Lezingen van de dag – maandag 2 april 2018


Heilige (of feest) van de dag

Franciscus a Paola († 1508)

Franciscus a Paola, Plessis, Frankrijk; ordestichter

Franciscus is genoemd naar Franciscus van Assisi. Zijn ouders waren zeer arme mensen. Ze woonden in Paola, een klein plaatsje aan de Calabrische kust ten zuiden van Napels. Geruime tijd bleef hun huwelijk kinderloos. Vandaar, dat ze de inspraak van Franciscus van Assisi inriepen en God om een kind vroegen. Toen dan ook enige tijd daarna een kind geboren werd, beschouwden ze dat als een regelrechte gebedsverhoring, en noemden het naar Franciscus van Assisi.

Van jongs af aan bleek het kind gevoelig voor de dingen van God. Het vastte veel en leidde een zeer sober leven. Het werd voor een religieuze opvoeding toevertrouwd aan de franciscaner monniken van een klooster uit de buurt. Op 15-jarige leeftijd trok hij zich in de eenzaamheid terug in een grot om het leven van een kluizenaar te leiden. Hij sliep op de rotsgrond, at de planten en kruiden die hij in het naburig bos vond, of soms van wat zijn vrienden hem brachten. Veel was het in ieder geval niet. Nog voor zijn 20e sloten zich twee andere jongemannen bij hem aan. Deze harde leefgemeenschap groeide uit tot een heuse religieuze orde, welke in 1436 werd gesticht en in 1474 officieel goedgekeurd: de Minimi of Miniemen; zo genoemd, omdat zij werkelijk de minsten wilden zijn naar het voorbeeld van Jezus.

Er werd een huis gebouwd, en een grote kerk; en er ontstond steeds meer toeloop. Maar de levenswijze bleef streng: men sliep op een matje op de rotsgrond; een blok hout of grote steen diende als hoofdkussen; men sliep niet meer dan strikt noodzakelijk was; men gebruikte één maaltijd per dag, en deze bestond meestal alleen uit water en brood. Bereidde men zich voor op een feestdag, dan at men de twee dagen tevoren meestal helemaal niets. Franciscus betreurde het, dat de regels voor de vasten in de Kerk telkens weer verslapten; hij was ervan overtuigd, dat de gelovigen de weldaad van consequent vasten en het zich ontzeggen van allerlei levensbehoeften niet beseften.

Over Franciscus worden wonderlijke verhalen verteld. In de jaren 1447, 1448 en 1449 zou hij bij herhaling de verovering van Constantinopel door de Turken hebben voorspeld: deze vond inderdaad plaats in 1453. Er zijn zelfs heel wat officiële documenten bewaard gebleven, waarin met bijna wetenschappelijke bewijzen wordt gestaafd hoe vaak hij allerlei kerkelijke en maatschappelijke gebeurtenissen had voorspeld. Daarnaast zijn er ook genezingen en andere wonderen bekend.

Eens kwam een hoge ambtenaar naar hem toe om hem duidelijk te maken, dat al te grote gestrengheid in het geestelijk leven tot misgroei en zelfs hoogmoed kon leiden. Franciscus hoorde hem geduldig en vriendelijk aan, en ging zeer liefdevol in op de opmerkingen van de man. Maar deze was zichtbaar niet overtuigd. Daarop nam Franciscus een vurige kool uit het brandende vuur en hield deze geruime tijd in zijn hand voor de ogen van de ambtenaar, en hij zei: “Alle schepselen gehoorzamen aan mensen die God met een zuiver hart dienen.”

Koning Lodewijk XI van Frankrijk († 1483) lag doodziek in zijn verblijf te Plessis. Maar de zucht naar het leven was zo sterk, dat hij niet alleen koning Ferdinand van Napels, maar ook de Paus de opdracht gaf de beroemde Franciscus naar hem toe te sturen; met de bedoeling dat deze hem zou genezen, en hem zou redden van een vroegtijdige dood. Hij loofde een hoge beloning uit voor de eerste die hem zou komen berichten, dat Franciscus voet op Franse bodem had gezet, en stuurde vervolgens de kroonprins op hem af bij wijze van geleide. Op 24 april 1482 kwam de man Gods in Plessis aan. De koning kwam zelf naar buiten om hem te begroeten. Hij viel hem te voet en smeekte, dat hij God zou vragen om een langer leven voor hem, de koning van Frankrijk. Maar Franciscus antwoordde ter plekke, dat hij zoiets nooit zou beloven; en bracht hem vervolgens onder ogen, dat het leven van een koning evenzeer aan een bepaalde grens gebonden was als dat van de allerlaagst geplaatste mens. Het zag er naar uit, dat Gods besluit met hem, Lodewijk, vaststond. De koning deed er beter aan zich bij de feiten neer te leggen en de resterende tijd te gebruiken om zich op gepaste wijze voor te bereiden op zijn dood. Dat deed de koning, zodat deze in vrede afscheid kon nemen van zijn vrouw en kinderen: hij stierf in de armen van Franciscus op 30 augustus van hetzelfde jaar.

