Lezingen van de dag – maandag 26 september 2016


Heilige (of feest) van de dag

Cosmas en Damianus van Cyrrhus09-26-0303-cosmas_4
(+ ca 303)

Cosmas van Cyrrhus, Mesopotamië (ook van Aegae, Cilicië, Klein-Azië = Huidig Turkije); arts & martelaar met zijn collega & broer Damianus & hun broers Anthimus, Leontius en Euprepius

Legende / (uit: Legenda Aurea door Jacques de Voragine / † 1298)

1. Cosmas en Damianus waren broers. Ze waren afkomstig uit de stad Aegae. Hun moeder was een vrome vrouw en heette Theodota. Ze studeerden medicijnen en kregen daarbij van de Heilige Geest zoveel bijstand dat zij alle ziekten en kwalen wisten te genezen. Niet alleen bij mensen, maar zelfs bij paarden. Nooit lieten zij toe dat zij voor hun zorgen betaald werden. Zo was er een vrouwe, Palladia genaamd, die al haar geld had uitgegeven aan geneesmiddelen; ten einde raad kwam zij de beide broers consulteren, die haar prompt wisten te genezen.

Uit dankbaarheid bood ze Damianus een heel bescheiden geschenkje aan. Eerst weigerde hij, maar uiteindelijk nam hij het toch aan, niet uit hebzucht, maar omdat de vrouw zo vriendelijk aandrong. Maar toen Cosmas ervan hoorde, gaf hij te kennen dat hij na zijn dood niet bij zijn broer in hetzelfde graf begraven wenste te worden. In de daarop volgende nacht verscheen hem de Heer zelve, en Hij zei dat er geen kwaad in stak dat zijn broer het geschenkje had aangenomen.
Ze werden zo beroemd dat ook de proconsul, Lysias, van hen hoorde. Hij liet ze voor zich verschijnen en hij informeerde naar hun naam, hun land van herkomst en hun rijkdommen. De heilige mannen gaven ten antwoord:
“Wij heten Cosmas en Damianus. Wij hebben nog drie broers: Anthimus, Leontius en Euprepius. Wij zijn afkomstig uit Arabië. Maar rijkdom, die hebben christenmensen niet.”
De proconsul liet ook de drie broers ontbieden. Zij weigerden de afgoden de verschuldigde eer te bewijzen.

Daarom liet hij hun handen en voeten met klinknagels doorboren. Maar zij dreven de spot met zijn martelingen. Toen liet hij hen omhangen met dikke zware kettingen en zo in zee gooien. Maar een engel schoot te hulp en haalde ze eruit, en zo kwamen ze weer voor de proconsul te staan. Deze riep uit:
“Jullie moeten wel grote tovenaars zijn dat je zulke trucs weet uit te halen. Leer mij die ook, in naam van mijn goden!”
Hierop verschenen er twee demonen die hem vastgrepen en hem fors in zijn gezicht sloegen. Hij wendde zich nu tot de twee heiligen:
“Vrienden, hebt medelijden met mij en bidt voor mij tot jullie God.”
Zij hieven een gebed aan en onmiddellijk sloegen de demonen op de vlucht. Toen merkte Lysias op:
“Zie je nou hoe geërgerd mijn goden zijn, alleen omdat ik maar even dacht hen te laten vallen? Ik zal het dus niet meer laten passeren, als jullie ze beledigen.”
Toen liet hij ze in een groot vuur werpen. Maar de vlammen deerden hen niet, ze verteerden echter wel een flink aantal heidenen die eromheen stonden te kijken.

Ze werden vastgebonden aan een schildersezel om gegeseld te worden, maar een engel wist hen te vrijwaren van alle pijn. Tenslotte werden de beulen zo moe dat ze vanzelf ophielden. Toen liet de proconsul de drie broers van de heiligen arresteren en in de gevangenis werpen, terwijl hij hun tweeën op een kruis liet stenigen. Maar de stenen die men naar hen toe gooide, zeilden terug naar de werpers zelf en verwondden zo een flink aantal mensen. Nu werd de proconsul zo witheet van woede dat hij de drie broers uit de gevangenis liet halen; vervolgens gaf hij opdracht de twee op het kruis met pijlen de doorzeven. Maar de pijlen die op hen afgeschoten worden keerden in de lucht weer om in de richting van degenen die ze afgeschoten hadden. Toen moest de proconsul zijn nederlaag wel inzien en hij liet ze alle vijf bij zonsopgang onthoofden.

