Lezingen van de dag – maandag 27 februari 2017


Heilige (of feest) van de dag

Gabriele Possenti († 1862)

Gabriele (gedoopt Francesco) Possenti (ook dell’ Addolorata, van Isola, van Onze Lieve Vrouwe van Smarten, a Virgine Perdolente of van de Zeven Smarten van Maria) cp, Isola del Gran Sasso, Abruzzen, Italië; religieus

“Zal ik jullie eens wat vertellen: onze danser is het klooster ingegaan! Wie had dat nou ooit gedacht.” Met deze woorden kwam pater Pincelli aan zijn klas vertellen dat hun klasgenoot Francesco Possenti, de mooiste jongen van de school, die er altijd volgens de laatste mode bijliep en als danser en toneelspeler telkens alle eerste prijzen had weggesleept; die zo nu en dan met rijke mensen uit jagen ging en in de stad steeds door meisjes werd omzwermd… dat hij nog tijdens het schooljaar was ingetreden bij de strenge paters passionisten.

Francesco was op 1 maart 1838 te Assisi geboren, de stad die ruim 600 jaar eerder beroemd was geworden door de heilige Franciscus. Francesco’s leven lijkt op dat van zijn naamspatroon. Ook hij genoot van een uiterst onbezorgde en haast losbandige levensstijl in zijn jonge jaren. Ook zíjn vader was een welgesteld man. Aanvankelijk was hij pauselijk legaat geweest, maar omdat dit veel verhuizingen met zich meebracht, had hij zich tenslotte als rechter in Spoleto gevestigd. Een eerste schaduw viel over Francesco’s leven, toen hij reeds op vier-jarige leeftijd zijn moeder verloor. Dat had zijn vader, die toch al een zwijgzaam karakter had, nog stiller gemaakt. Juist de jonge Francesco was met zijn opgeruimd karakter voor vader en zijn twaalf broers en zussen een zonnetje in huis geweest, vooral voor zijn oudste zus, Marie-Louise die de rol van moeder had overgenomen; Francesco was de elfde in de rij van kinderen. Hij kon goed leren, en was op het jezuïetencollege van Spoleto niet alleen telkens een van de besten van de klas, maar door zijn extraverte manier van doen een opvallende verschijning. Daar had hij ook zijn bijnaam van ‘de danser’ te danken.

Des te harder kwam de klap voor vader aan, toen zijn zoon met het bericht kwam dat hij het klooster in wilde. “Wacht eerst nog maar een jaartje”, had deze gezegd. Toch had vader het kunnen zien aankomen. Twee zware ziektes hadden zijn jongen veranderd; ook daarin lijkt hij op Franciscus van Assisi. Bovendien stierf zijn veelgeliefde oudste zus en vertrouwelinge aan de cholera; Francesco was toen zeventien. Tijdens een bezoek aan de kerk van Spoleto viel zijn blik op een afbeelding van Maria. Het kwam hem voor de geest , hoeveel Jezus’ moeder heeft moeten doorstaan. Zozeer dat één van haar aanroepingen luidt ‘Moeder van Smarten’. Juist in die pijnen voelde hij zich met haar verwant. Op dat moment besloot hij zijn leven lang bij haar in de buurt te blijven en samen met haar zijn pijn te dragen. Misschien vond hij in haar wel een vervanging voor het gemis van zijn eigen zo vroeg gestorven moeder.

Op school kondigde hij aan dat hij wat vacantie wilde nemen. Maar in werkelijkheid trad hij in bij de passionisten van Morrovalle in de buurt van de Italiaanse stad Macerata. Als kloosternaam koos hij Gabriël, naar de engel die aan Maria destijds de Blijde Boodschap had gebracht dat zij de Moeder van Jezus zou worden. Daar voegde hij aan toe de naam ‘Addolorata’ (= Italiaans voor ‘van Smarten’; herinnering aan het beeld dat zo’n ommekeer in zijn leven had betekend). De brieven die hij vandaar naar huis stuurde, getuigen alle van geluk en diepe vreugde. Dat maakte het voor zijn vader en de anderen thuis iets makkelijker te accepteren. Zes jaar later stierf hij aan tuberculose in de stad Isola in de Midden-Italiaanse Abruzzen. Daar studeerde hij theologie met het oog op zijn toekomstige priesterwijding.

