Lezingen van de dag – donderdag 7 april 2016


Heilige (of feest) van de dag

Aibert van Crespin (+ 1140)burning-candles-in-church

Aibert (ook Aïbert of Aybert) van Crespin (ook van Henegouwen of van Valenciennes) osb, Frankrijk; monnik & kluizenaar

Hij moet rond 1060 geboren zijn het dorpje Espain bij Doornik; volgens zeggen heetten zijn ouders Albadius en Elvida. Reeds als jongen voelde hij zich aangetrokken tot het beschouwende leven. Regelmatig hield hij thuis vasten of stond hij midden in de nacht op om zijn gebeden te verrichten. Om de mensen van de boerderij niet te laten merken, hoeveel tranen hij daarbij stortte, verborg hij zich in de schaapsstal.

Eens hoorde hij een troubadour een lied zingen over de heilige Theobaldus van Provins († 1066; feest 30 juni): hoe hij het leven van een kluizenaar had geleid. Aibert was daar zo van onder de indruk, dat hij op datzelfde moment besloot zo’n leven te gaan leiden. Hij meldde zich aan bij een kluizenaar in de buurt van het plaatsje Crespin, even ten noorden van Valenciennes, die daar met toestemming van zijn abt in de barre eenzaamheid woonde. De twee mannen maakten zo serieus werk van het vasten, dat ze soms dagen niet aten, en wanneer ze wel voedsel tot zich namen, was het vaak niet meer dan een homp brood of wat kruiden en bessen uit het bos ter plaatse. Ze trokken zich niets aan van hitte of kou: kleren droegen ze praktisch niet. Ze zagen er uit als spookachtige scharminkels; zo reciteerden ze hardop hun gebeden en zongen ze liederen voor de Heer, nu eens in het kapelletje dat ze daar gebouwd hadden, dan weer gewoon in de open lucht. Zelfs de herders die daar wel eens langs kwamen, vonden de twee maar griezels en waren een beetje bang van ze.

Toen de abt van de abdij te Crespin waar ze bijhoorden, naar Rome ging om pauselijke goedkeuring te vragen voor het feit, dat hij zojuist de regel van Benedictus had ingevoerd, vroeg hij de twee mannen hem te vergezellen op zijn bedevaart. Het werd een barre pelgrimstocht, die zij blootsvoets aflegden. Maar de abt kreeg zijn toestemming van paus Urbanus II († 1099; feest 29 juli) en gedrieën keerden zij behouden terug.

Na enige tijd had Aibert een droom, waarin hij zag hoe een witte adelaar boven hem een monnikshabijt uit de lucht liet vallen. Dit beschouwde hij als een teken, dat hij de eenzaamheid moest opgeven en zich bij de leefgemeenschap moest aansluiten. Niet alle monniken waren het er mee eens; zij vonden de kluizenaar een excentriekeling. Maar vader abt had onderweg naar Rome zijn toewijding gezien en ontving hem met open armen. Hij maakte hem tot prior en cellarius. Dat betekende, dat hem de materiële zorg voor de communiteit werd toevertrouwd. Zo streng als hij was voor zichzelf, zo liefdevol droeg hij zorg voor het welzijn van zijn medebroeders. Hij stond hen ter zijde als ze ziek waren, en wist wat ieder nodig had voor zijn welbevinden. Zelf was hij een toonbeeld van kloosterlijke deugd, zodat hun aanvankelijke scepsis plaats maakte voor bewondering. Zo stond hij elke ochtend ruim voor de anderen op om in de kerk voor het gezamenlijk koorgebed uit alvast alle honderdvijftig psalmen te bidden.

Maar na drie-en-twintig jaar in de gemeenschap geleefd te hebben, groeide in hem toch weer het verlangen om zich terug te trekken op zijn oude, eenzame plekje en zijn Heer als kluizenaar te dienen. Hij kreeg toestemming van zijn abt en zo betrok hij weer zijn kluizenaarswoninkje. Daar zou hij de resterende twee-en-twintig jaar van zijn leven doorbrengen. Bisschop Burkhard van Cambrai wijdde hem priester, zodat hij de talrijke mensen die bij hem hun toevlucht zochten, de sacramenten kon toedienen: vooral de biecht en de eucharistie. Elke dag las hij twee heilige missen, een voor de overledenen en een voor de levenden.

Zo’n tweehonderd jaar later zou paus Honorius III († 1227) bepalen, dat een priester behalve op kerstmis nog maar één mis per dag mocht lezen.

