Lezingen van de dag – maandag 25 juni 2018


Heilige (of feest) van de dag

Dorothea van Monteau († 1394)

Dorothea van Montau (ook van Marienwerder, van Pruisen, de Prussia, Schwartz of Swartz), Marienwerder, Pruisen; weduwe, kluizenares & mystica

Dorothea werd geboren te Gross-Montau aan de Weichsel in West-Pruisen op 6 februari van het jaar 1347; zij is dus genoemd naar de patrones van haar geboortedag. Het schijnt dat zij één van negen kinderen was. Haar ouders waren welgestelde boeren. Op haar zestiende trad zij in het huwelijk met een zekere Adalbert en ging met hem wonen in de Oost-Pruisische stad Dantzig. Haar man was zwaardveger van beroep. Alszodanig was hij in dienst van de teutoonse ridders die de Pruisen onderworpen en gekerstend hadden. Ook zij kregen negen kinderen, van wie er tenslotte maar één in leven bleef, een meisje. Dat zou later intreden bij de benedictinessen; ze leefde nog toen haar moeder in 1404 tot de eer der altaar werd verheven en dus officieel als heilige werd erkend door de plaatselijke bisschop.

De bronnen zijn het niet helemaal eens over het echtelijke leven. Er zijn er die zeggen dat het echtpaar een voorbeeldig leven geleid heeft. Anderen zeggen dat het huwelijk juist stroef verliep. Haar man zou opvliegend en kortzichtig van aard geweest zijn. Zijn handen zaten nogal los. Desondanks – of misschien wel juist daardoor? – ondernamen zij samen meerdere pelgrimsreizen, o.a. naar Aken en Einsiedeln. Tot het moment dat haar man er te oud voor werd: ze scheelden twintig jaar. Zo kwam het dat Dorothea in het jaar 1389 zonder haar man als pelgrim naar Rome trok om aanwezig te kunnen zijn bij het jubeljaar in 1390. Onderweg bedelde deze vrouw van voorname komaf haar brood bij elkaar. Ze had nauwelijks oog voor de schoonheid van het landschap, omdat ze in God verzonken was. In Rome werd ze behoorlijk ziek en moest een aantal weken verpleegd worden in het gasthuis van Maria Auxiliatrix. Toen ze na lange tijd weer thuiskwam kreeg ze te horen dat haar echtgenoot al sinds enkele maanden was overleden.

Nu kon ze alsnog toekomen aan haar diepste verlangen: zich terugtrekken in de eenzaamheid om zich helemaal aan een leven met God te wijden. Het was eigenlijk altijd al haar liefste wens geweest om in een klooster te treden. Ze was destijds dan ook alleen maar getrouwd om haar ouders niet teleur te stellen. Zou daar toch ook niet een oorzaak gelegen hebben van het soms zo moeizaam verlopen huwelijk, ook al zal zij loyaal geprobeerd hebben haar huwelijksbelofte trouw na te komen?

Nu trad ze toe tot de kloostergemeenschap van Marienwerder, waar zij sinds 1391 geestelijke leiding ontving van Johannes van Marienwerder. Na een zware proeftijd van twee jaar liet zij zich op 2 mei 1393 als kluizenares inmetselen in een cel die tegen de muur van de kerk was aangebouwd. Deze ruimte was twee meter in het vierkant en drie meter hoog; er zaten drie venstertjes in. Het eerste keek uit op de hemel, het tweede op het altaar in de kerk vanwaar zij de communie ontving en het derde op het kerkhof. Door dat laatste raam schoven gelovigen haar voedsel toe.

Daar kwamen ook vele mensen, van hoog tot laag, haar raad inwinnen. Het was ook in die besloten ruimte dat zij zich met hart en ziel toelegde op het enige waarvoor zij nog leefde: het gebed. Hartstochtelijk zocht zij niets anders dan de vereniging met God. Daarbij ontving ze bijzondere mystieke genaden. Het opvallendste was wel dat zij de stigmata droeg. Zozeer wist zij zich één met haar geliefde Heer. Omdat zulk een leven haar lichaam uitputte en haar krachten sloopte, stierf ze al ruim een jaar later: 25 juni 1394. Haar leidsman schreef later op wat zij hem had verteld over alles wat zij in haar gebed doormaakte.

Zij is patrones van Pruisen en van de Duitse Orde.

° Bron: Heiligen.net

maandag in week 12 door het jaar


Uit het tweede boek Koningen 17, 5-8 + 13-15a + 18

De schrijvers van het Oude Testament zien de geschiedenis van God met zijn volk op lange termijn. De onderdrukking van een deel van het rijk, zien zij als een straf voor de ontrouw van het volk, dat andere goden ging vereren, ondanks dat God hen had bevrijd uit Egypte.

In die dagen ondernam Salmanassar, de koning van Assur, een veldtocht tegen het land.Hij trok op tegen Samaria en belegerde de stad drie jaar lang. In het negende regeringsjaar van Hosea nam de koning van Assyrië Samaria in. Hij voerde de Israëlieten als ballingen mee naar Assyrië. Sommigen wees hij een woonplaats aan in Chalach, anderen aan de rivier de Chabor in Gozan, en weer anderen in de steden van Medië.
Dit alles gebeurde omdat de Israëlieten zondigden tegen de Heer, hun God, die hen had bevrijd uit de handen van de farao, de koning van Egypte, en hen uit Egypte had weggeleid. Ze waren andere goden gaan vereren en volgden de levenswijze van de volken die de Heer voor hen verdreven had en de bepalingen die de koningen van Israël zelf uitvaardigden.
Telkens opnieuw vermaande de Heer Israël en Juda bij monde van de profeten en de zieners: ‘Keer terug van jullie dwaalwegen en houd je aan mijn geboden en bepalingen, aan de wet die Ik jullie voorouders heb opgelegd en die jullie door mijn dienaren de profeten is overgeleverd.’
Maar even halsstarrig als hun voorouders, die geen vertrouwen stelden in de Heer, hun God, weigerden de Israëlieten te luisteren. Ze trokken zich niets aan van zijn bepalingen en van het verbond dat Hij met hun voorouders had gesloten, en sloegen zijn waarschuwingen in de wind. Ze liepen achter nietige goden aan en werden zo zelf nietswaardig.
De Heer werd woedend op de Israëlieten en verstootte hen. Niets bleef er van hen over, behalve de stam Juda.