Zijn zoon en opvolger, Karel VIII, vatte een grote bewondering voor hem op, en overlaadde hem met gunsten. Hij bouwde overal kloosters voor hem, en zorgde aldus voor een geweldige verbreiding van zijn orde. Franciscus bleef in Plessis. In die tijd was hij onder meer geestelijk leidsman van de zalige Margaretha van Lotharingen († 1521; feest 2 november). Tenslotte stierf hij te Plessis op 2 april 1508, ruim 91 jaar oud.

Reeds in 1519 werd hij officieel heilig verklaard.
Zijn relieken werden tijdens de woelingen van de Reformatie op een 13e april door ketters verbrand.

Hij is patroon van de kluizenaars en  sinds 1943 van de Italiaanse zeelieden (ooit zou hij bij gebrek aan een boot op zijn mantel de zee naar Sicilië zijn overgestoken); hij wordt met name aangeroepen door onvruchtbare echtparen om kinderen te krijgen, in tijden van lijden, en tegen de pest.

Hij wordt afgebeeld in een zwart religieus habijt, waarvan de kraag tot over de gordel omlaag valt. Vaak met het woord ‘glorie’ ergens op de afbeelding, meestal boven hem; of als asceet met gesel, boek en doodskop.

Paasmaandag


Uit de Handelingen van de Apostelen 2, 14 + 22-32

We maken hier kennis met Petrus’ eerste prediking tot het volk. De Petrus van de verloocheningsnacht is dood: dit is een Petrus die niet kàn zwijgen. Wie werkelijk gelooft dat Jezus lééft, gaat getuigen in blijdschap en vreugde. Het leven van de christen krijgt een andere kleur door de paaservaring: de ervaring van het nieuwe leven.

Petrus trad naar voren, samen met de elf andere apostelen, verhief zijn stem en sprak de menigte toe:
‘U, Joden en inwoners van Jeruzalem, luister naar mijn woorden en neem ze ter harte. Israëlieten, luister naar wat ik u zeg: Jezus uit Nazaret is door God tot u gezonden, hetgeen gebleken is uit de grote daden en de wonderen en tekenen die God, zoals u bekend is, door zijn toedoen onder u heeft verricht.
Deze Jezus, die overeenkomstig Gods bedoeling en voorkennis is uitgeleverd, hebt u door heidenen laten kruisigen en doden. God heeft Hem echter tot leven gewekt en de last van de dood van Hem afgenomen, want de dood kon zijn macht over Hem niet behouden.
David zegt immers over Hem: “Steeds houd ik de Heer voor ogen, Hij is aan mijn zijde, ik wankel niet. Daarom verheugt zich mijn hart en jubelt mijn tong van blijdschap. Ja, mijn lichaam zal behouden blijven, want u zult mij niet overleveren aan het dodenrijk en het lichaam van uw trouwe dienaar zal niet tot ontbinding overgaan. U hebt mij de weg naar het leven getoond, uw nabijheid zal mij vervullen met vreugde.”
Broeders en zusters, u zult mij wel toestaan dat ik over de aartsvader David zeg dat hij gestorven en begraven is; zijn graf bevindt zich immers nog steeds hier.
Maar omdat hij een profeet was en wist dat God hem onder ede beloofd had dat een van zijn nakomelingen zijn troon zou bestijgen, heeft hij de opstanding van de messias voorzien en gezegd dat deze niet aan het dodenrijk zou worden overgeleverd en dat zijn lichaam niet tot ontbinding zou overgaan.
Jezus is door God tot leven gewekt, daarvan getuigen wij allen.’

 

Psalm 16, 1 + 2a + 5 + 7 + 8 + 9 + 10 + 11

Refr.: Behoed mij, God, ik schuil bij U.

Behoed mij, God, ik schuil bij U.
Ik zeg tot de Heer: U bent mijn Heer.

Heer, mijn enig bezit, mijn levensbeker,
U houdt mijn lot in handen.

Ik prijs de Heer die mij inzicht geeft,
zelfs in de nacht spreekt mijn geweten.

Steeds houd ik de Heer voor ogen,
met Hem aan mijn zijde wankel ik niet.

Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn ziel,
mijn lichaam voelt zich veilig en beschut.

