Lezingen van de dag – maandag 24 juli 2017


Heilige (of feest) van de dag

Charbel Makhlouf († 1898)

Annaya, Libanon; monnik

Hij wordt op 8 mei 1828 geboren te Beqa Kafra in de Libanon. Zijn familie bestaat uit eenvoudige, gelovige, hard werkende mensen. Zijn vader is boer; een van diens zussen is kloosterzuster; daarnaast heeft Joessoef nog twee ooms die monnik zijn.
Als hij drieëntwintig is, geeft hij op zijn beurt te kennen monnik te willen worden. Bij het afscheid zou zijn moeder hem gezegd hebben: “Als je geen góede religieus wilde worden, zou ik zeggen: Jongen, kom naar huis. Maar ik besef nu dat de Heer je vraagt in zijn dienst. En in mijn verdriet van je gescheiden te zijn, doe ik en stap terug en zeg ik je: Moge Hij je zegen, mijn jongen, en een heilige van je maken.”
Hij treedt toe tot het Maronitische Onze-Lieve-Vrouweklooster te Maifuq en neemt de kloosternaam aan van Charbel naar een heilige uit de eerste eeuwen van het christendom († 101; feest 29 januari).
Enige tijd later verhuist hij naar het verder af gelegen St-Maroklooster te Annaya. In 1851 legt hij zijn eeuwige geloften af en in 1859 wordt hij priester gewijd. Zestien jaar lang woont hij in de kloostergemeenschap.
De laatste drieëntwintig jaar trekt hij zich verder in de eenzaamheid terug om het leven te leiden van een kluizenaar. Toch weten ook daar de mensen hem te vinden.
Dat gaat na zijn dood onverminderd door: men komt bidden op zijn graf en vraagt voor allerhande noden om zijn voorspraak in de hemel.

Hij is heilig verklaard in 1977.

maandag in week 16 door het jaar


Uit het boek Exodus 14, 5-18

De Israëlieten worden achternagezeten door de Egyptenaren. Als ze dit merken, beginnen ze te morren tegen Mozes omdat hij hen niet in Egypte gelaten heeft. Zij worden echter aangemaand te blijven geloven in God. Hij zal hen helpen. De profeet gelooft in Gods wegen zelfs al voeren die door de woestijn. In zijn ongeloof verkiest het volk de betrekkelijke zekerheid van Egypte boven de weg van God waar het zijn bestaabn voor op het spel moet zetten.

Toen aan de farao, de koning van Egypte, bericht werd dat het volk gevlucht was, kregen hij en zijn hovelingen spijt. ‘Hoe konden we Israël zomaar laten vertrekken!’ zeiden ze. ‘Nu zijn we onze slaven kwijt.’
De farao liet zijn strijdwagen inspannen en verzamelde zijn krijgsvolk. Hij nam de zeshonderd beste wagens van Egypte mee, en ook alle andere, stuk voor stuk bemand met officieren.
De Heer zorgde ervoor dat de farao, de koning van Egypte, onverzettelijk bleef, zodat hij de achtervolging van de Israëlieten inzette, die onbevreesd vertrokken waren.
De Egyptenaren achtervolgden hen, en haalden hen in bij Pi–Hachirot, waar het volk van Israël zijn kamp had opgeslagen, dicht bij de zee, tegenover Baäl–Sefon. Toen de Israëlieten de farao zagen naderen, met al zijn paarden, wagens en ruiters en al zijn voetvolk, werden ze doodsbang en riepen ze de Heer luidkeels om hulp. Ze zeiden tegen Mozes: ‘Waren er soms in Egypte geen graven, dat u ons hebt meegenomen om in de woestijn te sterven? Hoe kon u ons dit aandoen! Waarom hebt u ons uit Egypte weggehaald? Hebben we niet al in Egypte gezegd: “Laat ons toch met rust, laat ons maar als slaven voor de Egyptenaren werken, want dat is altijd nog beter dan om te komen in de woestijn”?’
Maar Mozes antwoordde het volk: ‘Wees niet bang, wacht rustig af. Dan zult u zien hoe de Heer vandaag voor u de overwinning behaalt. De Egyptenaren die u daar nu ziet, zult u hierna nooit meer terugzien. De Heer zal voor u strijden, u hoeft zelf niets te doen.’
De Heer zei tegen Mozes: ‘Waarom roep je mij te hulp? Zeg tegen de Israëlieten dat ze verder trekken. Jij moet je staf geheven houden boven de zee en zo het water splijten, zodat de Israëlieten dwars door de zee kunnen gaan, over droog land. Ik zal de Egyptenaren onverzettelijk maken zodat ze hen achterna gaan, en dan zal ik mijn majesteit tonen door de farao en zijn hele leger, zijn wagens en zijn ruiters, ten val te brengen. De Egyptenaren zullen beseffen dat Ik de Heer ben, als ik in mijn majesteit de farao, met al zijn wagens en ruiters, ten val heb gebracht.’

