Lezingen van de dag – donderdag 4 okt 2018


Heilige (of feest) van de dag

Franciscus van Assisi (+ 1226)

Franciscus van Assisi, Italië; diaken, stichter & mysticus

Hij werd in 1182 geboren in Assisi, een plaatsje in de Italiaanse landstreek Umbrië, als zoon van de rijke lakenkoopman Pietro Bernardone. Eigenlijk heette hij Giovanni. Maar omdat vader graag pronkte met zijn successen en op het moment van Giovanni’s geboorte in Frankrijk verbleef, noemde hij zijn zoon sindsdien Francesco, ‘Fransmannetje’. De jongen kreeg de opvoeding die bij zijn status paste. Het maakte hem tot een zelfverzekerde jongeman, vriendelijk in de omgang, vrolijk, in alle takken van sport de beste, gezien bij de meisjes en vrijgevig met geld. Hij droomde ervan ridder te worden. Door gevangenschap en ziekte raakte hij echter in een crisis. Zijn vrienden bleven weg. Heel snel was men hem vergeten. Het werd hem duidelijk dat hij beter kon vertrouwen op God dan op mensen.

De verhalen vertellen dat stemmen hem zeiden de kerk weer op te bouwen. Hij meende dat het ging om een vervallen kerkje in de omgeving van Assisi, de San Damiano. Dat knapte hij op met het geld dat hij verdiende door in de kelder opgeslagen stoffen van zijn vader te verkopen. Deze had hem daar geen toestemming voor gegeven en zag zijn beoogde winsten opgaan aan een zinloze, geld verslindende onderneming. Hij was woedend en sloot hem op. Maar eenmaal vrij ging Franciscus gewoon door. Nu sleepte vader zijn zoon voor de rechter; die verwees de zaak door naar de bisschop. Omstuwd door de hele plaatselijke bevolking klaagde vader zijn zoon aan bij de bisschop en eiste al het geld van zijn zoon terug. Daarop gespte Franciscus voor het oog van alle aanwezigen zijn beurs los en wierp die zijn vader voor de voeten. Vervolgens kleedde hij zich uit tot op het naakte lijf en gooide kledingstuk voor kledingstuk voor zijn vader neer. Nu kwam de bisschop achter de jongeman staan en sloeg zijn mantel om hem heen. Vanaf dat moment was het voor iedereen duidelijk, dat Franciscus voortaan niet meer bij zijn vader hoorde, maar bij de Kerk van Christus (1206).

Hij nam zijn intrek in het kloostertje bij de San-Damianokerk. Daar leidde hij het leven van een kluizenaar. Hij kreeg de bijnaam ‘Il Poverello’ (‘armoedzaaiertje’) en verlangde er alleen nog naar een huwelijk aan te gaan met Vrouwe Armoede. Hij bedelde zijn voedsel bij elkaar. De eerste keer moest hij kokhalzen toen hij al die restjes en kliekjes zo op elkaar zag liggen. Maar hij wende er gauw aan. Wat hij nog bezat gaf hij weg aan armen en zwervers.
Na twee jaar begon hij in de omtrek te preken. Zijn boodschap was liefde: liefde voor de Schepper, voor mens, dier en plant. Hij noemde alle schepselen zijn broeders en zusters.
Al heel spoedig sloten zich wat volgelingen bij hem aan. Ze betrokken een huis, Portiuncula en noemden dat hun klooster. Franciscus schreef een heuse regel, die in 1217 door paus Honorius III († 1227) werd goedgekeurd. Nu waren ze een kloosterorde. Ze noemden zich ‘Minderbroeders’ (Fratres Minores). In korte tijd breidden zij zich uit over heel Italië, Spanje en Frankrijk.

Reeds in 1212 had zich de edele jonkvrouwe uit Assisi, Clara Scifi († 1253; feest 11 augustus), bij hem aangesloten. Naar diens voorbeeld had ze met thuis gebroken en wist ze aan de greep van haar familie te ontsnappen. Net als Franciscus huwde ze met Vrouwe Armoede en liet zich door hem het kloosterhabijt aantrekken. Zo werden zij samen de stichters van de naar haar genoemde kloosterorde der clarissen. De vrouwen leefden geheel volgens de regel die Franciscus had geschreven. Zowel de mannen als de vrouwen werden gekenmerkt door eenvoud, vrolijkheid, armoede en eerbied jegens alle schepselen.

