Lezingen van de dag – maandag 17 sept 2018


Heilige (of feest) van de dag

Hildegard van Bingen († 1179)

Hildegard van Bingen osb, Eibingen, Duitsland; maagd & mystica

Hildegard werd in 1098 geboren te Bermersheim bij Alzey. Als achtjarig meisje werd zij toevertrouwd aan de zorgen van de benedictinessen op de Disibodenberg. In 1136 volgde zij er haar leermeesteres, Jutta van Sponheim († 1136; feest 22 december) op als abdis. Vervolgens stichtte zij tussen 1147 en 1150 nabij Bingen het klooster Rupertsberg; Margaretha van Sponheim was er priorin († 1190; feest 29 oktober). In 1165 voegde zij daar de stichting van het klooster te Eibingen in de buurt van Rüdesheim aan toe.

Eind jaren (1147) veertig begon zij bekendheid te krijgen. Op verzoek van aartsbisschop Heinrich van Mainz en abt Kuno van de Disibodenberg wijst paus Eugenius III († 1153; feest 8 juli) twee prelaten aan die een onderzoek moeten instellen naar persoon, leefgewoonten en geschriften van de kleine abdis. Zo tijgen bisschop Auberon van Verdun en Aldebert, de voorzitter van diens dekenaal kapittel, naar de Disibodenberg.

Diep onder de indruk komen ze bij haar vandaan en begeven zich naar de bisschoppenvergadering van Trier; ze hebben bij zich het eerste deel van Hildegards boek ‘Scivias’. Het is eind 1147. Daar zijn de paus en vele prelaten bijeen om kerk- en kloosterhervormingen door te voeren.

De geschiedschrijver Jean Trithème zal drie eeuwen later schrijven: ‘De paus las de geschriften van de maagd voor aan een groot aantal aanwezigen. Hij trad zelf op als voorlezer en voorzag een belangrijk deel van haar werk van uitleg. Allen die de voorlezing hoorden, waren een en al bewondering en brachten eensgezind dank aan God.’ Sinds die tijd stond de paus in geregeld briefcontact met ‘dit zo bewonderenswaardig door God geïnspireerd licht’.

Hildegard van Bingen preekt in Trier
Pinksteren 1160 is zij in de stad Trier om een predikatie te houden voor de verzamelde geestelijken van de stad. Kort na haar vertrek schrijven de prelaten haar een brief waarin zij haar vragen haar preek op schrift te stellen: “Het is ons bekend dat de Heilige Geest in u woont en dat Hij u veel openbaart wat voor andere mensen verborgen blijft. Want sinds uw vertrek, nadat u hier met Pinksteren was gekomen om ons vanuit een hogere beschikking te zeggen dat een dreigement ons te wachten stond, hebben wij om ons heen enerzijds veel moeilijkheden ondervonden vanwege de kerken, en anderzijds aan veel gevaren bloot gestaan van de kant van de mensen. Wij hebben te weinig aandacht gegeven aan Gods toorn. En we hebben het aan zijn goedheid te danken dat we tot nu toe gespaard zijn gebleven. Omdat God in u is en zijn eigen woorden uit uw mond komen, smeken wij u, uwe moederlijke genegenheid, ons te schrijven wat u ons mondeling hebt medegedeeld.”

In haar antwoord schrijft zij van zichzelf: ‘Ik ben een klein, nietig wezen zonder gezondheid, kracht, moed of kennis.’ Maar dan begint ze te vertellen over wat zij gezien heeft in haar visioenen. Hoe de hele christenheid verbleekt en verslapt, en hoe wij het aan Gods genade te danken hebben dat we nog niet gestraft of zelfs verdelgd zijn. Dat is haar thema: Gods onvermoeibare goedheid, die keer op keer blijk geeft van zijn zorg en aanwezigheid, de verflauwing en onverschilligheid bij de mensen bestrijdt en telkens opnieuw hun afnemende ijver nieuw leven inblaast.

