Lezingen van de dag – donderdag 5 oktober 2017


Heilige (of feest) van de dag

Froilan van Leon († 1006)

Spanje; bisschop

Geboren in het Galicische plaatsje Lugo, trok hij zich op achttienjarige leeftijd in de eenzaamheid terug om monnik te worden. Volgelingen dienden zich aan en vormden al doende een kloostergemeenschap van Moreruela. Een van zijn leerlingen was de jonge Attilanus uit Tarragona († 1009) . Tussen beide mannen ontstond een hechte vriendschap in de Heer: over en weer waren zij voor elkaar een steun en inspiratie op hun levensweg. Van zijn benoeming in 990 tot aan zijn dood in 1006 bevorderde hij het kloosterleven en was hij een toonbeeld van vrijgevigheid voor de armen.

donderdag in week 26 door het jaar


Uit het boek Nehemia 8, 1-4a + 5-6 + 7-12

Het Woord van God brengt het volk bijeen in de tijd van Ezra en Nehemia. De verkondiging van het Woord in de cultusvergadering krijgt een essentiële plaats toebedeeld. Maar het Woord moet ook worden uitgelegd wil men het begrijpen.

Het voltallige volk verzamelde zich op het plein voor de Waterpoort. Men vroeg Ezra, de schrijver, het boek te halen met de wet van Mozes, de wet die de Heer aan Israël had opgelegd.
Ezra, de priester, haalde het wetboek en toonde het aan de aanwezige mannen en vrouwen, en aan iedereen die in staat was het te begrijpen. Dit gebeurde op de eerste dag van de zevende maand.
Op het plein voor de Waterpoort las Ezra de mannen en de vrouwen en iedereen die het kon begrijpen hardop uit het boek voor, vanaf het moment dat het licht werd tot de middag. Allen luisterden aandachtig naar het boek van de wet.
Ezra, de schrijver, stond op een houten verhoging die voor deze gelegenheid was vervaardigd. Ezra stond hoger dan het volk, zodat iedereen kon zien hoe hij het boek opende, en op dat moment ging heel het volk staan.
Ezra prees de Heer, de grote God, en heel het volk antwoordde ‘Amen, amen’, en ze hieven hun handen op, knielden neer en bogen diep voor de Heer.
Vervolgens legden de Levieten Jesua, Bani, Serebja, Jamin, Akkub, Sabbetai, Hodia, Maäseja, Kelita, Azarja, Jozabad, Chanan en Pelaja de wet uit aan het volk, dat weer was gaan staan.
De Levieten lazen het boek met de wet van God duidelijk voor en gaven er uitleg bij; zo verschaften ze inzicht in het gelezene.
Nehemia – hij was de landvoogd –,Ezra, de priester en schrijver, en de Levieten die het volk uitleg gaven, zeiden tegen iedereen: ‘Deze dag is gewijd aan de Heer, uw God; rouw dus niet, en huil niet!’ Het hele volk was namelijk in tranen uitgebarsten toen het de woorden van de wet hoorde.
Ezra zei tegen hen: ‘Maak een feestmaal klaar met lekker eten en drinken, en deel ervan uit aan wie niets heeft, want deze dag is gewijd aan onze Heer. Wees niet bedroefd, want de vreugde die de Heer u geeft, is uw kracht.’
De Levieten maanden het volk tot stilte. Ze zeiden: ‘Wees stil, dit is een heilige dag, wees dus niet bedroefd.’
Toen ging iedereen eten en drinken. Ze deelden alles met elkaar en maakten er een groot en vrolijk feest van. Ze hadden begrepen wat hun was verteld.

 

Psalm 19, 8-11

Refr.: Het gebod van de Heer is een licht voor de ogen.

De wet van de Heer is volmaakt:
levenskracht voor de mens.
De richtlijn van de Heer is betrouwbaar:
wijsheid voor de eenvoudige.

De bevelen van de Heer zijn eenduidig:
vreugde voor het hart.
Het gebod van de Heer is helder:
licht voor de ogen.

Het ontzag voor de Heer is zuiver,
houdt stand, voor altijd.
De voorschriften van de Heer zijn waarachtig,
rechtvaardig, geheel en al.

Ze zijn begeerlijker dan goud,
dan fijn goud in overvloed,
en zoeter dan honing,
dan honing vers uit de raat.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 10, 1-12

Tweeënzeventig leerlingen worden door de Heer uitgezonden. Wat God heeft gezaaid, moeten zij oogsten. Als vredelievende mensen moeten zij Gods Rijk aankondigen, als lammeren onder de wolven, zonder aardse zekerheden.