 

Exodus 15, 1-6

Refr.: De Heer bezing ik, de overwinnaar.

Ik wil zingen voor de Heer,
zijn macht en majesteit zijn groot !

Paarden en ruiters wierp Hij in zee.
De Heer is mijn sterkte, hij is mijn beschermer.

De Heer kwam mij te hulp.
Hij is mijn God, Hem wil ik eren.

De God van mijn vader, Hem loof en prijs ik.
Zijn naam is Heer, Hij is een krijgsheld.

De wagens van de farao slingerde Hij in zee.
Daar, in de Rietzee, verdronk het leger,
zijn beste officieren kwamen om.

Wild kolkend water overspoelde hen,
ze verdwenen in de diepte, zonken als een steen.

Uw hand, Heer, ontzagwekkend in kracht,
uw hand, Heer, verplettert de vijand.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 12, 38-42

Zoals vele mensen vroegen ook de Farizeeën een teken van Christus’ zending. Hij geeft er geen tenzij het teken van zijn verrijzenis waarop Hij in bedekte termen een toespeling maakt aan de hand van Jona. Tegelijk prijst Hij diegenen die geloofden op een eenvoudig mensenwoord en zich niet verzetten zoals de Farzeeën.

Op zekere dag richtten enkele schriftgeleerden en Farizeeën enkele woorden tot Jezus: ‘Meester, we zouden graag een teken van U zien.’
Hij antwoordde: ‘Dit is een verdorven en trouweloze generatie. Ze verlangt een teken, maar zal geen ander teken krijgen dan dat van de profeet Jona. Want zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van een grote vis zat, zo zal de Mensenzoon drie dagen en drie nachten in het binnenste van de aarde verblijven. Op de dag van het oordeel zullen de Ninevieten samen met deze generatie opstaan en haar veroordelen; want zij hadden zich bekeerd na de prediking van Jona, en hier ziet u iemand die meer is dan Jona! Op de dag van het oordeel zal de koningin van het Zuiden samen met deze generatie opstaan en haar veroordelen; want zij was van het uiteinde van de aarde gekomen om te luisteren naar de wijsheid van Salomo, en hier ziet u iemand die meer is dan Salomo!’

Van Woord naar leven

‘Hier ziet u iemand die meer is dan Salomo!’…

De Ninevieten hadden zich bekeerd na de prediking van Jona, terwijl velen die Jezus zagen (die zoveel meer is dan Salomo) niet tot inkeer kwamen. Nog meer: zij vroegen alsmaar tekens, zonder tot geloof te komen. En dat maakte Jezus droevig, zelfs kwaad. Begrijpelijk.

Want wat heeft God aan mensen die louter uit zijn op uiterlijke genezing van zichzelf, terwijl ze zich vanbinnen niet willen laten aanraken, laten genezen.

Het gaat ook niet om de tekens op zich. Hoewel de tekens die Jezus stelde (de vele genezingsverhalen uit de evangelies) van groot belang waren. Maar ze verwezen altijd naar een binnenkant; een binnenkant waar het uiteindelijk om te doen was. Wie aan dit laatste voorbij ging had niet door waar het bij Jezus om ging.

Als Jezus de dag van vandaag tekens stelt … laten we er blij en dankbaar om zijn. Maar laten we er ons niet op blind staren. Net als toen gaat het om de binnenkant: afstand nemen van het kwaad, gekeerd leven naar de Vader, leven in ontmoeting met Hem, van Hem genade ontvangen, leven in zijn liefde. Dat is het wezen.

Laat ons mensen zijn van de binnenkant, om van binnen naar buiten toe Gods liefde te bezingen.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer Jezus, goede Broer,
leer ons mensen te zijn die leven vanuit hun innerlijk, vanuit de plaats waar Gij woont en ons in U trekt. Leer ons te leven van binnen naar buiten, verenigd met U, Gods liefde zingend naar allen die Hij ons toevertrouwt.
Amen.