Ondanks haar zwakke en ziekelijk gestel ondernam zij dus moeizame reizen. Niet alleen naar Trier, maar ook naar Metz, Keulen en Zuid-Duitsland. Zij gaf er conferenties, en diende velen van advies. Zij bezat, zeker gemeten naar de maat van toen, een enorme kennis op het gebied van medicijnen en natuurwetenschappen. Zij onderhield een briefwisseling met de pausen, keizers en koningen, die zij meemaakte; daarnaast met vele bisschoppen en andere hoogwaardigheidsbekleders en invloedrijke mensen van haar tijd. Zij uitte zonder enige schroom en in alle vrijmoedigheid haar mening tegenover ieder van hen. Dat leverde haar enerzijds waardering op, maar anderzijds ook vijandschap. Zij genoot de bescherming en het vertrouwen van paus Eugenius III en Sint Bernardus († 1153; feest 20 augustus).

Tussen de bedrijven door componeerde zij kerkmuziek en schreef of dicteerde zij haar boeken, waaronder geestelijke werken als het ‘Liber Scivias’ (= ‘Ken de wegen’), het ‘Liber vitae meritorum’ (= ‘Het verdienstelijk leven’), en het ‘Liber divinorum operum’ (‘De goddelijke werken’); medische en natuurwetenschappelijke als ‘Liber subtilitatum diversarum naturarum’ (‘De verschillende fijnzinnigheden van de natuur’) en ‘Libri simplicis et compositae medicinae’ (= ‘Eenvoudig boek over artsenij’). Zij bezorgde een levensbeschrijving van Sint Rupertus van Bingen († ca 732; feest 15 mei) en stelde een eigen taal samen, bestaande uit een mengeling van Duits en Latijn.
Zij stierf in 1179, 80 jaar oud.

Zij is patrones van taalwetenschappers, filologen en esperantisten en van natuurwetenschappers. Haar voorspraak wordt ingeroepen voor goede raad.
Zij wordt afgebeeld als abdis (met staf); met boek en ganzenveer; of terwijl ze een brief overhandigt aan een bode.

Bron: Heiligen.net

maandag in week 24 door het jaar


Uit de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs 11, 17-26 + 33

In de gemeente van Korinte waren er misbruiken ontstaan. Ten tijde van Paulus was de eucharistie voorafgegaan door een maaltijd, waar zich onenigheden manifesteerden. Daarom herhaalt Paulus de leer over de eucharistie zoals hij die heeft meegekregen van de Heer. Daarin past geen onenigheid.

Broeders en zusters,
Nu ik u toch aanwijzingen geef: ik kan u niet prijzen om uw samenkomsten. Die doen meer kwaad dan goed.
Om te beginnen: ik hoor dat u bij uw samenkomsten in de gemeente partijen vormt. Tot op zekere hoogte geloof ik dat ook. Het is onvermijdelijk dat er partijvorming onder u is, zodat duidelijk wordt wie van u betrouwbaar is. Alleen, u komt niet samen om de maaltijd van de Heer te vieren. Van wat u hebt meegebracht eet u alleen zelf, zodat de een honger heeft en de ander dronken is. Hebt u soms geen eigen huis waar u kunt eten en drinken? Of veracht u de gemeente van God en wilt u de armen onder u vernederen? Wat moet ik hierover zeggen? Moet ik u soms prijzen? Dat doe ik in geen geval.
Want wat ik heb ontvangen en aan u heb doorgegeven, gaat terug op de Heer zelf. In de nacht waarin de Heer Jezus werd uitgeleverd nam Hij een brood, sprak het dankgebed uit, brak het brood en zei: ‘Dit is mijn lichaam voor jullie. Doe dit, telkens opnieuw, om Mij te gedenken.’ Zo nam Hij na de maaltijd ook de beker, en Hij zei: ‘Deze beker is het nieuwe verbond dat door mijn bloed gesloten wordt. Doe dit, telkens als jullie hieruit drinken, om mij te gedenken.’ Dus altijd wanneer u dit brood eet en uit de beker drinkt, verkondigt u de dood van de Heer, totdat Hij komt.
Daarom, broeders en zusters, wees gastvrij voor elkaar wanneer u samenkomt voor de maaltijd.

 

Psalm 40, 7-10 + 18

Refr.: Uw wil te doen, mijn God, verlang ik.

Offers en gaven verlangt U niet,
brand– en reinigingsoffers vraagt U niet.
Nee, U hebt mijn oren voor U geopend
en nu kan ik zeggen: ‘Hier ben ik,
over mij is in de boekrol geschreven.’