De christenen hadden de woorden van Cosmas goed onthouden en maakten aanstalten om hem niet bij zijn andere broers in het graf te leggen. Maar plotseling begon een kameel met een menselijke stem te spreken en hij beval hun dat ze alle vijf bij elkaar begraven moesten worden. Dit alles vond plaats tijdens de regering van keizer Diocletianus.

2. Eens was een boer vermoeid van de oogst op zijn land in slaap gevallen. Tijdens zijn slaap kroop een slang door zijn mond naar binnen. Bij het wakker worden merkte hij niets en ging gewoon naar huis. Maar ’s avonds kreeg hij ondraaglijke pijn. Nu riep hij de heilige Cosmas en Damianus aan en ging naar hun kerk. Daar aangekomen kwam de slang weer naar buiten zoals hij naar binnen was gegaan.

3. Eens ging een man op weg voor een lange reis. Zijn vrouw beval hij aan in de zorgen de heilige Cosmas en Damianus. Toen sprak hij met haar een bepaald teken af: als iemand dat voor haar zou maken, zou zij weten dat het van hem afkomstig was en dat hij haar bij zich wilde laten komen. Maar de duivel had de afspraak van dat teken gezien. Hij begaf zich dus naar die vrouw, maakte het afgesproken teken en zei dat hij haar namens haar man kwam halen. Maar zij aarzelde:
“U maakt wel het goede teken, maar ik geloof het pas echt, als u wilt zweren bij de heilige martelaren Cosmas en Damianus, want aan hun zorgen heeft mijn man mij toevertrouwd.”
De duivel zwoer daarbij en nu ging die vrouw met hem mee. Maar toen ze eenmaal onbewoonde streken hadden bereikt, had zij in de gaten dat hij haar van zijn paard wilde afgooien met de bedoeling om haar te doden.
Zij zette het op een roepen:
“Heilige Cosmas en Damianus, help mij! Want toen ik met deze man meeging, heb ik me in feite aan u toevertrouwd.”
Onmiddellijk schoten de beide heiligen te hulp temidden van in het wit geklede troepen. Zij verdreven de duivel en zorgden ervoor dat hij er met de staart tussen zijn benen vandoor ging.

4. De Beentransplantatie
Paus Felix liet te Rome een grote kerk bouwen ter ere van de beide heiligen. De oppasser van deze kerk had een been dat helemaal weggevreten was van de kanker. Nu gebeurde het dat hij in de kerk was ingeslapen. Hij droomde dat de heilige artsen Cosmas en Damianus aan hem verschenen. Zij hadden allerlei zalfjes en dokterswerktuigen bij zich.
De ene zei tegen de ander:
“Waar zullen we gezond vlees vandaan halen om het gat te vullen dat wij moeten maken door dit rottende vlees weg te snijden?”
Daarop antwoordde die ander:
“Op het kerkhof van Sint-Petrus’ Banden is vandaag een Moor begraven; die is nog in goede staat. Haal daar maar vandaan wat wij hier nodig hebben.”
Daarop snelde de ene naar het kerkhof om het been van die Moor te gaan halen. Nu begonnen zij bij de zieke het bovenbeen weg te snijden en zetten er dat van de Moor voor in de plaats. Vervolgens smeerden ze de plek zorgvuldig met zalf in. Het been van de zieke stopten zij bij het lijk van de Moor.
Bij zijn ontwaken voelde de man geen enkele pijn. Hij greep naar zijn been, maar er mankeerde niets aan. Toen maakte hij licht en ontdekte dat er helemaal niets meer aan zijn been viel te zien. Eerst begon hij nog te twijfelen of het wel zijn eigen been was dat hij met zijn hand voelde. Maar tenslotte kwam hij tot zichzelf; zielsgelukkig sprong hij op en begon aan iedereen te vertellen wat hem in zijn droom was overkomen, en hoe de heilige martelaars hem in zijn slaap hadden beter gemaakt.
Voor alle zekerheid gingen ze toch maar even in het graf van de Moor kijken. Daar zagen ze inderdaad hoe diens been tot boven aan de heup was weggesneden met naast hem het afgezette zieke been.

Verering en cultuur

Ze werden begraven in de Syrische plaats Cyrrhos. Al spoedig werd er een gedachteniskerkje gebouwd op hun graf. Deze bedevaartskerk werd in de 6e eeuw door keizer Justinianus II († 565; feest 14 november) vergroot tot een aanzienlijke basilica. Van daaruit ontstonden in de oosterse kerk steeds meer kerken die aan beide artsenheiligen waren toegewijd. Tot op de dag van vandaag staan de beide dokter-martelaren in de oosters orthodoxe kerken in hoog aanzien en behoren zij tot de zogeheten ‘anarguroi’ (= ‘De Onbaatzuchtige Artsen’).

