Lezingen van de dag – donderdag 6 juli 2017


Heilige (of feest) van de dag

Godelieve van Gistel († 1070)

Godelieve (ook Godelaine, Godeleipa, Godeleva, Godelewa, Godeliph, Godoleva of Gotlieba) van Gistel, Vlaanderen, België; martelares

Zij werd rond 1045 geboren op slot Londefort in Wierre-Effroy in het Beligische graafschap Boulogne. Haar vader heette Heinfried, haar moeder Odgiva. Volgens de gewoonte van die tijd werd zij uitgehuwelijkt; de keuze van haar vader was gevallen op heer Bertolf van Snipgate bij Gistel in Vlaanderen.

Maar Godelieve viel niet in goede aarde bij haar schoonmoeder, vrouwe Iselinde. Bertolf trok nog op de huwelijksdag bij zijn moeder in. Godelieve, die ervan gedroomd had burchtvrouwe te worden, verbande hij naar een onderhorige boerderij, waar zij zwaar werk moest doen en slechts een homp brood te eten kreeg. Latere gelovigen voegen eraan toe, dat de helft van haar voedsel nog naar de armen ging.

Aanvankelijk probeerde zij haar verdriet biddend te verwerken. Maar toen om haar heen de praatjes en pesterijen almaar erger werden, vluchtte zij naar haar vader.

Deze was woedend vanwege de schande hem en zijn dochter aangedaan. Hij wendde zich tot graaf Boudewijn van Vlaanderen en bisschop Radboud van Doornik om hulp. Inderdaad kwam er een verzoening tot stand. Bertolf nam zijn wettige vrouw tot zich en veinsde beterschap.

Maar in de nacht van 6 juli 1070 werd zij door twee van zijn dienaren, Lantbert en Hacca, naar buiten gelokt en met een doek gewurgd. Vervolgens gooiden zij haar in een put om de schijn te wekken, dat zij verdronken was. Volgens de legende werd het water van de put opeens glashelder en de stenen waarop de moord was gepleegd kleurden blinkend wit.

Hoewel Bertolf met veel misbaar maakte om te laten zien dat hij verdriet had om het verlies van zijn vrouw, werd hij door niemand uit zijn omgeving serieus genomen.

Al gauw zagen de mensen Godelieve aan voor een heuse martelares; zij begonnen haar als een heilige te vereren en riepen haar hulp in bij hun noden. Tot de opzienbarende wonderen die aan haar bemiddeling worden toegeschreven, behoort de genezing van het blinde meisje Edith, dochter uit het tweede huwelijk van haar voormalige echtgenoot Bertolf, en niet in het minst de bekering van Bertolf zelf. Op latere leeftijd trok hij zich terug in de benedictijer abdij van St-Winoksbergen. Daar zou een van zijn medebroeders, Drogo, een levensbeschrijving van haar samenstellen: de ‘Vita Godeliph’. Waarschijnlijk heeft hij zijn gegevens nog uit de mond van Bertolf zelf opgetekend. Op 30 juli 1084 werden Godelieve’s relieken door de bisschop van Doornik verheven tot de eer der altaren; dat stond in die tijd gelijk aan een heiligverklaring.

Op de plaats van haar dood verrees een abdij, met de toepasselijke naam Ten Putte. Tot op de dag van vandaag trekken er talloze pelgrims naartoe om er te drinken van het gemeeskrachtige water en om Godelieve’s graf te bezoeken in de parochiekerk van Gistel. Sinds 1458 vindt hier op de eerste zondag na 5 juli de Godelieveprocessie plaats, een dag waarop godeliefkoeken worden gebakken.

Zij is patrones van Gistel en Brugge; van kleermakers en naaisters (waarschijnlijk vanwege de doek waarmee ze werd gewurgd); van leurders (omdat ze zo vaak vergeefs aanklopte om begrip en hulp?).

Haar voorspraak wordt ingeroepen bij keelpijn en koorts; tegen keel- en oogziekten (dat laatste vanwege de genezing van Edith); daarnaast wordt zij aangeroepen bij echtelijke ruzies en last van boze schoonmoeders.

Zij wordt afgebeeld als maagd met een koord, strop of sjaal om de hals of in de hand; bij een put met bronwater.

donderdag in week 13 door het jaar


Uit het boek Genesis 22, 1-19

In zijn hoge ouderdom kreeg Abraham een zoon, Isaäk: het kind van de belofte. God vroeg echter ook deze ten offer. Toen het volk van Israël zich erkende in Abraham, begreep het dat God onvoorwaardelijke gehoorzaamheid vroeg. Toen het zich gelijkstelde met Isaäk zag het zichzelf als volk van de belofte gegeven aan God.