Reeds twee jaar na zijn dood werd Franciscus heilig verklaard. Op zijn graf in Assisi werd de San-Francescokerk gebouwd (1228-1253). Ze werd fantastisch versierd met afbeeldingen uit zijn leven door de beste Italiaanse kunstenaars van die tijd. Hoe mooi en kunstzinnig ook, eigenlijk was dit alles in tegenspraak met zijn geest van eenvoud.
De talrijke anekdotes die er over zijn leven de ronde deden, werden verzameld in het boekje ‘Fioretti’ (‘Bloempjes van Franciscus’). Zijn medebroeder Thomas van Celano schreef twee levensbeschrijvingen.
Hij is hoofdpatroon van Italië; daarnaast van de kerkelijke Staat en de landstreek Umbrië en van de Italiaanse steden Assisi, Bologna, Borgo Val di Taro, Castiglione, Ferrara, Gubbio, Livorno, Mantua, Modena, Palermo, Pesaro, Piacenza, Urbino.

In Zwitserland van het bisdom Basel en in de Verenigde Staten van San Francisco (Californië) en Santa Fe (New Mexico; oorspronkelijk La Villa Real de la Sante Fe de San Francis de Asis).
Verder is hij patroon van de franciscanen, van de armen, van de Katholieke Actie en van de sociale arbeid; van kooplieden, lakenhandelaren, vlashandelaren, kleermakers en wevers; van behanghandelaren en correspondenten in vreemde talen.

Toen in 1931 een geschikte datum werd gezocht voor werelddierendag, koos men voor zijn feestdag, 4 oktober. Sinds 1979 is hij ook patroon van het milieu, van milieubeschermers en ecologen. Zo is hij ook patroon van vogels en andere dieren.

Zijn voorspraak wordt ingeroepen tegen hoofdpijn en de pest.

Hij wordt afgebeeld in het kleed van zijn orde (bruine pij met wit koord; in het afhangende gedeelte van het koord zijn drie knopen gelegd; bruine capuce, rond en stijf met kraagvormige schoudermantel; sandalen). Verder is hij altijd te herkennen aan Christus’ wonden in handen en voeten. Vaak heeft hij een kruis, een boek en een doodskop (teken dat alles op deze wereld voorbijgaat en dat men zich dus consequent op het hiernamaals richt). Soms ziet men hem afgebeeld in gebed, de armen gespreid; vaak krijgt hij vanuit de hemel door een cherubs (rood gekleurde zesvleugelige engel) Christus’ wondetekenen toegestuurd.

Bron: Heiligen.net

donderdag in week 26 door het jaar


Uit het boek Job 19, 21-27

Het protest van Job wordt een uitgesproken uitdaging tegen God. Job belijdt nochtans dat God leeft en dat Hij in zijn rechtvaardigheid het laatste woord heeft. Hij wenst echter zijn God te ontmoeten; dit verlangen houdt hij levend.

Job sprak: ‘Heb medelijden, vrienden, heb medelijden met mij, want de hand van God heeft mij getroffen. Waarom vervolgen jullie mij, zoals God? Waarom houden jullie nooit op mij te belasteren?
O, mochten mijn woorden worden opgeschreven, vastgelegd in een inscriptie, met een ijzeren stift gegrift, met lood gevuld, voor altijd in de rotsen uitgehouwen!
Ik weet: mijn redder leeft, en hij zal ten slotte hier op aarde ingrijpen.
Hoezeer mijn huid ook is geschonden, toch zal ik in dit lichaam God aanschouwen. Ik zal Hem aanschouwen, ik zal Hem met eigen ogen zien, ik, geen ander, heel mijn binnenste smacht van verlangen.’

 

Psalm 27, 7-9 + 13-14

Refr.: Wees dapper en vastberaden, wacht op de Heer.

Hoor mij, Heer, als ik tot U roep,
wees genadig en antwoord mij.
Mijn hart zegt U na: ‘Zoek mijn nabijheid!’
Uw nabijheid, Heer, wil ik zoeken.

Verberg uw gelaat niet voor mij,
wijs uw dienaar niet af in uw toorn.
U bent mij altijd tot hulp geweest,
verstoot mij niet, verlaat mij niet,
God, mijn behoud.

Mag ik niet verwachten de goedheid van de Heer
te zien in het land van de levenden?
Wacht op de Heer, wees dapper en vastberaden,
ja, wacht op de Heer.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 10, 1-12

Tweeënzeventig leerlingen worden door de Heer uitgezonden. Wat God heeft gezaaid, moeten zij oogsten. Als vredelievende mensen moeten zij Gods Rijk aankondigen, als lammeren onder de wolven, zonder aardse zekerheden.