U levert mij niet over aan het dodenrijk
en laat uw trouwe dienaar het graf niet zien.

U wijst mij de weg naar het leven:
overvloedige vreugde in uw nabijheid,
voor altijd een lieflijke plek aan uw zijde.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 28, 8-15

Het lege graf van Jezus is voor sommigen bron van verbazing, geloof, vreugde en hoop, voor anderen bron van ergernis, ongeloof en tegenwerking. Maar elke mens moet tenslotte stelling nemen. Wie gelooft, zoals de vrouwen, brengt ook vandaag de boodschap van vandaag naar de mensen. Als men louter met het verstand tracht te zien, gelooft men evenwel nog niet. Men moet zich gewonnen geven aan en in de Geest, met het hart. En ernaar leven…

Ontzet en opgetogen verlieten de vrouwen haastig het graf om het aan Jezus’ leerlingen te gaan vertellen.
Op dat moment kwam Hij hun tegemoet en groette hen.
Ze liepen op Hem toe, grepen zijn voeten vast en bewezen Hem eer.
Daarop zei Jezus: ‘Wees niet bang. Ga mijn broeders vertellen dat ze naar Galilea moeten gaan, daar zullen ze mij zien.’
Terwijl de vrouwen onderweg waren, gingen enkele van de bewakers naar de stad. Daar vertelden ze de hogepriesters alles wat er gebeurd was. Die vergaderden met de oudsten en besloten de soldaten een flinke som geld te geven en hun op te dragen: ‘Zeg maar: “Zijn leerlingen zijn ‘s nachts gekomen en hebben Hem heimelijk weggehaald terwijl wij sliepen.” En mocht dit de prefect ter ore komen, dan zullen wij hem wel bepraten en ervoor zorgen dat jullie buiten schot blijven.’
Ze namen het geld aan en deden zoals hun was opgedragen. En tot op de dag van vandaag doet dit verhaal onder de Joden de ronde.

Van Woord naar leven

De twee Maria’s hadden vernomen van de engel dat Jezus opgestaan was uit de dood. Hij zond hen naar de leerlingen waar ze de Blijde Boodschap van de verrezen Heer moesten gaan verkondigen en dat ze Hem in Galilea zullen ontmoeten. Ontzet en opgetogen verlieten ze het graf en snelden naar de leerlingen. Op dat moment, zo lezen we, kwam Jezus hun tegemoet en groette hen. Ze liepen op Hem toe, grepen zijn voeten vast, en bewezen Hem alle eer. Wat een vreugde moet deze ontmoeting gekenmerkt hebben; een diepe zalige vreugde.

Lieve mensen, wij zijn niet de twee Maria’s waarover we vandaag hoorden, de twee Maria’s die de eer hadden als eersten de verrezen Heer te mogen ‘zien’. Maar de ontmoeting die wij met de Heer mogen hebben is in wezen niet anders dan de ontmoeting tussen de Heer en zijn twee Maria’s.

In elkaar, in situaties, in appéls, in het Woord, in de sacramenten, in de natuur, in de stilte, in gezang, in de vreugde, in de vrede, in de vergeving, in de verzoening,… ontmoeten wij de verrezen Heer. Doorheen dit alles komt Hij ons tegemoet, groet Hij ons ten diepste, verenigd Hij zich met ons. Geeft deze ontmoeting ons ook die diepe innerlijke vreugde… of doet het ons nog weinig…

Het is en blijft waar: we moeten die vreugde niet spelen, we mogen haar niet zelf maken, maar we moeten ons hart wel alle ruimte geven zodat de paasvreugde er zijn intrek kan nemen, en wel ten volle.

Het gaat hier om een vreugde die haar wortels vindt in de Heer zelf, in zijn opstanding, een vreugde die zich afspeelt in de warmte van de Geest, in de aanraking van de Vader doorheen de Zoon aan ons.

Het is een vreugde van de stille soort, een vreugde diep vanbinnen, een vreugde zonder al teveel uiterlijk alleluia. Het is een vreugde die ons diep in de Heer aanwezig houdt, zoals Hij in ons aanwezig is. Het is een vreugde die ons hele zijn zal verkwikken, fris zal maken, en ons zal aanzetten Jezus’ liefde te belichamen, haar te verkondigen in daad en woord.

Oh heilige vreugde, moge gij ook in ons aanwezig zijn door onze ontmoeting met de verrezen Christus. Wees onze diepste stuwing te leven in Gods liefde. Amen.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Opgestane Heer,
vervul ons
met uw verrijzenisvreugde-
en vrede,
opdat wij Gods lied van minne
mogen bezingen.
Dag na dag.
Groeiend in U.
Amen.