Er valt van hem als jonge kloosterling op het eerste gezicht eigenlijk niets bijzonders te melden. Behalve voor wie beter mag toekijken. Hij deed alles wat hij moest doen, met aandacht en innerlijke vrede. Ook als hij daardoor aan plezierige dingen niet toekwam. Uit liefde voor Jezus en vooral voor diens moeder Maria ontzegde hij zich hoe langer hoe meer vooral kleine dingetjes; en daarin bereikte hij grote hoogte. Hij heeft laten zien hoe gewoon heldhaftigheid kan zijn.

Hij ligt begraven in de kerk van de passionisten te Isola. In 1920 werd hij heilig verklaard. Hij werd uitgeroepen tot patroon van de Italiaanse jeugd. Tot op de dag van vandaag is zijn graf een druk bezochte bedevaartplaats.

Begin jaren negentig van de 20e eeuw was Gabriel in het nieuws, omdat Amerikaanse schuttersverenigingen hem – tegen de zin van de paters passionisten – tot hun beschermheilige wilden uitroepen. Gabriel zou volgens een nooit bevestigd verhaal een Italiaans dorp hebben gered door zijn schotvaardigheid. Maar de voorzitter van de Amerikaanse bisschoppenconferentie wees erop dat die heldendaad nooit bewezen was.

maandag in week 8 door het jaar


Uit het boek Wijsheid van Jezus Sirach 17, 24-29

De schrijver van dit boek doet een dringende oproep tot bekering, door de zonden na te laten en minder aanstoot te geven. Onze situatie is nooit zo slecht dat God ons niet meer zou opnemen. Hij blijft telkens nieuwe kansen geven aan iedereen die ervoor open staat.

Wie berouw heeft geeft de Heer een nieuwe kans, wie de hoop verliest moedigt Hij aan. Wend je tot de Heer, zondig niet langer, bid tot Hem, geef Hem zo weinig mogelijk aanstoot. Keer terug tot de Allerhoogste, keer je af van onrecht, want Hijzelf leidt je uit de duisternis naar het genezende licht. Haat alles wat gruwelijk is ten diepste. Wie zal in het dodenrijk de Allerhoogste loven, zoals de levenden, die voor Hem een danklied zingen? Een dode vergaat, zijn dankzegging sterft, wie leeft en gezond is prijst de Heer.
Hoe groot is de barmhartigheid van de Heer, hoe genadig is Hij voor wie zich tot Hem keert.

 

Psalm 32,  1 + 2 + 5 + 6 + 7

Refr.: Heer, U omringt mij met gejuich van bevrijding.

Gelukkig de mens van wie de ontrouw wordt vergeven,
van wie de zonden worden bedekt.
Gelukkig als de Heer zijn schuld niet telt,
als in zijn geest geen spoor van bedrog is.

Toen beleed ik U mijn zonde,
ik dekte mijn schuld niet toe,
ik zei: ‘Ik beken de Heer mijn ontrouw’,
en U vergaf mij mijn zonde, mijn schuld.

Laten uw getrouwen dus tot U bidden
als zij in zichzelf een zonde vinden.
Stormt dan een vloed van water aan,
die zal hen niet bereiken.

Bij U ben ik veilig,
U behoedt mij in de nood
en omringt mij met gejuich van bevrijding.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 10, 17-27

Rijkdom en aards bezit kunnen de mens volslagen in hun macht krijgen. De jonge idealist uit het evangelie weet dat de platgetreden weg van de wetsvervulling niet voldoende is voor hem. Als Jezus hem vraagt zich totaal te ontdoen van zijn bezittingen en Hem na te volgen, gaat hij ontdaan heen. De verbijstering over Jezus’ eis slaat ook over op de leerlingen. Alleen Gods kracht in de mens kan bewerken dat iemand dit offer brengen kan.

Toen Jezus zijn weg vervolgde, kwam er iemand naar Hem toe die voor Hem op zijn knieën viel en vroeg: ‘Goede meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’
Jezus antwoordde: ‘Waarom noemt u mij goed? Niemand is goed, behalve God. U kent de geboden: pleeg geen moord, pleeg geen overspel, steel niet, leg geen vals getuigenis af, bedrieg niemand, toon eerbied voor uw vader en uw moeder.’
Toen zei de man: ‘Meester, sinds mijn jeugd heb ik me daaraan gehouden.’
Jezus keek hem liefdevol aan en zei tegen hem: ‘Eén ding ontbreekt u: ga naar huis, verkoop alles wat u hebt en geef het geld aan de armen, dan zult u een schat in de hemel bezitten; kom dan terug en volg mij.’
Maar de man werd somber toen hij dit hoorde en ging terneergeslagen weg; hij had namelijk veel bezittingen.
Jezus keek de kring rond en zei tegen zijn leerlingen: ‘Wat is het moeilijk voor rijken om het koninkrijk van God binnen te gaan.’
De leerlingen schrokken van zijn woorden.
Maar Jezus zei nog eens uitdrukkelijk: ‘Kinderen, wat is het moeilijk om het koninkrijk van God binnen te gaan: het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.’
Nu waren ze nog meer ontzet, en ze zeiden tegen elkaar: ‘Wie kan er dan nog gered worden?’
Jezus keek hen aan en zei: ‘Bij mensen is dat onmogelijk, maar niet bij God, want bij God is alles mogelijk.’

