Lezingen van de dag – maandag 13 november 2017


Heilige (of feest) van de dag

Stanislas Kostka († 1568)

Stanislas Kostka sj, Rome, Italië; belijder

Stanislas was een jongen van Poolse adel, geboren op 28 oktober 1550 op slot Rostków. Vader wilde, dat hij en zijn oudere zoon Paul door de jezuïeten zouden worden gevormd. Daartoe zond hij ze naar het pas opgerichte jezuïetencollege te Wenen. Daar woonde Stanislas in hetzelfde huis als zijn broer, maar deze was een nogal heerszuchtig type, en bovendien moest hij eigenlijk niets van de jezuïeten hebben. Stanislas wel. Hij verlangde naar iets anders in zijn leven, maar besefte, dat hij met zulke idealen bij zijn broer niet hoefde aan te komen. Ook vader zou er vast niet mee ingenomen zijn. Dus brak hij met zijn milieu, kleedde zich als een zwerver en ging op weg: ver van zijn broer en nog verder weg van zijn ouderlijk huis in Polen. Hij begaf zich naar Augsburg 450 kilometer verderop! Daar meldde hij zich aan bij de jezuïeten.

Intussen had zijn broer ontdekt, dat hij weggelopen was. Hij was razend; en zocht met een aantal rauwe vrienden de hele omgeving van Wenen af om hem te vinden. Het verhaal zegt, dat die broer zelfs Stanislas achterop is gekomen, maar hem inderhaast niet herkende. Zelfs niet, toen hij hem in het voorbijgaan vroeg of hij niet iemand had gezien die geleek op… En daar volgde een hele beschrijving van Stanislas zelf. Deze wees met een vaag gebaar in de andere richting.
In Augsburg kreeg hij te horen, dat hij door moest reizen naar Dillingen (nog eens veertig kilometer). Daar woonde Petrus Canisius, één van de belangrijkste jezuïeten van dat moment in de Duits sprekende landen († 1597; feest 27 april). Die zou wel raad weten. Deze stuurde de jongen met twee jezuïetenstudenten door naar Rome: dat was nog eens duizend kilometer! Nu was hij ver genoeg weg van de invloedssfeer van thuis, en werd aangenomen als novice in de orde der jezuïeten. Niet lang daarna stierf hij (aan een ziekte? van uitputting?) op 15 augustus 1568, nog geen 18 jaar oud.
Zijn lijfspreuk was ‘Ad maiora natus sum’: ‘Ik ben voor iets hogers geboren’.

Hij is patroon van Polen en van de Poolse steden Gniezno, Lublin, Lviv, Poznan en Warschau; daarnaast van jezuïetennovicen en van de studerende jeugd in het algemeen; van de stervenden (omdat hem op zijn sterfbed de Maagd Maria met het Kind Jezus op haar arm verschenen zou zijn. Hij had een grote liefde voor de Heilige Maagd).
Zijn voorspraak wordt ingeroepen bij geloofstwijfel; ook bij allerhande ziektes, vooral wanner men alle hoop op herstel heeft opgegeven, bij koorts, hartinfarcten, oogkwalen en botbreuken.

maandag in week 32 door het jaar


Uit het boek Wijsheid 1, 1-7

De wijsheid wordt verpersoonlijkt als de geest van de Heer die alles ordent en samenhoudt. Hij spoort aan tot menslievendheid, goedheid en eenvoud van hart. Hij schuwt alle dubbelzinnigheid en werkt op innerlijkheid en overtuiging.

Heb de gerechtigheid lief, heersers van de aarde. Koester zuivere gedachten over de Heer en zoek Hem met een eerlijk geweten.
Wie Hem niet tart zal Hem vinden, en wie Hem niet wantrouwt zal Hem zien.
Misvattingen houden een mens bij God vandaan. Dwazen kunnen zijn macht alleen tot hun eigen schande op de proef stellen.
De wijsheid zoekt geen onderkomen in een ziel die sluw is, ze woont niet in een lichaam dat door zonde wordt beheerst.
Als Gods heilige Geest onderwijst ze mensen. Bedrog ontvlucht ze, onverstandig denken gaat ze uit de weg, waar onrecht opdoemt trekt ze zich terug.
De wijsheid is een geest die mensen liefheeft. Maar godslasteraars houdt ze verantwoordelijk voor hun woorden. God weet wat er in hun binnenste leeft, Hij ziet feilloos wat ze in gedachten hebben en hoort wat er uit hun mond komt.
De geest van de Heer vervult immers de hele wereld; Hij die alles omvat weet wat er gezegd wordt.

