Lezingen van de dag – donderdag 9 augustus 2018


Heilige (of feest) van de dag

Teresia Benedicta van het Kruis
(Edith Stein)
– patrones van Europa –
(† 1942)

  1. Edith Stein werd geboren in een orthodox-joodse familie in de Duitse stad Breslau op 12 oktober 1891.
  2. Op 13-jarige leeftijd zwoer ze haar joodse geloof af en werd atheïst.
  3. Als student leerde ze de filosoof-wiskundige Edmund Husserl kennen, de grondlegger van de fenomenologie. Toen Husserl later naar de Universiteit van Freiburg vertrok, ging Edith op zijn verzoek mee en promoveerde er tot doctor in de filosofie.
  4. De kennismaking met de autobiografie van de heilige Theresia van Ávila tijdens een vakantie bij vrienden betekende een keerpunt in haar leven. Stein bekeerde zich tot het katholicisme en werd op 1 januari 1922 gedoopt.
  5. Edith zegde haar universitaire baan bij Husserl op en werd onderwijzeres op een katholieke meisjesschool in Spiers, waar ze de geschriften van Thomas Van Aquino bestudeerde en vertaalde naar het Duits.
  6. Edith trad in 1934 in bij de karmelietessen in het karmelklooster van Keulen. Bij haar professie kreeg ze de kloosternaam Teresia Benedicta a Cruce.
  7. Omdat de antisemitische terreur in Duitsland steeds erger werd, werd Edith in 1938 door haar overste overgeplaatst naar het karmelietessenklooster te Echt in Nederlands Limburg. Daar schreef ze het werk: De wetenschap van het kruis. Studie over Johannes van het Kruis.
  8. Twee jaar na de Duitse bezetting van Nederland werd ze samen met haar zus op 2 augustus 1942 opgepakt door de Gestapo en naar Auschwitz gedeporteerd. Een paar dagen later, op 9 augustus, werden de twee zusters in de gaskamer omgebracht.
  9. Op 1 mei 1987 werd zij door paus Johannes Paulus II zaligverklaard in Keulen en op 11 oktober 1998 heilig. De paus typeerde haar als: Dochter van Israël en trouwe Dochter van de Kerk. Zij geldt samen met onder andere Catharina van Siena en Birgitta van Zweden als beschermheilige van Europa.

Bron: Kerknet.be

donderdag in week 18 door het jaar


Uit de profeet Jeremia 31, 31-34

De Heer blijft volhouden onkdanks alle ontrouw van het volk. Jeremia stelt een nieuw verbond in uitzicht. God is trouw door alles heen. Hij zal zijn wet in het hart van de mensen griffen en zo in hun binnenste een ongerepte trouw doen ontluiken. Hij zal in hen een nieuw hart scheppen.

‘De dag zal komen – spreekt de Heer – dat Ik met het volk van Israël en het volk van Juda een nieuw verbond sluit, een ander verbond dan Ik met hun voorouders sloot toen Ik hen bij de hand nam om hen uit Egypte weg te leiden. Zij hebben dat verbond verbroken, hoewel ze mij toebehoorden – spreekt de Heer.
Maar dit is het verbond dat Ik in de toekomst met Israël zal sluiten – spreekt de Heer: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en hem in hun hart schrijven. Dan zal Ik hun God zijn en zij mijn volk.
Men zal elkaar niet meer hoeven te onderwijzen met de woorden: “Leer de Heer kennen”, want iedereen, van groot tot klein, kent Mij dan al –s preekt de Heer. Ik zal hun zonden vergeven en nooit meer denken aan wat ze hebben misdaan.’

 

Psalm 51, 12 + 13 + 14 + 15 + 18 + 19

Refr.: Schep in mij een zuiver hart, mijn God.

Schep, o God, een zuiver hart in mij,
vernieuw mijn geest, maak mij standvastig.

Verban mij niet uit uw nabijheid,
neem uw heilige Geest niet van mij weg.

Red mij, geef mij de vreugde van vroeger,
de kracht van een sterke geest.

Dan wil ik verdwaalden uw wegen leren,
en zullen zondaars terugkeren tot U.

U wilt van mij geen offerdieren,
in brandoffers schept U geen behagen.

Het offer voor God is een gebroken geest;
een gebroken en verbrijzeld hart
zult U, God, niet verachten.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 16, 13-23

Als Jezus aan zijn leerlingen vraagt wat ze van Hem denken, antwoord Petrus uit hun aller naam: ‘U bent de Messias, de Zoon van de levende God’. Wanneer Jezus gaat toelichten hoe Hij zijn Christus-vraag verstaat: ‘als zich totaal geven’, begrijpen ze Hem niet meer. Ze komen in verzet en laten zich leiden door menselijke overwegingen.