 

Psalm 60, 3 + 4 + 5 + 12 + 13

Refr.: Reik ons uw hand, Heer, hoor ons gebed.

God, U hebt ons verstoten, ons uiteengeslagen,
uw toorn over ons uitgestort. Keer ons lot ten goede.

U hebt het land geschokt en gespleten,
genees zijn scheuren, want het stort ineen.

U hebt uw volk zwaar laten lijden,
ons een bittere wijn laten drinken.

Bent U het niet, God, U die ons verstoten had,
voert U niet, God, onze legers aan ?

Sta ons bij tegen de vijand,
de hulp van mensen is vergeefs.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 7, 1-5

Wij zullen geoordeeld worden in de mate wij anderen oordelen. Dit evangelie nodigt ons dringend uit anderen niet zonder reden te veroordelen maar eerst voor eigen deur te vegen. Anders worden wij onoprecht en huichelachtig.

Jezus zei tot zijn leerlingen:
‘Oordeel niet, opdat er niet over jullie geoordeeld wordt. Want op grond van het oordeel dat je velt, zal er over je geoordeeld worden, en met de maat waarmee je meet, zal jou de maat genomen worden.
Waarom kijk je naar de splinter in het oog van je broeder of zuster, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt? Hoe kun je tegen hen zeggen: “Laat mij de splinter uit je oog verwijderen ”, zolang je nog een balk in je eigen oog hebt? Huichelaar, verwijder eerst de balk uit je eigen oog, pas dan zul je scherp genoeg zien om de splinter uit het oog van je broeder of zuster te verwijderen.’

Van Woord naar leven

‘Waarom kijk je naar de splinter in het oog van je broeder of zuster, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt? Hoe kun je tegen hen zeggen: “Laat mij de splinter uit je oog verwijderen ”, zolang je nog een balk in je eigen oog hebt? Huichelaar, verwijder eerst de balk uit je eigen oog, pas dan zul je scherp genoeg zien om de splinter uit het oog van je broeder of zuster te verwijderen.’
Zo zegt Jezus ons vandaag.

Jezus zegt niet dat we de splinter in het oog van onze broeder of zuster niet mogen zien. Wat Hij zegt is dat we eerst de balk uit ons eigen oog moeten verwijderen, om daarna, met een geheel ander, een geheel nieuw zicht, naar de splinter in het oog van de naaste te kunnen kijken. Dat geheel ander zicht wordt ‘scherp zicht’ genoemd. Dat wil dus zeggen dat voorheen (dus voordat we de balk uit ons eigen oog hebben verwijderd) ons zicht niet scherp was; wazig dus, niet helder.

De eigen zonde belet ons dus zuiver, of scherp, te zien. Wie zondig leeft, dus met een balk in zijn oog (om in het taalgebruik van vandaag te blijven), is vervreemd van God, en kijkt dus naar de ander zijn zonden als een vervreemde van God, verwijderd van God, los van God. Hij vormt dus een oordeel los van God, wat gevaarlijk is. Want Gods oordeel is niet ons oordeel.

Trouwens, wij hoeven helemaal niet te oordelen. Jezus is duidelijk daarover: ‘Oordeel niet’. Dat is klare taal. Zelfs Jezus zelf is niet gekomen om te oordelen, zo lezen we elders, maar om te zoeken en te redden wat verloren is.

Als Jezus het al heeft over iemand die zondigt, dan is dat altijd met een hart vol zorg, met een diep medelijden, met vurig verlangen dat de zondaar zich afkeert van de zonde om zich weer tot God te wenden. Dit laatste is iets heel anders dan een oordeel. Het is pure liefde: een liefde die haar wortels heeft in God zelf.

Mensen, een voorstel: Laten we in de eerste plaats ervoor zorgen dat we zelf zondeloos leven. Of laten we ons best daartoe doen. En moest het ons niet lukken, laten we dan de Heer vragen ons hierin te helpen, van dag op dag, met vallen en opstaan.
En moesten we, vanuit deze weg van bekering, zien dat anderen ‘zondigen’, laten we dan naar hen kijken met het hart van Jezus: niet oordelend, maar met een diepe zorg. Laten we van harte broederschap aangaan met de zondaar, en als het kan, het goede gesprek met hem voeren. Niet vanuit een positie als meerdere of de betere, maar als een werkelijke broeder of zuster. Doe het in diepe verbondenheid met de Heer.

En bid voor je jezelf, en je naaste.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer Jezus,
trek ons in de warmte van uw barmhartigheid, in de liefdevolle blik van uw ogen, in de minne van uw hart. Opdat wij nooit zouden oordelen. Nooit. Help ons de balk uit ons eigen oog te verwijderen. Ja, help ons afstand te nemen van welke zonde ook. En leer ons, moesten we iemand ontmoeten die fout bezig is, naar hem te zien vanuit U, Hem te ontmoeten in uw vrede, voor hem te bidden in uw Geest.
Mogen we ieder omarmen in U, opdat elkeen de liefde mag vinden van God.
Amen. Ja, amen.