Lezingen van de dag – maandag 1 juni 2015


Heilige (of feest) van de dag

Justinus de Martelaar (+ 165)292600c3-085c-4314-b788-8d2c44bba991

Justinus Martelaar, Rome, Italië; filosoof & martelaar;
† 165.

Justinus werd rond het jaar 100 geboren in Palestina in de plaats Flavia-Neapolis (het bijbelse Sichem, tegenwoordig Nablus). Hij kwam uit een heidens milieu. Van jongs af aan bleek hij bijzonder weetgierig. In zijn jonge jaren bezocht hij alle filosofenscholen om te horen wat men er over de waarheid te zeggen had. De een na de ander stelde hem teleur en liet hem onbevredigd achter. Pas toen hij in contact kwam met de leer van de christenen, besefte hij op het goede spoor te zijn. In die tijd behoorden denken en doen onlosmakelijk bij elkaar. Hoe meer Justinus zich in de woorden van Christus verdiepte, hoe meer hij ernaar verlangde te leven zoals Hij.

Na zijn doop verzorgde hij enige tijd rondleidingen voor medechristenen die de heilige plaatsen in zijn geboorteland kwamen bezoeken. Hij zou daarbij altijd gewezen hebben op de grot van Jezus’ geboorte!

Dat is interessant. Er zijn twee evangelisten die over Jezus’ geboorte vertellen: Matteus en Lukas. Matteus heeft het in dit verband over een ‘huis’ (Matteus 2,11). Lukas zegt niet in wat voor gebouw Jezus geboren werd. Hij vertelt wel, dat Jezus meteen na zijn geboorte in een kribbe werd gelegd; daaruit hebben latere gelovigen afgeleid, dat hij in een stal geboren moet zijn. Nu horen we dus van iemand, die reeds honderd jaar later leefde, dat de kribbe in een grot gestaan zou hebben.

Gehuld in een filosofenmantel trok Justinus rond om – zoals toen gebruikelijk was – met ieder die maar wilde, te discussiëren over filosofische onderwerpen en levensvragen. Tenslotte begon hij in Rome een filosofenschool. Hij schreef boeken, die gericht waren aan de keizer en de senaat; daarin verdedigde hij de christelijke levensvisie. Zo vestigde hij de aandacht op zich en werd na een openbaar debat gevangen genomen, omdat hij openlijk weigerde deel te nemen aan de verplichtingen, die voor iedere Romeinse burger behoorden bij staatsgodsdienst, met name de offerrituelen aan de Romeinse goden, waartoe vaak ook de de persoon van de keizer gerekend werd.

Er is nog een ander laatste woord van Justinus bewaard gebleven:
“Zoals wanneer de ranken van de wijnstok gesnoeid worden om nieuwe te doen ontspruiten: zo gaat het nu met ons”.

Justinus is patroon van de filosofen en de geloofsverdedigers en apologeten.

Hij wordt afgebeeld in filosofenmantel, met pen en boek(rol); soms met een bijl of zwaard (zijn vermoedelijke martelwerktuigen).

MAANDAG IN WEEK 9 DOOR HET JAAR

Uit het boek Tobit 1, 1-2 + 2, 1-9

Het boek Tobit getuigt van de dagelijkse bezorgdheid van God voor de mens. Tobit was zeker van de nabijheid van een welwillende God. Dit verklaart zijn optreden en de moed die het eiste. Hij schrok er niet voor terug zijn eigen naam en veiligheid op het spel te zetten.

Dit is de geschiedenis van Tobit. Hij was een zoon van Tobiël, die een zoon was van Ananiël, de zoon van Aduël, de zoon van Gabaël, de zoon van Rafaël, de zoon van Raguël, en afkomstig uit het geslacht van Asiël, uit de stam Naftali.
Tobit werd tijdens de regering van Salmanassar, de koning van Assyrië, vanuit Tisbe in ballingschap gevoerd. Tisbe ligt ten zuiden van Kedes in Naftali, in Boven–Galilea, ten noordwesten van Hasor en ten noorden van Fogor.

Tijdens de regering van koning Esarhaddon keerde ik terug naar huis en werd ik weer verenigd met Anna en Tobias. Tijdens ons Pinksterfeest, het Wekenfeest, werd er voor mij een feestmaal bereid. Toen ik aan tafel ging en de talrijke schotels zag die voor me waren klaargezet, zei ik tegen Tobias: ‘Jongen, kijk eens of je onder onze volksgenoten die hier in de stad als ballingen verblijven, iemand vindt die niets heeft en die de Heer met heel zijn hart dient. Neem hem mee om samen met mij deze maaltijd te gebruiken. Ik begin niet voordat je terug bent.’
Tobias vertrok om te doen wat ik hem gevraagd had, maar kwam alleen terug. ‘Vader!’ riep hij. ‘Wat is er?’ vroeg ik. ‘Vader, er ligt iemand van ons volk vermoord op het marktplein. Ze hebben hem gewurgd.’
Ik sprong onmiddellijk op, liet de maaltijd staan zonder er ook maar iets van te hebben gegeten en bracht de dode van het plein naar een van mijn bijgebouwen. Na zonsondergang zou ik hem begraven.
Thuis waste ik me en at ik in een droevige stemming mijn maal. Ik moest denken aan wat de profeet Amos over Betel zei: ‘Jullie feesten zullen omslaan in rouw, jullie liederen in klaagzangen.’
En ik huilde. Zodra het donker was geworden, dolf ik een graf en begroef mijn volksgenoot.
Mijn buren dreven de spot met mij. ‘Waar is die angst van hem ineens gebleven? Toen hij werd gezocht omdat ze hem voor dit vergrijp wilden doden, wist hij niet hoe snel hij de benen moest nemen. Maar moet je nu eens kijken: hij is waarachtig alweer doden aan het begraven.’
Ik kwam midden in de nacht thuis, waste me en legde me tegen de muur van de binnenplaats te slapen. Omdat het zo warm was, liet ik mijn gezicht onbedekt.