 

Psalm 139, 1-10

Refr.: Heer, wonderbaarlijk is het zoals U mij kent.

Heer, U kent mij, U doorgrondt mij,
u weet het als ik zit of sta,
U doorziet van verre mijn gedachten.

Ga ik op weg of rust ik uit, U merkt het op,
met al mijn wegen bent U vertrouwd.
Geen woord ligt op mijn tong,
of U, Heer, kent het ten volle.

U omsluit mij, van achter en van voren,
U legt uw hand op mij.
Wonderlijk zoals U mij kent,
het gaat mijn begrip te boven.

Hoe zou ik aan uw aandacht ontsnappen,
hoe aan uw blikken ontkomen?
Klom ik op naar de hemel; U tref ik daar aan.
Lag ik neer in het dodenrijk; U bent daar.

Al verhief ik mij op de vleugels van de dageraad,
al ging ik wonen voorbij de verste zee,
ook daar zou uw hand mij leiden,
zou uw rechterhand mij vasthouden.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 17, 1-6

Vergeving schenken schept leven.

Jezus sprak tot zijn leerlingen:
‘Het is onvermijdelijk dat er mensen ten val worden gebracht, alleen: wee degene die daarvoor verantwoordelijk is! Het zou beter voor hem zijn als hij met een molensteen om zijn hals in zee werd geworpen dan dat hij ook maar een van deze geringen ten val zou brengen.
Let dus goed op jezelf! Indien je broeder zondigt, spreek hem dan ernstig toe; en als hij berouw heeft, vergeef hem. En als hij zevenmaal op een dag tegen je zondigt en zevenmaal naar je terugkeert en zegt: “Ik heb berouw,” dan moet je hem vergeven.’
Toen zeiden de apostelen tegen de Heer: ‘Geef ons meer geloof!’
De Heer zei: ‘Als jullie geloof hadden als een mosterdzaadje, zouden jullie tegen die moerbeiboom zeggen: “Trek je wortels uit de grond en plant jezelf in de zee!” en hij zou jullie gehoorzamen.’

 

Van Woord naar leven

‘Het zou beter voor hem zijn als hij met een molensteen om zijn hals in zee werd geworpen…’.

Jezus is boos, héél boos, boos op hen die verantwoordelijk zijn dat mensen zich van God verwijderen. Maar Hij houdt zich in, Hij laat het bij woorden. Wat Hij doet is aansporen tot vergeven, niet één maal maar zeven maal daags, alsof Hij zegt: ‘Laat je woede niet de vrije teugel, maar doe zoals Ik: vergeef, vergeef, vergeef’.

Om dit te kunnen moet je een groot geloof hebben, waar de leerlingen momenteel alleen maar van kunnen dromen. Ze zijn er ondertussen al achter gekomen dat ze zulk geloof niet kunnen maken. Daarom vragen ze met nadruk: ‘Geef ons meer geloof’.
Vanuit ons louter mens-zijn is op een dergelijke wijze vergeving schenken quasi onmogelijk. Wij hebben geloof nodig; geloof als een act van onzentwege, een zich ‘geven aan de Heer’, een geloof dat zich vervuld weet met Gods genade.

Het is zoals met dat mosterdzaadje waar Jezus over spreekt. Het is klein maar het is tot veel in staat. Het is in staat, wanneer het de kans krijgt wortel te schieten en vrucht te dragen, het kwaad niet te beantwoorden met kwaad, maar de weg van vergeving en verzoening te gaan.
Dat kleine zaadje wil Jezus leggen in ieders hart; in het uwe, in het mijne.

Laten we ons openen voor Hem.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer,
het mensenhart kan een plaats zijn van feest, van gemeenschap met U. Doch is dit hart dikwijls bezwaard omdat het niet kan vergeven. Zo ontlopen we de echte diepgang van het feest én, misschien nog erger,  ontnemen we anderen toegang tot uw feest. Genees ons hart dat dikwijls zo moeilijk tot ware vergeving kan komen. Neem alle remmingen weg die het vergeven onmogelijk maken. Dat wij op deze wijze als één gemeenschap in U, meer en meer mogen deelhebben aan uw bruiloft met de mensheid.
Alle dagen van ons leven. Amen.