Lezingen van de dag – maandag 17 april 2017


Heilige (of feest) van de dag

Robertus van La Chaise Dieu († ca 1067)

Robertus van La Chaise Dieu osb, Frankrijk; abt

Robertus van Turlande kwam uit de Franse landstreek Auvergne. Zijn vader heette Giraldus, zijn moeder Raingardis. Reeds de omstandigheden waaronder hij geboren werd gaven te kennen wat voor leven hij later zou gaan leiden. Want toen zijn moeder van hem in verwachting was, was zij op reis naar een verre stad. Onderweg kwam het moment dat het kind geboren moest worden. Zo kwam het ter wereld midden in de eenzaamheid. Dat is veelzeggend voor iemand die later zijn leven in de eenzaamheid zou doorbrengen. Eenmaal op de plaats van bestemming aangekomen, kreeg hij een min toegewezen. Maar de pasgeboren baby wilde niet drinken van de hem voorgehouden borst; niet omdat hij de melk niet lekker vond, want bij zijn moeder dronk hij wel, maar omdat een vreemde borst zondig was. Dat kind wist dat natuurlijk nog niet, maar God maakte dat duidelijk door de gedragingen van het kind.

De jongen groeide op bij de St-Julianuskerk te Brioude. Hij maakte ernst met de kerkelijke studies, doorliep de gewone fasen van een geestelijke in opleiding, in welke tijd hij ook nog een gasthuis voor bedelaars stichtte, en werd uiteindelijk priester gewijd. Hij voelde zich aangetrokken tot het godgewijde leven en trad in in het klooster van Cluny, waar toen een belangrijke vernieuwingsbeweging aan de gang was onder leiding van de grote abt Odilo. Na enige tijd wist hij voor zichzelf zeker dat daar zijn definitieve roeping niet lag. Hij ondernam een pelgrimsreis naar Rome om door bemiddeling van de apostelen Petrus en Paulus God om uitkomst te vragen.

Na terugkomst ging hij op zoek naar een geschikte eenzame plek om zich als kluizenaar te kunnen vestigen. In die tijd voegde zich een gewezen soldaat bij hem. Die had spijt over al de zonden die hij in zijn soldatentijd had begaan en wilde zich geheel aan God wijden (zie afb.). Hij heette Stefanus. Terwijl zij beiden verder zochten, kwam er nog een soldaat bij: Dalmatius. Ze vonden een goede plek tussen de dorens en de distels en vestigden zich daar. Daartoe moest hun de grond geschonken worden. Die was in bezit van twee kanunniken: Rostaguus en Arbertus: de laatste was bovendien een abt. Met dat zij de schenking deden sloten zij zich ook bij Robertus aan. Uit die plek zou later het klooster ‘Casa-Dei’ groeien (= ‘Huis van God’ in het Frans verbasterd tot ‘La Chaise Dieu’). Nog tijdens Robertus’ leven telde het 300 monniken.

Intussen gebeurden er rond Robertus allerlei wonderen. Hij genas zieken, hield door middel van zijn gebed een waterloop tegen, liet doven horen, stommen spreken, lammen lopen en dreef allerlei duivels uit. Tevoren gaf hij aan zijn monniken te kennen op welk moment hij zou sterven. Toen het zover was, sterkte hij hun in hun religieus leven en gaf de geest.

Hij werd begraven in de kloosterkerk. Ook na zijn dood gebeurden er talloze wonderen.

Paasmaandag


Uit de Handelingen van de Apostelen 2, 14 + 22-32

We maken hier kennis met Petrus’ eerste prediking tot het volk. De Petrus van de verloocheningsnacht is dood: dit is een Petrus die niet kàn zwijgen. Wie werkelijk gelooft dat Jezus lééft, gaat getuigen in blijdschap en vreugde. Het leven van de christen krijgt een andere kleur door de paaservaring: de ervaring van het nieuwe leven.

Petrus trad naar voren, samen met de elf andere apostelen, verhief zijn stem en sprak de menigte toe:
‘U, Joden en inwoners van Jeruzalem, luister naar mijn woorden en neem ze ter harte. Israëlieten, luister naar wat ik u zeg: Jezus uit Nazaret is door God tot u gezonden, hetgeen gebleken is uit de grote daden en de wonderen en tekenen die God, zoals u bekend is, door zijn toedoen onder u heeft verricht.
Deze Jezus, die overeenkomstig Gods bedoeling en voorkennis is uitgeleverd, hebt u door heidenen laten kruisigen en doden. God heeft Hem echter tot leven gewekt en de last van de dood van Hem afgenomen, want de dood kon zijn macht over Hem niet behouden.
David zegt immers over Hem: “Steeds houd ik de Heer voor ogen, Hij is aan mijn zijde, ik wankel niet. Daarom verheugt zich mijn hart en jubelt mijn tong van blijdschap. Ja, mijn lichaam zal behouden blijven, want u zult mij niet overleveren aan het dodenrijk en het lichaam van uw trouwe dienaar zal niet tot ontbinding overgaan. U hebt mij de weg naar het leven getoond, uw nabijheid zal mij vervullen met vreugde.”
Broeders en zusters, u zult mij wel toestaan dat ik over de aartsvader David zeg dat hij gestorven en begraven is; zijn graf bevindt zich immers nog steeds hier.
Maar omdat hij een profeet was en wist dat God hem onder ede beloofd had dat een van zijn nakomelingen zijn troon zou bestijgen, heeft hij de opstanding van de messias voorzien en gezegd dat deze niet aan het dodenrijk zou worden overgeleverd en dat zijn lichaam niet tot ontbinding zou overgaan.
Jezus is door God tot leven gewekt, daarvan getuigen wij allen.’