Jezus stelde tweeënzeventig anderen aan, die Hij twee aan twee voor zich uit zond naar iedere stad en plaats waar Hij van plan was heen te gaan.
Hij zei tegen hen: ‘De oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig; vraag dus de eigenaar van de oogst of hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen.
Ga op weg, en bedenk wel: Ik zend jullie als lammeren onder de wolven.
Neem geen geldbuidel, geen reistas en geen sandalen mee, en groet onderweg niemand.
Als jullie een huis binnengaan, zeg dan eerst: “Vrede voor dit huis!” Als er een vredelievend mens woont, zal jullie vrede met hem zijn; zo niet, dan zal die vrede bij je terugkeren. Blijf in dat huis, en eet en drink wat men je aanbiedt, want de arbeider is zijn loon waard.
Ga niet van het ene huis naar het andere.
En als jullie een stad binnengaan en daar welkom zijn, eet dan wat je wordt voorgezet, genees de zieken die er zijn en zeg tegen hen: “Het Koninkrijk van God heeft jullie bereikt.”
Maar als jullie een stad binnengaan waar je niet welkom bent, trek dan door de straten en zeg: “Zelfs het stof van uw stad dat aan onze voeten kleeft, vegen we van ons af als aanklacht tegen u; maar bedenk wel: het koninkrijk van God is nabij!” Ik zeg jullie: het lot van Sodom zal op die dag draaglijker zijn dan het lot van die stad.’

Van Woord naar leven

Vandaag zegt Jezus: ‘De oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig; vraag dus de eigenaar van de oogst of hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen.’

Ieder van ons wordt geroepen, wordt heel persoonlijk aangesproken door God zelf.
Het moet gezegd, dat geroepen worden is niet altijd even duidelijk.
God spreekt op zijn manier, zoals Hij het het beste acht voor ons.
En voor ons mensen is dat niet altijd even helder.

We moeten daarvoor afdalen in onze ziel, daar waar God ons aanraakt.
Het is een gebedsweg die niet vanzelfsprekend is.
Het gaat hier over een intieme ontmoeting tussen God en ons, tussen Hem en u, heel persoonlijk.
Het gaat over een diepe stilte in ons zijn, een plaats waar niets is, een plek van leegte en armoede.
Dat niets is tegelijk een volheid, omdat het de plaats van God is waar niets Hem kan raken opdat er niets is, buiten onszelf in de mogelijkheid Hem te beantwoorden, ons mogelijk ja-woord tot Hem, de mogelijkheid van overgave aan zijn zijn.
Het is de ziel is z’n meest zuivere vorm: God en wij, Hij en u.

Dagelijks gebed, in vrijheid en uit liefde, zal ons leiden naar die plek.
Het is je te ruste leggen in de heilige Geest, dat zachte vuur van God dat ons zal leiden tot in het hart van onze ziel.
Het is bidden met je hart, veel verder dan de woorden die je met de lippen uitspreekt.
Het is afdalen in het niets om God ten diepste te kunnen ontmoeten, Hem te horen om in de Geest ‘ja’ te zeggen.

En ja, we mogen, moeten, ook bidden voor elkaar. Ook voor roepingen.
Het is echt niet verkeerd deze genade af te smeken van de hemel.
Eigenlijk is het een heilige plicht voor ons allen.
Het heeft in wezen met liefde te maken voor God en medemens, voor zijn Rijk dat Hij belichaamd wil zien door ons mensen.
Het is goed dit gebed samen te doen. Daarom niet letterlijk (mag natuurlijk, is zelfs zeer zinvol), maar ons vooral bewust zijnde dat God ons tot eenheid brengt in het gebed.
Dit kan door samen stil te zijn voor God, door het bidden van het getijdengebed, door lange tijd het Jezus-gebed te prevelen met lippen en hart, door middel van het rozenkransgebed, overweging op het kruis, enz… Als we maar bidden, en als het kan dagelijks.
We kunnen het belang van het gebed voor elkaar niet genoeg beseffen.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer,
doorheen uw woord,
de stilte van het gebed,
spreekt Gij ieder van ons aan
in het diepst van onze ziel.
Maak onze geest ontvankelijk voor U,
schenk ons liefde en bereidheid,
nederigheid en bekwaamheid
gehoor te geven aan uw stem,
uw roep diep in ons.
Geef dat wij zo als gemeenschap
Gods Rijk mogen uitbeelden
waarvan Gij het levend hart zijt.
Kom heilige Geest.
Amen.