Jezus stelde tweeënzeventig anderen aan, die Hij twee aan twee voor zich uit zond naar iedere stad en plaats waar Hij van plan was heen te gaan.
Hij zei tegen hen: ‘De oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig; vraag dus de eigenaar van de oogst of hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen.
Ga op weg, en bedenk wel: Ik zend jullie als lammeren onder de wolven.
Neem geen geldbuidel, geen reistas en geen sandalen mee, en groet onderweg niemand.
Als jullie een huis binnengaan, zeg dan eerst: “Vrede voor dit huis!” Als er een vredelievend mens woont, zal jullie vrede met hem zijn; zo niet, dan zal die vrede bij je terugkeren. Blijf in dat huis, en eet en drink wat men je aanbiedt, want de arbeider is zijn loon waard.
Ga niet van het ene huis naar het andere.
En als jullie een stad binnengaan en daar welkom zijn, eet dan wat je wordt voorgezet, genees de zieken die er zijn en zeg tegen hen: “Het koninkrijk van God heeft jullie bereikt.”
Maar als jullie een stad binnengaan waar je niet welkom bent, trek dan door de straten en zeg: “Zelfs het stof van uw stad dat aan onze voeten kleeft, vegen we van ons af als aanklacht tegen u; maar bedenk wel: het koninkrijk van God is nabij!” Ik zeg jullie: het lot van Sodom zal op die dag draaglijker zijn dan het lot van die stad.’

 

Van Woord naar leven

Vandaag zegt Jezus: ‘De oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig; vraag dus de eigenaar van de oogst of hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen.’

Ieder van ons wordt geroepen, wordt heel persoonlijk aangesproken door God zelf.
Het moet gezegd, dat geroepen worden is niet altijd even duidelijk.
God spreekt op zijn manier, zoals Hij het het beste acht voor ons.
En voor ons mensen is dat niet altijd even helder.

We moeten daarvoor afdalen in onze ziel, daar waar God ons aanraakt.
Het is een gebedsweg die niet vanzelfsprekend is.
Het gaat hier over een intieme ontmoeting tussen God en ons, tussen Hem en u, heel persoonlijk.
Het gaat over een diepe stilte in ons zijn, een plaats waar niets is, een plek van leegte en armoede.
Dat niets is tegelijk een volheid, omdat het de plaats van God, de plek waar wij in de mogelijkheid zijn Hem te beantwoorden, ons ja-woord tot Hem kunnen uitspreken. Het is de ziel is z’n meest zuivere vorm: God en wij, Hij en u, in Christus’ naam.

Dagelijks gebed, in vrijheid en uit liefde, zal ons leiden naar die plek.
Het is je te ruste leggen in de heilige Geest, dat zachte vuur van God dat ons zal leiden tot in het hart van onze ziel.
Het is bidden met je hart, veel verder dan de woorden die je met de lippen uitspreekt.
Het is afdalen in het niets om God ten diepste te kunnen ontmoeten, Hem te horen om in de Geest ‘ja’ te zeggen.

En ja, we mogen, moeten, ook bidden voor elkaar.
Het is echt niet verkeerd genade af te smeken van de hemel door te bidden voor elkaar.
Eigenlijk is het een heilige plicht voor ons allen.
Het heeft in wezen met liefde te maken voor God en medemens, voor zijn Rijk dat Hij belichaamd wil zien door ons mensen.
Het is goed dit gebed samen te doen. Daarom niet letterlijk (mag natuurlijk, is zelfs zeer zinvol), maar ons vooral bewust zijnde dat God ons tot eenheid brengt in het gebed.
Dit kan door samen stil te zijn voor God, door het bidden van het getijdengebed, door lange tijd het Jezus-gebed te prevelen met lippen en hart, door middel van het rozenkransgebed, overweging op het kruis, enz… Als we maar bidden, en als het kan dagelijks.
We kunnen het belang van het gebed voor elkaar niet genoeg beseffen.

In dit geloof mogen we ook bidden om religieuze roepingen, en wel op het woord van de Heer: ‘Vraag de eigenaar van de oogst of hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen.’ Roepingen tot het religieuze leven zijn immers een gave van God aan de Kerk. Om deze gave mogen we bidden.
Moge zij die geroepen zijn tot het religieuze leven Gods roep horen. Moge ze ‘ja’ zeggen, met hun hele zijn, zich gevend aan de Heer.
Moge wij allen de geroepenen bijstaan in diep gebed voor hen.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Goede God,
wij bidden om priesters en diakens, om mannen en vrouwen die ‘ja’ zeggen op een religieuze roeping, om op deze wijze drager en uitdrager te zijn van uw Vrede, uw Liefde, uw Barmhartigheid. Geef hen, geen ons allen, de juiste woorden, de goede gebaren, de zuivere intenties, om U in de straat aanwezig te brengen. Moge Gij, goede God, gekend en bemind zijn.
Amen.