenden op 12 augustus 1621; een aanwezige noteerde later, dat Jan zelf de enige was die niet huilde en heel nuchter zijn kalmte bewaarde. De slapeloze nacht daarop bracht hij in gebed door. Toen de volgende morgen om even over acht de klok aanhoudend luidde van het huis, wist iedereen: onze broeder Jan is gestorven.

Zoals gebruikelijk in de jezuïetenorde schreef een huisgenoot – in dit geval zijn overste – een karakteristiek van de overledene, waaruit wij het volgende citeren: ‘Wat wij allemaal zo in hem bewonderden, was dat hij zo deugdzaam was, zo… vanzelfsprekend deugdzaam. Met Gods genade wist hij van alles wat hij aanpakte iets bijzonders te maken; iets wat precies was zoals het moest zijn.’

DONDERDAG IN WEEK 34 DOOR HET JAAR


Uit het boek Daniël 6, 12-28

Het verhaal van Daniël in de leeuwenkuil was een aanmoediging voor de Joden hun vertrouwen in God nooit op te geven. Hij is immers trouw en laat zijn getrouwen niet in de steek. Zelfs koning Darius was door deze wonderbare redding overtuigd van Gods almacht.

In die dagen deden mannen van koning Darius een inval in het huis van Daniël, waar zij hem aantroffen terwijl hij smeekbeden richtte tot zijn God.
Ze gingen onmiddellijk naar de koning en wezen hem op het koninklijk besluit: ‘Hebt u geen verbod op schrift laten stellen dat ieder mens die de komende dertig dagen een verzoek tot een god of een mens richt in plaats van tot u, majesteit, in de leeuwenkuil zal worden geworpen?’
De koning antwoordde: ‘Die verordening ligt even vast als elke wet van de Meden en de Perzen, ze kan niet worden herroepen.’
Toen zeiden ze tegen de koning: ‘Daniël, een van de Judese ballingen, slaat geen acht op u, majesteit, noch op het besluit dat u op schrift hebt laten stellen; driemaal daags verricht hij zijn gebed.’
De koning was zeer ontstemd toen hij deze beschuldiging hoorde, en hij zon op middelen om Daniël te redden. Tot zonsondergang deed hij alles wat in zijn macht lag om Daniël te beschermen.
Maar de mannen drongen bij de koning aan en zeiden: ‘Bedenk, majesteit, dat geen verbod of besluit dat de koning heeft uitgevaardigd veranderd kan worden; het is een wet van de Meden en de Perzen.’
Hierop gaf de koning bevel Daniël te halen en hem in de leeuwenkuil te werpen. De koning zei tegen Daniël: ‘Uw God, die u zo vasthoudend dient, zal u redden!’
Er werd een steen gebracht waarmee de opening van de kuil werd afgedekt, en de koning verzegelde die met zijn zegelring en met de zegelring van zijn machthebbers, om te verhinderen dat iemand iets aan Daniëls omstandigheden zou veranderen.
Daarna keerde de koning terug naar zijn paleis en bracht de nacht door zonder iets te eten; hij kon de slaap niet vatten, maar liet niets ter afleiding brengen.
Vroeg in de ochtend, toen het licht begon te worden, stond de koning op en haastte zich naar de leeuwenkuil.
Zodra hij in de buurt van de kuil kwam, riep hij Daniël met bedroefde stem toe: ‘Daniël, dienaar van de levende God, heeft uw God, die u zo vasthoudend dient, u van de leeuwen kunnen redden?’
En Daniël zei tegen de koning: ‘Majesteit, leef in eeuwigheid! Mijn God heeft zijn engel gezonden en de leeuwenmuilen gesloten. Ze hebben mij geen kwaad gedaan, omdat Hij mij onschuldig acht; maar ook u, majesteit, heb ik niets misdaan.’
De koning was bijzonder verheugd en hij beval Daniël uit de kuil te halen. Daniël werd uit de kuil getrokken, en hij bleek ongedeerd te zijn, want hij had op zijn God vertrouwd.
Toen gaf de koning bevel de mannen te brengen die Daniël hadden beschuldigd, en hij liet hen samen met hun kinderen en hun vrouwen in de leeuwenkuil werpen. Ze hadden de bodem van de kuil nog niet geraakt, of de leeuwen stortten zich op hen en vermorzelden al hun botten.
Daarop schreef koning Darius aan alle volken en naties, welke taal zij ook spraken en waar ter wereld zij ook woonden: ‘Moge uw voorspoed groot zijn! Hierbij beveel ik dat iedereen in het machtsgebied van mijn koninkrijk eerbiedig ontzag moet tonen voor de God van Daniël. Want Hij is de levende God die bestaat in eeuwigheid. Zijn koningschap gaat nooit te gronde en zijn heerschappij is zonder einde. Hij redt en bevrijdt, geeft tekenen en doet wonderen in de hemel en op aarde; Hij heeft Daniël uit de klauwen van de leeuwen gered.’
Zo ging het Daniël voorspoedig onder het koningschap van Darius en onder het koningschap van Cyrus de Pers.

 

Daniël 3, 68-74

Refr.: Loof de Heer !

Rijp en sneeuw, prijs de Heer,
bezing en verhoog Hem in eeuwigheid.

Vorst en vrieskou, prijs de Heer, Drieeenheid_2
bezing en verhoog Hem in eeuwigheid.

Ijs en sneeuw, prijs de Heer,
bezing en verhoog Hem in eeuwigheid.

Nachten en dagen, prijs de Heer,
bezing en verhoog Hem in eeuwigheid.