Westerse kerk
In de 4e eeuw bezat ook Rome al relieken. In diezelfde tijd werden hun namen toegevoegd aan de opsomming van heiligen in het canongebed. In 527 kwam de Cosmas- en Damianuskerk tot stand. Van daaruit verspreidde zich hun verering over de hele westerse wereld. Zo had Luik al in 560 een aan hen toegewijde bidkapel. In de 9e eeuw kwamen er relieken naar Centula (= St-Riquier aan de Somme bij Amiens), Prüm, Essen en Hildesheim. Daarnaast namen ze ook te Gosslar en Keulen een grote plaats in in de volksdevotie.

In Duitsland zijn zij patroons van de plaatsen Essen en Gosslar; in Italië van Florence; in Spanje van Salamanca; in Tsjechië van de landstreek Bohemen en van de stad Praag en in Zwitserland van de stad Zürich.

Daarnaast zijn zij de beschermheiligen van artsen, chirurgen en tandartsen; apothekers en drogisten; van bandagisten (vervaardigers en handelaars van breukbanden); van kappers en barbiers (in vroeger tijden oefenden zij voor arme mensen vaak de geneeskunst uit; soms legt men hier verband met de op Cosmas’ naam gelijkende ‘cosmetica’); van bakers en vroedvrouwen; van fysici; van badmeesters; van waskaarsenmakers, marskramers en suikerbakkers.

Ze worden aangeroepen voor een goede afloop van (been)transplantaties, tegen epidemieën, klierziekten, koorts, pest, ongezonde sappen, zweren, tegen de paardenziekte droes; ze zijn patroonheiligen van medische faculteiten.
Ze worden afgebeeld als geleerden; als baardeloze artsen met lange jurk met een pelsafzetting en mutsen; met slangenstaf; Cosmas met urinefles of urineglas, Damianus met zalfpot; vijzel of medicijnkist; chirurgische instrumenten; doos; fles; spatel; zwaard en palmtak (martelaarschap); pijl en brandstapel.

Bron: Heiligen.net

maandag in week 26 door het jaarbijbel


Uit het boek Job 1, 6-22

Het oude verhaal van Job handelt over een rechtvaardig man die door God op de proef werd gesteld, maar die zich toch onderwierp en daarom in ere hersteld werd. Job is het toonbeeld van de vrome die trouw blijft en zich daarom in Gods zegen mag verheugen.

Op een dag kwamen de hemelbewoners hun opwachting maken bij de Heer, en ook Satan bevond zich onder hen.
De Heer vroeg aan Satan: ‘Waar kom je vandaan?’
Hij antwoordde: ‘Ik heb rondgezworven en rondgedoold op aarde.’
De Heer vroeg aan Satan: ‘Heb je ook op mijn dienaar Job gelet? Zoals hij is er niemand op aarde: hij is rechtschapen en onberispelijk, hij heeft ontzag voor God en mijdt het kwaad.’
Satan antwoordde de Heer: ‘Zou Job werkelijk zonder reden zoveel ontzag voor God hebben? U beschermt hem immers, evenals zijn gezin en alles wat hem toebehoort. U hebt het werk dat hij doet gezegend, zodat zijn bezit zich steeds meer uitbreidt. Maar als U uw hand naar hem uitstrekt en aantast wat hem toebehoort, zal hij U ongetwijfeld in uw gezicht vervloeken.’
Toen zei de Heer tegen Satan: ‘Goed, met alles wat van hem is mag je doen wat je wilt, maar raak Job zelf niet aan.’
Hierop vertrok Satan.
Toen Jobs zonen en dochters op een dag weer in het huis van hun oudste broer zaten te eten en te drinken, kwam er een boodschapper bij Job en zei: ‘De runderen trokken de ploeg en de ezelinnen liepen vlakbij in de wei te grazen, maar plotseling werden we overvallen door de Sabeeërs, die het vee roofden en de knechten met hun zwaarden doodden. Ik ben als enige ontkomen om u te zeggen wat er gebeurd is.’
Nog voordat de boodschapper uitgesproken was, kwam er een volgende met het bericht: ‘Een verwoestende bliksem uit de hemel trof de schapen en geiten en de knechten, en het vuur verbrandde en verteerde allen. Ik ben als enige ontkomen om u te zeggen wat er gebeurd is.’
En ook hij was nog niet uitgesproken, of er kwam een volgende met het bericht: ‘De Chaldeeën overvielen ons van drie kanten en roofden de kamelen, en ze doodden de knechten met hun zwaarden. Ik ben als enige ontkomen om u te zeggen wat er gebeurd is.’
Ook deze boodschapper was nog niet uitgesproken, of er kwam een volgende met het bericht: ‘Uw zonen en uw dochters zaten in het huis van hun oudste broer te eten en wijn te drinken. Maar plotseling werd het huis getroffen door een hevige storm uit de woestijn, zodat de vier muren instortten, en uw kinderen onder het puin bedolven werden en de dood vonden. Ik ben als enige ontkomen om u te zeggen wat er gebeurd is.’
Toen stond Job op, hij scheurde zijn kleren, schoor zijn hoofd kaal en wierp zich neer in het stof.
En hij zei: ‘Naakt ben ik uit de schoot van mijn moeder gekomen en naakt zal ik in haar schoot terugkeren. De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de Naam van de Heer zij geprezen.’
Ondanks alles zondigde Job niet en maakte hij God geen enkel verwijt.