 

Psalm 112, 1-6

Refr.: Gelukkig de mens met ontzag voor de Heer.

Gelukkig de mens met ontzag voor de Heer,
en met liefde voor zijn geboden.614891

Zijn nageslacht geniet aanzien in het hele land,
de oprechten worden gezegend.

Rijkdom en weelde bewonen zijn huis,
en zijn rechtvaardigheid houdt stand, voor altijd.

Hij straalt voor de oprechten als licht in het duister,
genadig, liefdevol en rechtvaardig.

Goed gaat het wie genadig is en vrijgevig,
wie zijn zaken eerlijk behartigt.

De rechtvaardige komt nooit ten val,
men zal hem eeuwig gedenken.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 12, 1-12

In een vergelijking laat Jezus zien hoe God heel de geschiedenis lang bezorgd is geweest voor zijn volk. Hij is werkelijk gegaan tot het uiterste. Al diegenen die Hij heeft ingezet hebben hun zending betaald met de dood. Zelfs zijn geliefde Zoon was hetzelfde lot beschoren.

Jezus begon tot de hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten in gelijkenissen te spreken:
‘Een man legde een wijngaard aan en omheinde die. Hij groef een kuil voor de wijnpers en bouwde een uitkijktoren. Hij verpachtte de wijngaard aan wijnbouwers en ging op reis. Na verloop van tijd stuurde hij een knecht naar de wijnbouwers om zijn deel van de opbrengst van hen te ontvangen; maar ze grepen hem vast, mishandelden hem en stuurden hem met lege handen terug.
Daarna stuurde hij een andere knecht naar hen toe, die ze in het gezicht sloegen en vernederden.
Hij stuurde nog een derde, die ze doodden, en nog vele anderen; sommigen werden door de wijnbouwers mishandeld en anderen werden door hen gedood.
Ten slotte was alleen nog zijn geliefde zoon over; die stuurde hij als laatste naar hen toe, met de gedachte: Voor mijn zoon zullen ze wel ontzag hebben. Maar de wijnbouwers zeiden tegen elkaar: “Dat is de erfgenaam. Kom op, laten we hem doden, dan is de erfenis van ons.”
Ze grepen hem vast en doodden hem en gooiden zijn lichaam buiten de wijngaard.
Wat zal de eigenaar van de wijngaard daarna doen? Hij zal zelf komen om de wijnbouwers om te brengen en hij zal de wijngaard aan anderen geven. Hebt u deze schrifttekst dan niet gelezen: “De steen die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden Dankzij de Heer is dit gebeurd, wonderbaarlijk is het om te zien.”’
Daarop wilden ze Hem gevangennemen, want ze wisten dat Hij hen op het oog had bij het vertellen van deze gelijkenis, maar ze waren bang voor de reactie van de menigte. Dus lieten ze Hem staan en gingen weg.

Van Woord naar leven

Wanneer wij een bepaald dienstwerk verricht hebben en we voelen ons daarna ‘goed’, dan hebben we doorgaans het gevoel dat we goed bezig waren. Dikwijls ik dat ook zo. De Heer laat het immers niet na dikwijls zijn vrede te schenken wanneer wij leven naar Gods wil.

Anderzijds is het  ‘zich goed voelen’ ook relatief. Ik weet niet of Jezus zich zo goed voelde op Goede Vrijdag hangend aan het kruis. En toch stond Hij op die moment meer dan ooit in Gods wil.
‘Zich goed voelen’ is op zich dan ook geen absolute norm om zeker te zijn dat je in Gods wil staat. Meer: het staat er totaal los van.

Soms gaat ‘gehoor geven aan God’ meer gepaard met dorheid en tegenslag dan met licht en zogenaamd succes.

Bij de derde verschijning van Onze-Lieve-Vrouw te Lourdes aan Bernadette zei Maria tot haar: ‘Ik beloof je niet gelukkig te maken in deze wereld, maar wel in de andere.’ Zo zie je maar dat het ‘zich gelukkig voelen’ een relatief begrip is. Hoe fijn dit gevoel ook is, het mag nooit een doel zijn van ons ja-woord tot God.

Als God ons een gevoelen van vrede geeft in ons ja-woord, dan is dat goed. Is dat gevoel er niet, dan is het ook goed.

Trouwens, Gods vrede gaat veel verder of dieper dan onze menselijke gevoelens. Ook in de dorheid of zelfs in de tegenslag kunnen wij Gods vrede dragen. Het gaat dan niet meer om een menselijke emotie, een oppervlakkig gevoel, maar om een vrucht van Gods inwoning diep in ons ‘zijn’. Hij zegt ja, wij zeggen ja, en dat volstaat. Dat geeft vrede. Zelfs op het kruis.

Deze vrede kunnen wij dragen tijdens vreugdevolle momenten, maar ook bij momenten van tegenslag, in perioden van dorheid, van ziekte, oud worden, en zelfs op de moment van ons sterven.

Het gaat om ons ja-woord. De rest is bijzaak.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Goede God,43061_ja-klein-bdb
leer ons ‘ja’ te zeggen, niet om iets terug te krijgen van U of wie dan ook, maar gewoon omwille van het ‘ja’. Moge ons ja-woord gratis zijn, zoals Gij er gratis zijt voor ons. Geen ‘voor wat hoort wat’, maar gewoon liefde omwille van de liefde. Kom heilige Geest. Amen.