In die dagen stelde God Abraham op de proef. ‘Abraham!’ zei Hij.
‘Ik luister’ , antwoordde Abraham.
‘Roep je zoon, je enige, van wie je zoveel houdt, Isaak, en ga met hem naar het gebied waarin de Moria ligt. Daar moet je hem offeren op een berg die Ik je wijzen zal.’
De volgende morgen stond Abraham vroeg op. Hij zadelde zijn ezel, nam twee van zijn knechten en zijn zoon Isaak met zich mee, hakte hout voor het offer en ging op weg naar de plaats waarover God had gesproken. Op de derde dag zag Abraham die plaats in de verte liggen. Toen zei hij tegen de knechten: ‘Blijven jullie hier met de ezel. Ikzelf ga met de jongen verder om daarginds neer te knielen. Daarna komen we naar jullie terug.’
Hij pakte het hout voor het offer, legde het op de schouders van zijn zoon Isaak en nam zelf het vuur en het mes. Zo gingen zij samen verder.
‘Vader’ , zei Isaak.
‘Wat wil je me zeggen, mijn jongen?’ antwoordde Abraham.
‘We hebben vuur en hout’ , ‘zei Isaak, ‘maar waar is het lam voor het offer?’
Abraham antwoordde: ‘God zal zich zelf van een offerlam voorzien, mijn jongen.’ En samen gingen zij verder.
Toen ze waren aangekomen bij de plaats waarover God had gesproken, bouwde Abraham daar een altaar, schikte het hout erop, bond zijn zoon Isaak vast en legde hem op het altaar, op het hout.
Toen pakte hij het mes om zijn zoon te slachten.
Maar een engel van de Heer riep vanuit de hemel: ‘Abraham, Abraham!’
‘Ik luister’ , antwoordde hij.
‘Raak de jongen niet aan, doe hem niets! Want nu weet Ik dat je ontzag voor God hebt: je hebt mij je zoon, je enige, niet willen onthouden.’
Toen Abraham opkeek, zag hij een ram die met zijn horens verstrikt was geraakt in de struiken. Hij pakte het dier en offerde dat in de plaats van zijn zoon.
Abraham noemde die plaats ‘De Heer zal erin voorzien’. Vandaar dat men tot op de dag van vandaag zegt: ‘Op de berg van de Heer zal erin voorzien worden.’
Toen sprak de engel van de Heer opnieuw vanuit de hemel tot Abraham. Hij zei: ‘Ik zweer bij mijzelf – spreekt de Heer: Omdat je dit hebt gedaan, omdat je mij je zoon, je enige, niet hebt onthouden, zal Ik je rijkelijk zegenen en je zoveel nakomelingen geven als er sterren aan de hemel zijn en zandkorrels op het strand langs de zee, en je nakomelingen zullen de steden van hun vijanden in bezit krijgen. En alle volken op aarde zullen wensen zo gezegend te worden als jouw nakomelingen. Want jij hebt naar mij geluisterd.’
Daarna ging Abraham terug naar zijn knechten. Samen gingen ze weer op weg naar Berseba, en daar bleef Abraham wonen.

 

Psalm 116, 1 + 2 + 3 + 4 + 5 + 6 + 8 + 9

Refr.: Ik mag wandelen in het land van de levenden.

De Heer heb ik lief,
Hij hoort mijn stem, mijn smeken,
Hij luistert naar mij,
ik roep Hem aan,
mijn leven lang.

Banden van de dood omknelden mij,
angsten van het dodenrijk grepen mij aan,
ik voelde angst en pijn.
Toen riep ik de naam van de Heer:
Heer, red toch mijn leven !

De Heer is genadig en rechtvaardig,
onze God is een God van ontferming,
de Heer beschermt de eenvoudigen,
machteloos was ik
en Hij heeft mij bevrijd.

Ja, U hebt mijn leven ontrukt aan de dood,
mijn ogen gedroogd van tranen,
mijn voeten voor struikelen behoed.
Ik mag wandelen in het land van de levenden
onder het oog van de Heer.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 9, 1-8

Dat God zonden kan vergeven en zieken kan genezen is nog wel aanvaardbaar als wij in Hem geloven. Dat Hij deze macht ook gegeven heeft aan mensen lijkt ons vaak niet aanvaardbaar. Toch is het bij ons een geloofsovertuiging dat Jezus deze macht gaf aan zijn Kerk.