Daarnaast bad hij dagelijks deels geknield, deels languit voorover liggend voor het altaar, zijn rozenkrans van honderdvijftig wees-gegroetjes, de getijdengebeden, de honderdvijftig psalmen van David, zoals hij dat altijd al had gedaan: kortom – zo merkt zijn levensbeschrijver op – je zou onder de vorsten van deze wereld moeilijk een tiran gevonden hebben, die zo streng was voor hem als hij was voor zichzelf.

Het hoeft ons niet te verbazen, dat hij door veel mensen werd bezocht, die hem hun noden voorlegden. Onder hen waren niet alleen arme, eenvoudige gelovigen, maar ook kloosterlingen, priesters, bisschoppen en vorstelijke personen. Zo klopte hertog Arnulf van Henegouwen, broer van Boudewijn, eens bij hem aan. Hij leed aan een ernstige ziekte, waar de doktoren machteloos tegenover stonden. Na te hebben gebiecht vroeg hij Aibert om iets te drinken, want de koorts brandde in heel zijn lijf. Maar de heilige man wees hem erop, dat hij alleen maar water had uit zijn put; geen bier of wijn, zoals de edelman gewend was. “Geef me dat dan maar”, sprak Arnulf. De kluizenaar liet wat water omhoog hijsen, maakte een kruisteken, sprak er zijn zegen over uit en gaf het de man te drinken. Op hetzelfde moment veranderde het water in een wijn, die je zelfs niet van de gunstigst gelegen wijnhellingen kan halen; de drank was zo krachtig, dat de koorts onze patiënt verliet, en dat hij volkomen gezond naar huis kon terugkeren.

Hier wordt met bijna zoveel woorden verteld, dat met deze heilige man de tijden van het evangelie in Henegouwen waren teruggekeerd. Aibert was een andere Christus: dat wordt geïllustreerd door van hem dingen te vertellen, die sterk aan Jezus herinneren: een intensief gebedsleven, de vele mensen die zich in hun nood tot hem wenden, de genezing van zieken en het wonder dat hij water in wijn verandert.

Uiteindelijk is hij op 7 april 1140, vlak voor Pasen, gestorven. Hij werd begraven in zijn eigen kapel. Later werd zijn stoffelijk overschot overgebracht naar de abdij van Crespin. De parochiekerk van zijn geboortedorp Espain zou een reliek van hem bezitten.

DONDERDAG IN DE TWEEDE PAASWEEK


Uit de Handelingen van de Apostelen 5, 27-33

Petrus en de leerlingen verschijnen weer voor het Sanhedrin. Wij mogen getuigen zijn van hun geloofservaring en hun trouw. Wij vernemen de motivering van hun geloof, hun zekerheid dat Christus aanwezig is, hun oproep tot bekering. Dit alles heeft wezenlijk te maken met de Blijde Boodschap van Jezus’ verrijzenis.

In die dagen namen de dienaren van de bevelhebber de apostelen mee en leidden hen voor het Sanhedrin. De hogepriester begon het verhoor met de vraag: ‘Hebben wij u niet nadrukkelijk verboden de naam van Jezus nog te gebruiken en onderricht over hem te geven? En toch verspreidt u uw leer in heel Jeruzalem en stelt u ons aansprakelijk voor de dood van deze man.’
Petrus en de andere apostelen antwoordden: ‘Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen. De God van onze voorouders heeft Jezus weer tot leven gewekt, nadat u Hem had vermoord door Hem aan een kruishout te hangen. God heeft Hem een plaats gegeven aan zijn rechterhand, Hem tot leidsman en redder verheven om de Israëlieten tot inkeer te brengen en hun zonden te vergeven. Daarvan getuigen wij, en daarvan getuigt ook de heilige Geest, die God geschonken heeft aan wie Hem gehoorzamen.’
Toen de leden van het Sanhedrin dit hoorden, ontstaken ze in woede en wilden ze de apostelen ter dood brengen.

 

Psalm 34, 2 + 9 + 17 + 18 + 19 + 20

Refr.: De Heer hoort de kreten van de rechtvaardigen.

De Heer wil ik prijzen, elk uur van de dag,
mijn mond is altijd vol van zijn lof. Resurrection-Icon

Proef, en geniet de goedheid van de Heer,
gelukkig de mens die bij Hem schuilt.

Toornig ziet de Heer wie kwaad doen aan,
Hij wist hun namen op aarde uit.

De Heer hoort de kreten van de rechtvaardigen,
Hij bevrijdt hen uit de nood.

Gebroken mensen is de Heer nabij,
Hij redt wie zwaar wordt getroffen.

