Lezingen van de dag – donderdag 30 maart 2017


Heilige (of feest) van de dag

Dodo van Haske († 1231)

Dodo van Haske, Bakkeveen, Friesland; kluizenaar

Dodo was een vrome man van Friese afkomst. Aanvankelijk was hij getrouwd, maar na verloop van tijd besloot hij in te treden bij de Norbertijnen van klooster Mariëngaarde. Toentertijd stond dat onder leiding van abt Siard, die later als heilige zou worden vereerd († 1230; feest 14 november).

Tegelijkertijd werd Dodo’s vrouw Norbertines in klooster Bethlehem, gelegen ter hoogte van het huidige Bartlehiem. Dodo kreeg toestemming om als kluizenaar te gaan leven op een afgelegen landgoed in de buurt van Bakkeveen. (Later zou Siard daar een nieuwe priorij vestigen). Dodo nam één sobere maaltijd per dag; hij droeg een ijzeren harnas op de blote huid en daaroverheen een boetekleed. Elke dag maakte hij zo’n vijfduizend kniebuigingen, zodat zijn knieën uiteindelijk meer weghadden van kamelenknieën. Elke nacht stond hij op om te bidden.

Op uitnodiging van de plaatselijke priester verhuisde hij naar Haske om er zielzorg uit te oefenen. Hij streed vooral tegen het verschijnsel van de bloedwraak. Wanneer iemand onrecht was aangedaan of letsel had opgelopen, nam een ander lid van die familie wraak op een bloedverwant van de dader. Vele mensen zochten hem op in zijn kluis, een armzalig bouwseltje, om er goede raad en troost te halen. Hij stierf op zondag na Maria Boodschap in het jaar 1231. Op het moment dat hij zijn dagelijkse gebeden deed, stortte zijn gammele hutje in; hij werd bedolven onder het puin en dodelijk gewond. Mensen die hem onder de brokstukken vandaan haalden, getuigen dat hij aan handen en voeten de kruiswonden van Christus (stigmata) vertoonde.

donderdag in de vierde week
van de vastentijd


Uit het boek Exodus 32, 7-14

Terwijl Mozes langer dan verwacht op de Sinaï bleef, had het volk zich een afgod gemaakt. De Heer wil hen straffen voor hun ongeloof. Met Mozes zelf is Hij bereid opnieuw te beginnen. Mozes treedt op als bemiddelaar en verzoener. In een vurig gebed herinnert hij aan de vroegere weldaden en trouw van God aan zijn beloften.

De Heer zei tegen Mozes: ‘Ga terug naar beneden, want jouw volk, dat je uit Egypte hebt geleid, misdraagt zich. Nu al zijn ze afgeweken van de weg die Ik hun gewezen heb. Ze hebben een stierenbeeld gemaakt, hebben daarvoor neergeknield, er offers aan gebracht en gezegd: “Israël, dit is je god, die je uit Egypte heeft geleid!”’
De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Ik weet hoe onhandelbaar dit volk is. Houd mij niet tegen: mijn brandende toorn zal hen verteren. Maar uit jou zal Ik een groot volk laten voortkomen.’
Mozes probeerde de Heer, zijn God, milder te stemmen: ‘Wilt U dan uw toorn laten woeden tegen uw eigen volk, Heer, dat U met sterke hand en grote macht uit Egypte hebt bevrijd? Wilt U dat de Egyptenaren zeggen: “Hij heeft hen bevrijd om hen in het ongeluk te storten, om hen in het bergland te doden en van de aarde weg te vagen”? Wees niet langer toornig en zie ervan af onheil over uw volk te brengen! Denk toch aan uw dienaren Abraham, Isaak en Israël, aan wie U onder ede deze belofte hebt gedaan: “Ik zal jullie zo veel nakomelingen geven als er sterren aan de hemel zijn, en het hele gebied waarvan Ik gesproken heb zal Ik hun voor altijd in bezit geven.”’
Toen zag de Heer ervan af zijn volk te treffen met het onheil waarmee Hij gedreigd had.

 

Psalm 106, 19-23

Refr.: Heer, ontferm U over ons.

Zij maakten een stierkalf bij de Horeb
en bogen zich voor een stuk metaal.
God, hun eer, ruilden zij in voor een beeld
van een dier dat gras eet.

Vergeten waren zij God, hun redder,
die iets groots had verricht in Egypte,
wonderen in het land van Cham,
geduchte daden bij de Rietzee.

Hij besloot hen uit te roeien,
maar Mozes, de man die hij had gekozen,
verdedigde hen, ging voor Hem staan
en wendde zijn dodelijke woede af.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 5, 31-47

Jezus verdedigt zijn zending tegenover sommige Joden die niet in Hem geloven. Vermits het getuigenis over zichzelf niet aanslaat, beroept Jezus zich op andere getuigen: op Mozes, die over Hem geschreven heeft, op de teksten van de Schriften die over Hem getuigen, op Johannes de Doper, op de Vader zelf die Hem gezonden heeft.