Van Woord naar leven

Vandaag lezen we bij Jezus Sirach: Groot is de barmhartigheid van de Heer.

De eerste lezing van vandaag roept op tot bekering, tot het afstand nemen van al die dingen die een belemmering vormen te leven in de Heer. Tegelijk spreekt de lezing van Gods barmhartigheid, God die steeds weer opnieuw zijn hart opent voor hem die met een berouwvol hart terugkeert naar Hem.

Als God barmhartig is, en als wij geschapen zijn naar zijn beeld en gelijkenis, zijn wij dus geroepen om Gods barmhartigheid te belichamen in ons leven. Zoals God elke zondaar weer welkom wilt heten, hem zelfs gaat opzoeken, zo zijn ook wij geroepen vriendschap te sluiten met hen die gezondigd hebben, hen te vergeven, hen – indien mogelijk – tot God te brengen.

We leven in een tijd waar de middeleeuwse schandpaal dikwijls zeer actueel is. Wie gezondigd heeft zal het geweten hebben. Niet enkel het oordeel zal hij aan den lijve ondervinden, het zal publiekelijk zijn én als het kan met straf.
Grote woorden… denk je misschien. Nee, toch niet. En vooral dichterbij dan we denken. Roddelen bijvoorbeeld. Roddelen is het mogelijk kwaad van een ander publiek maken (dikwijls spottend) met de kwalijke bedoeling die persoon in een slecht daglicht te stellen en mensen tegen hem op te zetten. Iets waar we ons allemaal wel eens aan bezondigen. Dus de schandpaal is dichter dan we denken.

Heel anders is, wanneer je iemand ziet zondigen of weet hebt van het feit dat hij gezondigd heeft, dat je die persoon laat aanvoelen dat je hem niet verfoeit. Dat je (letterlijk) naar hem toegaat en hem je vriendschap aanbiedt, en als het mogelijk is, en aangewezen, hem aanspreekt op de mogelijke misstap die hij heeft begaan. Niet door hem rond de oren te slaan, maar vanuit een warme handreiking die hem laat aanvoelen dat – ondanks wat hij gedaan heeft – je hem niet veroordeelt. In het ‘goede gesprek’ kan je de juiste snaren bespelen die de ander helpt zijn misstap in te zien. En samen met hem kan je dan ‘opstaan’ om… ja, om weer verder te leven, geleerd uit de voorgedane situatie.

Als christen kan je deze weg gaan mét Christus, vanuit Hem. Christus, die niet gekomen is om te oordelen, die gekomen is voor de zieken, voor de verdwaalde schapen,… wil niet liever dan ons gebruiken om de verloren gelopen mens op te zoeken om hem weer naar de kudde te brengen, naar de gemeenschap, naar God.

Als we deze weg gaan, laten we hem dan biddend gaan. Want verloren gelopen mensen opzoeken als een soort stunt is zelf zonde. Een christen is geroepen te leven vanuit Gods genade, ook wanneer we zondaars de hand reiken. Eigenlijk is het God die zijn hand reikt door ons heen naar de zondaar. Dat zou onze beleving moeten zijn: niets toeëigenen, alles aan God overlaten.

God is barmhartig. Laten we instrument zijn van zijn liefde.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Goede God,
leer ons barmhartig te zijn zoals Gij barmhartig zijt. Moge de inwoning van Jezus in ieder van ons daartoe de genade geven. Moge Hij de binnenkant zijn van onze buitenkant, het vuur van onze woorden, de warmte van onze handelingen. Kom met uw heilige Geest over ieder van ons opdat we ons ten diepste mogen geven aan Jezus in ons; Hij, het volle leven, vandaag en tot in eeuwigheid.
Amen.