Uw wil te doen, mijn God, verlang ik,
diep in mij koester ik uw wet.
Wanneer het volk bijeen is,
spreek ik over uw rechtvaardigheid,
ik houd mijn lippen niet gesloten,
U weet het, Heer.

Ik ben arm en zwak,
Heer, denk aan mij.
U bent mijn helper, mijn bevrijder,
mijn God, wacht niet langer.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 7, 1-10

De Joden mochten het huis van een vreemdeling niet betreden. Toch stonden zij welwillend tegenover de Romeinse centurio, voor wie zij ten beste spraken bij Jezus. Hij respecteerde hun wetten en genas de knecht van de centurio op afstand, nadat deze de Joden eerst had verbaasd door zijn geloof.

Toen Jezus aan het eind was gekomen van zijn toespraak tot de menigte ging Hij Kafarnaüm in. Een centurio die daar woonde had een slaaf die ernstig ziek was en op sterven lag; de centurio was erg op deze slaaf gesteld. Toen hij over Jezus hoorde, zond hij enkele Joodse leiders naar Hem toe om Hem te vragen bij Hem te komen en zijn slaaf van de dood te redden.
Toen ze bij Jezus waren gekomen, drongen ze er bij Hem op aan mee te gaan. Ze zeiden: ‘De man die u dit verzoekt, verdient het dat u hem deze gunst bewijst. Want hij is ons volk goedgezind en heeft voor ons de synagoge laten bouwen.’
Jezus ging samen met hen op weg. Hij was al niet ver meer van het huis verwijderd, toen de centurio enkele vrienden naar Hem toe stuurde met de mededeling: ‘Heer, spaar U de moeite, want ik ben het niet waard dat U onder mijn dak komt. Daarom ook achtte ik mij niet waardig om zelf naar U toe te gaan. Maar U hoeft maar te spreken en mijn knecht zal genezen zijn. Ook ik ben iemand die onder andermans gezag staat en zelf weer soldaten onder zich heeft, en als ik tegen een soldaat zeg: “Ga!” dan gaat hij, en tegen een andere: “Kom!” dan komt hij, en als ik tegen mijn slaaf zeg: “Doe dit!” dan doet hij het.’
Toen Jezus dit hoorde, verbaasde Hij zich over hem; Hij keerde zich om naar de menigte die Hem volgde en zei: ‘Ik zeg jullie, zelfs in Israël heb ik niet zo’n groot geloof gevonden!’
Toen de vrienden van de centurio terugkeerden naar zijn huis, troffen ze daar de slaaf in goede gezondheid aan.

Van Woord naar leven

Geliefde mensen,
vandaag staan we stil bij vers 18 uit psalm 40, dat we lezen in de tussenzang.

We lezen daar: “Ik ben arm en zwak, Heer, denk aan mij. U bent mijn helper, mijn bevrijder, mijn God, wacht niet langer.”

Wanneer we ons de vraag zouden stellen wat onze innerlijke houding tijdens ons expliciet gebed zou moeten zijn, vinden we, denk ik, een sleutel in dit psalmvers. We lezen hierin over een houding van diepe nederigheid, een attitude van innerlijk arm zijn, een wijze van gelovige openheid naar en voor God, het binnentreden van een ruimte waar kan gesmeekt én gedankt worden, een manier van verlangen en uitkijken, een houding ook van beschikbaarheid voor Gods komen.

Oh zalige armoede van hart. Gij helpt ons niet alleen als graan in de akker af te sterven een elke vorm van zelfrealisatie, maar ge biedt ons ook de mogelijkheid te groeien in onze diepste identiteit die we vinden in het Pasen van de Heer.

Geliefde mensen,
laat ons in het gebed de armoede van het hart diep beminnen en koesteren. In innerlijke openheid ontwikkelt zich immers een moederlijke schoot waarin de Heer ten diepste kan ontvangen worden, om Hem doorheen de dag altijd opnieuw weer te baren in elke handeling van liefde.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Kom heilige Geest,
beziel ons met uw warmte, maak ons innerlijk arm, open ons voor God, maak ons beschikbaar en bereid. Leer ons zwijgen, beminnen, ontvangen.
Amen.