 

Psalm 16, 1 + 2a + 5 + 7 + 8 + 9 + 10 + 11

Refr.: Behoed mij, God, ik schuil bij U.

Behoed mij, God, ik schuil bij U.
Ik zeg tot de Heer: U bent mijn Heer.

Heer, mijn enig bezit, mijn levensbeker,
U houdt mijn lot in handen.

Ik prijs de Heer die mij inzicht geeft,
zelfs in de nacht spreekt mijn geweten.

Steeds houd ik de Heer voor ogen,
met Hem aan mijn zijde wankel ik niet.

Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn ziel,
mijn lichaam voelt zich veilig en beschut.

U levert mij niet over aan het dodenrijk
en laat uw trouwe dienaar het graf niet zien.

U wijst mij de weg naar het leven:
overvloedige vreugde in uw nabijheid,
voor altijd een lieflijke plek aan uw zijde.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 28, 8-15

Het lege graf van Jezus is voor sommigen bron van verbazing, geloof, vreugde en hoop, voor anderen bron van ergernis, ongeloof en tegenwerking. Maar elke mens moet tenslotte stelling nemen. Wie gelooft, zoals de vrouwen, brengt ook vandaag de boodschap van vandaag naar de mensen. Als men louter met het verstand tracht te zien, gelooft men evenwel nog niet. Men moet zich gewonnen geven aan en in de Geest, met het hart. En ernaar leven …

Ontzet en opgetogen verlieten de vrouwen haastig het graf om het aan Jezus’ leerlingen te gaan vertellen.
Op dat moment kwam Hij hun tegemoet en groette hen.
Ze liepen op Hem toe, grepen zijn voeten vast en bewezen Hem eer.
Daarop zei Jezus: ‘Wees niet bang. Ga mijn broeders vertellen dat ze naar Galilea moeten gaan, daar zullen ze mij zien.’
Terwijl de vrouwen onderweg waren, gingen enkele van de bewakers naar de stad. Daar vertelden ze de hogepriesters alles wat er gebeurd was. Die vergaderden met de oudsten en besloten de soldaten een flinke som geld te geven en hun op te dragen: ‘Zeg maar: “Zijn leerlingen zijn ‘s nachts gekomen en hebben Hem heimelijk weggehaald terwijl wij sliepen.” En mocht dit de prefect ter ore komen, dan zullen wij hem wel bepraten en ervoor zorgen dat jullie buiten schot blijven.’
Ze namen het geld aan en deden zoals hun was opgedragen. En tot op de dag van vandaag doet dit verhaal onder de Joden de ronde.

Van Woord naar leven

De twee Maria’s hadden vernomen van de engel dat Jezus opgestaan was uit de dood. Hij zond hen naar de leerlingen waar ze de Blijde Boodschap van de verrezen Heer moesten gaan verkondigen en dat ze Hem in Galilea zullen ontmoeten. Ontzet en opgetogen verlieten ze het graf en snelden naar de leerlingen. Op dat moment, zo lezen we, kwam Jezus hen tegemoet en groette hen. Ze liepen op Hem toe, grepen zijn voeten vast, en bewezen Hem alle eer. Wat een vreugde moet deze ontmoeting gekenmerkt hebben; een diepe zalige vreugde.

Lieve mensen, wij zijn niet de twee Maria’s waarover we vandaag hoorden; de twee Maria’s die de eer hadden als eersten de verrezen Heer te mogen ‘zien’. Maar de ontmoeting die wij met de Heer mogen hebben is in wezen niet anders dan de ontmoeting tussen de Heer en zijn twee Maria’s.

In elkaar, in situaties, in appéls, in het Woord, in de sacramenten, in de natuur, in de stilte, in gezang, in echte vreugde, in de vrede, in de vergeving, in de verzoening,… ontmoeten wij de verrezen Heer. Doorheen dit alles komt Hij ons tegemoet, groet Hij ons ten diepste, verenigd Hij zich met ons. Geeft deze ontmoeting ons ook die diepe innerlijke vreugde… of doet het ons nog weinig…

Het is en blijft waar: we moeten die vreugde niet spelen, we mogen haar niet zelf maken, maar we moeten ons hart wel alle ruimte geven zodat de paasvreugde er zijn intrek kan nemen, en wel ten volle.

Het gaat hier om een vreugde die haar wortels vindt in de Heer zelf, een vreugde die zich afspeelt in de warmte van de Geest, in de aanraking van de Vader doorheen de Zoon aan ons.

Het is een vreugde van de stille soort, een vreugde diep vanbinnen, een vreugde zonder al teveel uiterlijk alleluia. Het is een vreugde die ons diep in de Heer aanwezig houdt, zoals Hij in ons aanwezig is. Het is een vreugde die ons hele zijn zal verkwikken, fris zal maken, en ons zal aanzetten Jezus’ liefde te belichamen, haar te verkondigen in daad en woord.

Oh broeder vreugde, moge gij ook in ons aanwezig zijn wanneer wij de verrezen Heer ontmoeten diep in onszelf, en in elkaar.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer Jezus,
zeer beslist snelt Gij ons ook tegemoet wanneer wij de weg gaan van de liefde, juist om deze weg te vervullen met Uzelf, onze daden te bezielen met uw Geest. Geef dat deze ontmoeting vol van vreugde moge zijn; een vreugde die ons fris en enthousiast maakt in het liefhebben vanuit uw aanwezigheid.
Kom heilige Geest, beziel ons met evangelische eenvoud, met die diepe innerlijke vreugde als gevolg van onze ontmoeting met de verrezen Heer.
Amen.