 

Psalm 17, 1 + 2 + 3 + 6 + 7

Refr.: Heer, luister naar mijn spreken.

Luister, Heer, ik vraag om recht,
luister naar mijn smeken,
hoor mijn gebed, Drieeenheid_2
geen leugen komt over mijn lippen.
Laat van U het oordeel komen,
laat uw oog zien wat juist is.

Bezoekt U mij in de nacht
en beproeft en peilt U mijn hart,
u zult niets in mijn nadeel vinden,
geen kwaad kwam uit mijn mond.

Ik roep tot U om hulp,
want U geeft mij antwoord.
Wil mij horen, God,
luister naar mijn spreken,
toon mij de wonderen van uw trouw.
Wie bij U schuilen redt U van hun tegenstanders,
met uw machtige hand.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 9, 46-50

De leerlingen lijken te denken dat zij de krachten van het koninkrijk in pacht hebben. Zij dingen naar de eerste plaats en eisen het recht om duivels uit te drijven ‘in zijn naam’. Jezus wijst hen terecht. Niet wie zegt gezonden te zijn , maar wie handelt in zijn naam zal het koninkrijk dienen.

De leerlingen begonnen onderling te redetwisten over wie van hen de belangrijkste was.
Jezus merkte wat hen bezighield en Hij nam een kind bij zich, dat Hij naast zich neerzette. Hij zei tegen hen: ‘Wie dit kind in mijn naam bij zich opneemt, neemt mij op; en wie mij opneemt, neemt Hem op die mij gezonden heeft. Want wie de kleinste onder jullie allen is, die is werkelijk groot.’
Daarop zei Johannes: ‘Meester, we hebben iemand gezien die in uw naam demonen uitdreef en we hebben geprobeerd hem dat te beletten, omdat hij U niet samen met ons volgt.’
Jezus zei tegen hem: ‘Verhinder het niet! Want wie niet tegen jullie is, is voor jullie.’

Van Woord naar leven

Johannes sprak: ‘Meester, we hebben iemand gezien die in uw naam demonen uitdreef en we hebben geprobeerd hem dat te beletten, omdat hij U niet samen met ons volgt.’ Jezus zei tegen hem: ‘Verhinder het niet! Want wie niet tegen jullie is, is voor jullie.

We zijn 1950, ergens in een Brabants dorp. De dokter kwam te overlijden. De man was zeer geliefd en graag gezien, dag en nacht stond hij voor z’n patiënten klaar. Er mankeerde maar één ding aan hem: hij was niet katholiek, hij geloofde nergens in. De mensen in het dorp treurden en zeiden: zo’n goeie mens, wat verschrikkelijk toch dat hij niet in de hemel kan komen. Maar de oude pastoor, een wijs man, ergens zijn tijd ver vooruit, zei: maak je maar geen zorgen: die zit vast en zeker heel hoog in de hemel. Hij droeg wel niet de naam van Jezus, maar Jezus heeft ongetwijfeld zichzelf in hem herkend.

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Goede God,blessing-1261935_640
Gij kent geen aanzien van persoon en Gij sluit niemand van uw liefde uit. Blijf ons voor ogen houden dat echte liefde altijd rechtvaardigheid veronderstelt. Geef dat wij ons niet beter wanen dan anderen, en het goede erkennen dat buiten ons geschiedt. In Christus’ naam. Amen.