Jezus stapte weer in de boot en stak over, terug naar zijn eigen stad.
Daar probeerden een paar mensen een verlamde bij Hem te brengen die op een draagbed lag. Bij het zien van hun geloof zei Jezus tegen de verlamde: ‘Wees gerust, uw zonden worden u vergeven.’
Daarop zeiden enkele schriftgeleerden bij zichzelf: Wat een godslasterlijke taal!
Jezus doorzag hun gedachten en zei: ‘Waarom hebt u zulke boosaardige gedachten? Wat is gemakkelijker, te zeggen: “Uw zonden worden u vergeven” of: “Sta op en loop”? Ik zal u laten zien dat de Mensenzoon volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven.’
Toen zei Hij tegen de verlamde: ‘Sta op, pak uw bed en ga naar huis.’
En hij stond op en ging naar huis.
Bij het zien hiervan werden de mensen met ontzag vervuld en ze loofden God, om de macht die Hij aan mensen heeft verleend.

Van Woord naar leven

Mooi toch hoe in het evangelie van vandaag die enkele mensen alle moeite deden om hun broeder tot bij de Heer te brengen.

Hoe gaan wij om met onze naaste waarvan wij weten, of vermoeden, dat hij zo’n dorst heeft naar diepgang, naar zingeving, naar Gods-ontmoeting, naar de Heer.
Vele mensen spreken dit verlangen, om welke reden ook, niet uit. Maar diep vanbinnen hebben mensen vaak dorst naar God; God waarvan ze in hun diepste binnenste aanvoelen dat Hij de zingever is van het en hun leven. Heel dikwijls ontmoeten zij geen mensen die hen tot bij hun Zingever brengen. En ze blijven op hun honger zitten. Soms maanden, soms jaren, soms hun hele leven lang. Jammer toch.

Lieve mensen, hoe gaan wij om met ons collega’s, onze buren, familieleden, kennissen, studiegenoten, kinderen in de klas, jongeren in de jeugdbeweging. Hoe gaan wij om met elkaar (want ook wij zijn dorstige mensen !) ?
Kunnen wij zo met hen omgaan dat zij ‘goesting’ krijgen in God ? Zien ze aan ons dat wij iets meer te bieden hebben dan koetjes en kafjes ? Zijn wij bereid het ‘goede gesprek’ met hen te voeren waarbij de diepste snaren van het leven worden aangeraakt waardoor zij hun dorst (op welke wijze ook) onder woorden kunnen brengen. En dan met hen meegaan, in onszelf biddend, onze vriendschap gemeend aanbiedend. Ja, hen doorheen het leven brengen tot bij God.

In het evangelie van vandaag gebeurt dit zeer letterlijk. Maar in onze omgang met elkaar en onze naaste kan het een even reëel gebeuren zijn. God openbaart zich meer dan we doorgaans vermoeden. Wij moeten alleen in zijn stroming durven gaan staan. Ons toevertrouwend aan Hem die door ons heen al weldoende wilt rondtrekken, door ons heen mensen wilt aanspreken en aanraken. Wij mogen instrumenten zijn van zijn wandel in deze wereld.

Gisteren nog keek ik nog met onze zusters in het Woon- en Zorgcentrum waar ik als pastoraal medewerker mag werken; naar een docu over priester Poppe, een zeer geliefd heilig priester (voor de kerk tot op heden enkel zalig) in de streek, maar ook ver daarbuiten. De man heeft in zijn kort leven (hij werd maar 33) niets anders gedaan dan mensen aangesproken op hun dorst naar God. Als priester ging hij zelf dat gesprek ook aan. Hij stak veel energie in catechese voor kinderen omdat hij er zich goed van bewust was dat wanneer kinderen God niet aangeboden krijgen het op latere leeftijd dikwijls moeilijk is om God te vinden.

Priester Poppe deed dat als priester, hij deed dat in zijn tijd. De meeste van ons zijn geen priester, en we leven ook een eeuw verder. Maar dat neemt niet weg dat de missionaire opdracht die eigen is aan het christendom, minder belangrijk en urgent zou zijn. Integendeel. We weten allen maar al te goed hoeveel dorst er heden ten dage is naar diepgang, naar zingeving, naar God.

Kom, laat ons de Heer welkom heten in ons hart, beginnend bij ons expliciet gebed, maar ook doorheen de dag, tijdens de maaltijden, tijdens onze (soms drukke) bezigheden, tijdens momenten van ontspanning. En laat de Heer maar doen door ons, met ons, in ons.

Dat is evangelie. Arm worden in jezelf, om rijk te worden van Hem, zodat Hij anderen kan aanraken en tot zich kan trekken, ons lenend als zijn instrument.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer God,
blijf ons uitnodigen in uw dienst. Mogen wij blij en opgewekt, met frisse tred, ‘ja’ zeggen op deze dienst. Opdat ieder U mag leren kennen, en wel op de wijze waarop Gij U openbaart.
Amen.