Toen Jezus in het gebied van Caesarea Filippi kwam, vroeg Hij zijn leerlingen: ‘Wie zeggen de mensen dat de Mensenzoon is?’
Ze antwoordden: ‘Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia, weer anderen Jeremia of een van de andere profeten.’
Toen vroeg Hij hun: ‘En wie ben Ik volgens jullie?’
‘U bent de Messias, de Zoon van de levende God’, antwoordde Simon Petrus.
Daarop zei Jezus tegen hem: ‘Gelukkig ben je, Simon Barjona, want dit is je niet door mensen van vlees en bloed geopenbaard, maar door mijn Vader in de hemel. En ik zeg je: jij bent Petrus, de rots waarop Ik mijn kerk zal bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet kunnen overweldigen. Ik zal je de sleutels van het koninkrijk van de hemel geven, en al wat je op aarde bindend verklaart zal ook in de hemel bindend zijn, en al wat je op aarde ontbindt zal ook in de hemel ontbonden zijn.’
Daarop verbood hij de leerlingen ook maar tegen iemand te zeggen dat Hij de Messias was.
Vanaf die tijd begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken dat Hij naar Jeruzalem moest gaan en veel zou moeten lijden door toedoen van de oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden, en dat Hij gedood zou worden, maar op de derde dag uit de dood zou worden opgewekt.
Petrus nam Hem ter zijde en begon Hem fel terecht te wijzen: ‘God verhoede het, Heer! Dat zal U zeker niet gebeuren!’
Maar Jezus keerde hem de rug toe met de woorden: ‘Ga terug, achter Mij, Satan! Je zou me nog van de goede weg afbrengen. Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen.’

Van Woord naar leven

Vanaf die tijd begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken dat Hij naar Jeruzalem moest gaan en veel zou moeten lijden door toedoen van de oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden, en dat Hij gedood zou worden, maar op de derde dag uit de dood zou worden opgewekt.
Petrus nam Hem ter zijde en begon Hem fel terecht te wijzen: ‘God verhoede het, Heer! Dat zal U zeker niet gebeuren!’
Maar Jezus keerde hem de rug toe met de woorden: ‘Ga terug, achter mij, Satan! Je zou me nog van de goede weg afbrengen. Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen.’

Hoe zit het met ons ?
Zijn we in ons leven bezig met wat God wil, of zijn we bezig met wat we zelf willen… ?

Een mens leeft doorgaans met een dubbel ik, met twee ikken. Het ene ik is het ik waarvan God heeft gezegd dat Hij het gemaakt heeft naar zijn beeld en gelijkenis. Het is het ik dat leeft in God, in volle gehoorzaamheid. Het is het ik dat voortdurend leeft in het ja tot God. Het is het ik dat biddend leeft, dat God als centrum heeft van z’n bestaan. Het is het ik waar we diep vanbinnen allemaal naar verlangen.
Maar je hebt ook dat andere ik. Het is het ik dat leeft voor zichzelf, dat voortdurend z’n eigen ego streelt, dat leeft voor het applaus, dat leeft om graag gezien te worden. Het is het ik dat voortdurend oordeelt over anderen, het ik dat zo graag roddelt, het ik dat anderen maar al te graag gebruikt om er zelf goed uit te komen voor de buitenwereld. Het is het ik dat leeft voor aardse goederen, het ik dat zoveel mogelijk geld wil verdienen, het ik dat z’n eigen ontspanning hoger acht dan de naastenliefde.

Ieder van ons kent deze twee ikken, zowel het ware ik als het ‘oppervlakkige’ ik.

De meeste van ons proeven van de beiden.
De Geest zal ons voortdurend het verlangen geven te leven vanuit ons ware ik. Diep vanbinnen weten we ook dat deze weg echt leven geeft, zowel aan onszelf als aan de wereld waarin we leven.
Maar het andere ik trekt ons ook aan. Het is, op het eerste zicht, zelfs veel aangenamer in dat ik te leven. Het kost geen moeite en oppervlakkig gezien voelt dat goed.

Het ware ik vraagt overgave aan God, het vraagt het beminnen van het kruis, het vraagt liefhebben tot het uiterste.
Het oppervlakkige ik vraagt dit allemaal niet… Het laat zich leiden door allerlei egoïstische motieven.

Waarvoor kiezen we ?

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer, mijn God,
ik weet niet waar ik heen ga.
Ik ken de weg niet die voor me ligt.
Ik kan niet met zekerheid zeggen
waar hij zal eindigen.
Ook ken ik mezelf niet echt,
en als ik denk dat ik uw wil volg,
dan betekent dit nog niet
dat ik dat ook werkelijk doe.
Maar ik geloof dat het verlangen om U te behagen
U in feite ook behaagt.
En ik hoop in dat verlangen te leven
bij alles wat ik doe.
Ik hoop nooit iets te doen buiten dat verlangen.
Als ik dit doe,
dan weet ik dat U mij zult leiden
langs het rechte pad,
hoewel ik er misschien niets van begrijp.
Daarom zal ik altijd op U vertrouwen,
ook al lijk ik verloren
en in de schaduw van de dood.
Ik zal niet bang zijn
want U bent steeds bij mij,
en U zult mij nooit aan mijn lot overlaten
om mijn gevaren alleen te doorstaan.
Amen.

Thomas Merton (zie foto)