Al blijft de rechtvaardige niets bespaard,
de Heer zal hem steeds weer bevrijden.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 3, 31-36

Wie gelooft in Gods Zoon heeft het eeuwig leven. Wie niet echt gelooft, kan dat leven niet zien. We hebben misschien ooit gemeend  dat het eeuwig leven iets is voor na de dood. Jezus’ woorden zijn klaar genoeg: het eeuwig leven begint hier reeds voor wie gelooft.  Eeuwig leven is God. Geloven is God liefhebben. Christen-zijn is het eeuwig leven  in zich dragen en het reeds nu beleven.

Jezus sprak tot Nikodemus:
‘Hij die van boven komt staat boven allen, wie uit de aarde voortkomt is aards en spreekt de taal van de aarde. Hij die uit de hemel komt en boven allen staat, getuigt van wat Hij gezien en gehoord heeft, en toch wordt zijn getuigenis door niemand aanvaard. Wie zijn getuigenis wel aanvaardt, bevestigt daarmee dat God betrouwbaar is.
Hij die door God gezonden is, spreekt de woorden van God, en God schenkt de Geest in overvloed.
De Vader heeft de Zoon lief en heeft alle macht aan Hem overgedragen.
Wie in de Zoon gelooft heeft eeuwig leven, wie de Zoon niet wil gehoorzamen zal dat leven niet kennen; integendeel, Gods toorn blijft op hem rusten.’

Van Woord naar leven

Willen we leven in Gods wil, willen we zijn woorden spreken, willen we zijn liefde belichamen, dan is het belangrijk dat we Gods heilige Geest in ons leven levend houden, of beter gezegd: het is belangrijk dat we onszelf plaatsen in de wind van de Geest, in het waaien van de Geest over ons leven. Dit vraagt een zekere oefening, een loslaten van het eigen ik, en vooral ook een volgehouden dagelijks gebed.

Wat dat waaien van de Geest betreft… Het komen of waaien van de Geest valt doorgaans niet sterk op, het is gewoonlijk geen opvallend gebeuren, ook niet in het gebed; laat het je niet wijsmaken. Het is bijna nooit zichtbaar, af en toe waarneembaar wanneer God zich laat voelen of zelfs laat zien, maar dit laatste is eerder zeldzaam. Het waaien van de Geest gaat over een stille liefde aangeboden door de Vader in de diepte van onze ziel, of in gebeurtenissen door Hem geleid.

God openbaart in de Geest een liefde die ons Hem doet kennen, en die ons doet keren naar Hem; een minne die ons doet verlangen, een warmte die ons doet bidden, een innige liefdesvlam die ons in ontmoeting brengt met Hem (de Vader) doorheen zijn Zoon waarin Hij ons bewoont. Het waaien van de Geest is de adem Gods die onze ziel tot leven brengt, ons hart tot minne maakt, ons verstand tot wijsheid brengt, en ons alzo tot een liefdevol mens maakt; Gods liefde belichamend.

Hoe kunnen we het beste open staan voor de heilige Geest ?

Wel, sommige horen het misschien niet graag, maar ik denk dat vroeg opstaan, en de ochtendstilte koesteren en liefhebben, een vruchtbare weg is om het waaien van de Geest vruchtbaar te laten zijn. De vroege ochtendstilte maakt ons immers arm en leeg, bereid en beschikbaar. De ochtend is een erg waardevol en genaderijk moment.

Het is waar, vroeg opstaan pikt soms, wat langer slapen kan zo’n deugd doen; tegen wie zeg je het. Maar het kan geen kwaad dit laatste soms geweld aan te doen. Er staat ons immers zo iets moois te wachten bij het vroege ochtendgloren. Daarom niet echt voelbaar, maar wel reëel in zijn aanwezigheid, namelijk God, en niemand anders dan God alleen; Hij die op je wacht.
Voor Hem kom je dan ook uit de warmte van je bed; ja, voor zijn heilige liefde voor u, aan u geschonken, voor allen die je ontmoet, voor allen waarvoor je bidt, in wezen voor de hele mensheid.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Goede God,
beziel ons met uw Geest, uw heilige adem, aefac9c3ff6fb94ca1fe1861d04bf21euw warmte die ons in vuur en vlam zet voor U, die ons hele zijn doet richten naar U; onze ziel, ons hart, ons verstand. Vervul ons gebed met veel liefde voor de stilte, met liefde voor uw komen, uw zijn, uw genade, opdat wij uw liefde mogen worden, groeiend in Christus.
Kom heilige Geest.
Amen.