Licht en duister, prijs de Heer,
bezing en verhoog Hem in eeuwigheid.

Bliksem en wolken, prijs de Heer,
bezing en verhoog Hem in eeuwigheid.

Heel de aarde, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 21, 20-28

Christus spreekt over de voortdurende vervolging van de leerlingen. Hij geeft een profetie over de verwoesting van Jeruzalem. Dan volgt, aan de hand van apocalyptische beelden, de belofte van zijn glorievolle wederkomst. Dit vooruitzicht wekt onze hoop.

Jezus sprak tot zijn leerlingen:
‘Wanneer jullie zien dat Jeruzalem door legertroepen omsingeld is, weet dan dat de verwoesting van de stad nabij is.
Wie in Judea is moet dan de bergen in vluchten, wie in Jeruzalem is moet er wegtrekken, en wie op het land is moet niet naar de stad gaan, want in die dagen wordt de straf voltrokken, waardoor alles wat geschreven staat in vervulling zal gaan.
Wat zal het rampzalig zijn voor de vrouwen die in die tijd zwanger zijn of een kind aan de borst hebben! Want er zal ontzaglijk veel leed zijn in het land, en een zwaar vonnis zal de bevolking treffen.
De inwoners zullen omkomen door het zwaard of in gevangenschap worden weggevoerd en onder alle volken worden verstrooid, terwijl Jeruzalem vertrapt zal worden door heidenen, tot de tijd van de heidenen voorbij is.
Dan zullen er tekenen zijn aan de zon en de maan en de sterren, en op aarde zullen de volken sidderen van angst voor het gebulder en het geweld van de zee; de mensen worden onmachtig van angst voor wat er met de wereld zal gebeuren, want de hemelse machten zullen wankelen.
Maar dan zullen ze op een wolk de Mensenzoon zien komen, bekleed met macht en grote luister.
Wanneer dat alles staat te gebeuren, richt je dan op en hef je hoofd, want jullie verlossing is nabij!’

Van Woord naar leven

Vandaag hoorden we in de eerste lezing het verhaal van Daniël in de leeuwenkuil. Sterk en mooi verhaal. Het is een verhaal van godsvertrouwen; een ongelofelijk sterk vertrouwen in de bescherming die God biedt wanneer je je rotsvast aan Hem overgeeft. Het is een verhaal dat een goede afloop kent. Tenminste toch voor Daniël, iets minder voor hen die hem hadden aangeklaagd.

Beslist zijn er heden ten dage ook nog mensen die leven met een dergelijk rotsvast vertrouwen in God. Misschien kent u iemand in uw omgeving, of bent u dat zelf wel.
Het komt erop neer trouw te zijn aan God en zijn gebod. Vertrouwen heeft in wezen immers te maken met trouw; in dit geval trouw aan de Vader. Trouw ondanks mogelijke tegenslagen of zelfs vervolgingen (onder welke vorm ook). Het is geloven in de onmetelijke goedheid van God, gelovig wetend dat de liefde in zijn naam altijd het laatste woord zal hebben: is het niet op deze wereld, dan is het in het hemels leven.

Ons groot voorbeeld is natuurlijk dat van onze Broer en Heer: Jezus. Wetend waar Hij voorstond liep Hij niet weg van de weg die Hij moest gaan: namelijk de weg van de trouw. Zelf zag Hij het niet echt zitten: ‘Vader, laat deze beker aan mij voorbij gaan’, bad Hij. ‘Maar niet zoals Ik het wil, maar zoals Gij het wilt’, bad Hij verder. Jezus’ trouw ging veel verder dat wat Hij zelf dacht aan te kunnen. Hij geloofde dat God het beste met Hem en de mensheid voorhad, dus zei Hij ‘ja’. Dat zei Hij trouwens altijd en overal. Maar dus ook daar in de Hof van Olijven. Vrucht: geseling, kruisweg, moord. Maar ook: opstanding, verlossing, vrede, vreugde, navolging, Kerk, verkondiging; geen goedkope begrippen, maar vruchten die wel degelijk voortkwamen en voortkomen vanuit het ja-woord van Jezus tot de Vader.
Wij mogen in Jezus’ naam hetzelfde ‘ja’ uitspreken. Meer: Jezus wil ons zo in zich opnemen dat we deelgenoot worden van zijn eigen ja-woord tot de Vader. Hij wil van ons mensen maken die trouw zijn zoals Hij dat was, die kunnen liefhebben zoals Hij dat deed en doet. Hij wil zo in ons tot leven komen dat we ten diepste beeld worden van de Vader.

Jezus spreekt ons vandaag doorheen het evangelie wat ons te wachten staat. Hij toont ons apocalyptische beelden, niet met als doel ons angstig te maken, maar juist met de bedoeling dat we ons vertrouwen in God sterker zouden beleven, zelfs zo dat we werkelijk uitkijken naar Hem: hier op aarde, en ja, ook op ons sterfbed. Is het bij Hem terecht komen (na ons aards sterven) een mooie vredevolle theorie die we in ons hoofdje hebben opgebouwd, of mag het een levende werkelijkheid zijn die ons nu reeds echte vrede geeft en waarnaar we ten diepste uitkijken…

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer,johannes-chrysostomus6
leer ons dat stille gebed van overgave waar wij doorheen dorheid en verveling mogen komen tot uw liefde; in naakt en puur geloof. Dat wij op deze wijze mogen leven in Gods aanwezigheid, vertrouwend en uitkijkend naar uw komst, nu en in het uur van onze dood, door oog te hebben voor het broze in deze wereld, en doorheen ons gewone werk van elke dag. Alle dagen van ons leven, amen.