Jezus zei:
‘Als Ik nu over mezelf zou getuigen, dan was mijn verklaring niet betrouwbaar, maar iemand anders getuigt over Mij, en Ik weet dat zijn verklaring over Mij betrouwbaar is. U hebt boden naar Johannes gestuurd en hij heeft een betrouwbaar getuigenis afgelegd. Niet dat ik het getuigenis van een mens nodig heb, maar Ik zeg dit om u te redden. Johannes was een lamp die helder brandde, en u hebt zich een tijd in zijn licht verheugd.
Maar ik heb een belangrijker getuigenis dan Johannes: het werk dat de Vader mij gegeven heeft om te volbrengen. Wat Ik doe getuigt ervan dat de Vader Mij heeft gezonden. De Vader die Mij gezonden heeft, heeft dus zelf een getuigenis over Mij afgelegd. Maar u hebt zijn stem nooit gehoord en zijn gestalte nooit gezien, en u hebt zijn woord niet blijvend in u opgenomen, want aan degene die Hij gezonden heeft, schenkt u geen geloof.
U bestudeert de Schriften en u denkt daardoor eeuwig leven te hebben. Welnu, de Schriften getuigen over Mij, maar bij Mij wilt u niet komen om leven te ontvangen.
Niet dat de mensen Mij moeten eren, maar Ik ken u: u hebt geen liefde voor God in u.
Ik ben gekomen namens mijn Vader, maar u accepteert Mij niet, terwijl u iemand die namens zichzelf komt, wel zou accepteren.
Hoe zou u ooit tot geloof kunnen komen? Van elkaar wilt u wel eer ontvangen, maar u zoekt niet de eer die de enige God u kan geven.
U moet niet denken dat Ik u bij de Vader zal aanklagen; Mozes, op wie u uw hoop hebt gevestigd, klaagt u aan. Als u Mozes zou geloven, zou u ook mij geloven, hij heeft immers over mij geschreven. Maar als u niet gelooft wat hij geschreven heeft, hoe zou u dan geloven wat Ik zeg?’

Van Woord naar leven

Nergens zegt Jezus: ‘uw gevoel heeft u gered’, of ‘uw inzicht heeft u gered’. Steeds zegt Hij: ‘uw geloof heeft u gered’.
Daar gaat het om: geloven in Hem die de Vader gezonden heeft.

Wat we soms durven vergeten is dat geloven in wezen gave is. Het is niet iets dat we zelf kunnen maken, we kunnen het enkel ontvangen. Het is de Geest die het ons schenkt.

Dat neemt niet weg dat geloven ook wel degelijk een act vraagt van de mens. Het vraagt innerlijke armoede, bereidheid, beschikbaarheid. Het vraagt openheid om het vuur van de Geest te kunnen ontvangen.
Dus de act van de mens bestaat erin je handen, je hart, je hele zijn in stilte en met veel geduld te openen voor de gave van het geloof, en je er aan toevertrouwen.

Het zou een vergissing zijn te denken dat we geloven wanneer we met onze lippen belijden dat we geloven. Dit kan zo zijn maar het is niet per definitie zo. Geloof is veel meer dan belijdenis met de lippen.
Zoals het ook niet per definitie is dat we in geloof leven wanneer we onze gebeden plichtsmatig vervuld hebben. Het is niet omdat je zoveel keer per dag bidt dat je leeft in geloof, lees: dat je leeft in overgave aan de Heer. Wat niet wil zeggen dat dit gebed zinloos zou zijn. Ook het bidden zonder geloof, of met een vechtend geloof, heeft zin. Maar het zou ons te ver leiden daar nu verder op in te gaan.

Geloof is stille overgave aan Gods aanwezigheid, het is je toevertrouwen aan zijn genade die je geschonken wordt wanneer je je hele zijn laat bevruchten door zijn tegenwoordigheid.

Het gebed van het hart is de sleutel tot deze overgave. Niet dat soort gebed dat ons in een soort stemming brengt van zoete gevoelens alsof dat het wezen zou zijn van ons geloofsleven. Als je deze gevoelens moest hebben moet je daar uiterst voorzichtig mee omgaan. Het is zelfs aan te raden er een zeker wantrouwen tegenover te hebben. Zoete gevoelens zijn dikwijls een product van ons eigen ikje.
Het gebed van overgave gebeurt doorgaans in een volgehouden discipline, dag na dag, de woestijn van je hart beminnend, los van oppervlakkige gevoelens. Het is gelovig weten dat Hij er is, dat Hij naar je kijkt met een blik die vervuld is van diepe liefde en genegenheid. Het is jezelf met je hele lichaam, je ziel en je verstand aan Hem geven; Hem beminnend vanuit de liefde die Hij in je legt.

Beleef je dit in duisternis of dorheid ? Niet altijd zo fijn, maar in wezen (in wezen !) is het diepe genade. De woestijn is de meest vruchtbare plaats om tot waar innerlijk gebed te komen. Want daar sta enkel jij en de Heer. Het is soms diep confronterend, erg lastig ook, maar nogmaals: in wezen is het diepe genade. In de woestijn wordt je puur. In de dorst zuivert God je uit.

Hij, en enkel Hij. Daarover gaat het. Bemin de stilte, bemin je dorst, en geef je… Geef je aan Hem die zich aan u geeft. En laat God God zijn. Dan wordt je mooi, zuiver en puur. Je zal een afstraling worden van wat er diep in je ziel gebeurt. Ja, je zal liefde worden. Omdat je God God laat zijn, en het toelaat dat jij in Hem smelt.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

 

Laat ons bidden

Heilige Geest,
levende adem van de Vader,
kom met uw vuur in ons.
Bevrucht ons met de gave van geloof,
dat ons in staat zal stellen
ons volledig te geven
aan Jezus,
onze broeder en Heer.
Ja, help ons te beminnen in Christus.
Amen.