Lezingen van de dag – maandag 27 november 2017


Heilige (of feest) van de dag

Gregorius de Sinaïet († 1346)

Gregorius de Sinaïet (of Sinaïticus), klooster Paroria in de buurt van Adrianopolis, Thracië, Bulgarije; asceet & geestelijk leidsman

Hij heeft veel gezworven, maar wordt Sinaïticus genoemd, omdat hij daar zijn kloostergeloften aflegde.

Hij was afkomstig uit de buurt van Smyrna in Klein-Azië (= het huidige Izmir aan de westkust van Turkije). Hij studeerde filosofie en vooral Bijbel. Maar bij een inval van de Turken werd hij met vele andere christenen gevangen genomen en als slaaf te koop aangeboden op de markt van Laodicea. De christenen van die stad kochten hun geloofsgenoten vrij, waarop Gregorius naar Cyprus vertrok, waar hij een heilige monnik ontmoette die hem als leerling opnam en inwijdde in het monniksleven.

Verlangend naar meer verhuisde hij naar het beroemde Catharinaklooster op de berg Sinaï waar hij dus uiteindelijk zijn kloostergeloften aflegde. Hij leidde een serieus en voorbeeldig monniksleven, zozeer zelfs dat zijn medebroeders hem ‘de lichaamloze’ noemden. Bijna elke dag klom hij naar de top van de berg om te bidden op de plek waar volgens de traditie Mozes destijds met God had gesproken in het brandende braambos.

Maar zijn heilige levenswandel wekte ook jaloezie, en er begonnen praatjes over hem de ronde te doen. Zodra dat tot hem doordrong, verliet hij zijn geliefde plek in gezelschap van zijn leerling Gerasimos. Na een pelgrimstocht naar Jeruzalem vestigden zij zich op het eiland Kreta. Op een dag werd Gregorius bezocht door een monnik daar uit de buurt: Arsenios. Zij raakten met elkaar in gesprek over hun gebedsleven. Nadat Arsenios Gregorius had aanhoord, merkte hij op: “Dat alles, mijn zoon, behoort tot het doen, de praxis, niet tot het schouwen, de theoria.” Vanaf dat moment legde hij zich toe op het puur contemplatieve gebed. Hij bezocht zoveel mogelijk monniken waarbij hij hun enerzijds vroeg om hun gebed en zegen; anderzijds begon hij hun te onderrichten in het gebed van de theoria. Want hij bemerkte dat bijna alle monniken wel de weg van de praxis bewandelden, maar zelden toekwamen aan de weg van de Godschouwing. Uiteindelijk kwam hij op de monnikenberg Athos terecht. Daar trof hij in klooster Filotheou drie monniken die de weg van schouwing beoefenden. Zelfs hun namen zijn overgeleverd: Jesaja, Cornelios en Makarios. Bij hen bleef hij wonen en allengs sloten zich meer leerlingen aan. Toen het te druk werd, trok hij zich nog dieper op de berg terug. Maar ook daar wisten leerlingen hem te vinden.

Uiteindelijk liet hij de Athos achter zich en vestigde zich na tal van omzwervingen in de buurt van Adrianopolis in Thracië, het grensgebied van Griekenland en Bulgarije. Daar betrok hij een klooster, Paroria, waar hij zijn geestelijke werken en lessen schreef en zich in alle rust toelegde op het Jezusgebed en de hesychastische spiritualiteit.

Na een korte ziekte is hij gestorven.

Vele van zijn werken zijn opgenomen in de Filokalia. Dat is een bundeling van geschriften over het gebed van het hart uit de christelijke tradities van het oosten.

maandag in week 34 door het jaar


Uit het boek Daniël 1, 1-6 + 8-20

Trouw zijn aan hun overtuiging in een vreemd milieu is voor vele mensen niet zo belangrijk. Hiertegenover staat het voorbeeld van de vier jonge Israëlieten waaronder Daniël die aan het hof van een vreemde koning toch uitkomen voor hun overtuiging.

In het derde regeringsjaar van Jojakim, de koning van Juda, trok Nebukadnessar, de koning van Babylonië, op naar Jeruzalem en belegerde de stad.
De Heer leverde Jojakim, de koning van Juda, aan hem uit en gaf hem een deel van de voorwerpen van Gods tempel in handen. Hij nam ze mee naar Sinear, naar de tempel van zijn eigen god, en liet ze daar in de schatkamer zetten.
De koning gaf het hoofd van zijn eunuchen, Aspenaz, opdracht een aantal Israëlieten van koninklijke en voorname afkomst naar zijn paleis te brengen. Het moesten jongemannen zonder lichamelijke gebreken zijn, aantrekkelijk om te zien, rijk aan kennis, ontwikkeld en met een scherp verstand, en bovendien geschikt om aan het hof te dienen. Aspenaz moest hen onderwijzen in de geschriften en de taal van de Chaldeeën.
De koning wees hun een dagelijkse hoeveelheid toe van de spijzen en de wijn van zijn tafel. Na drie jaar onderricht zouden ze in dienst van de koning treden.
Onder hen waren enkele Judeeërs: Daniël, Chananja, Misaël en Azarja.
Daniël was vastbesloten zich aan de reinheidsvoorschriften te houden en hij vroeg de hoofdeunuch toestemming zich van de spijzen en de wijn van de tafel van de koning te onthouden. God zorgde ervoor dat de hoofdeunuch Daniël gunstig gezind was.
Toch zei de hoofdeunuch tegen hem: ‘Ik ben bang voor mijn heer, de koning; hij heeft bepaald wat jullie zullen eten en drinken, en als hij vindt dat jullie er slechter uitzien dan jullie leeftijdsgenoten zal hij mij daarvoor verantwoordelijk stellen.’
Daarop richtte Daniël zich tot de kamerheer die de hoofdeunuch aan hem en aan Chananja, Misaël en Azarja had toegewezen: ‘Neem de proef op de som en laat uw dienaren tien dagen alleen groente eten en water drinken. Vergelijk ons uiterlijk daarna met dat van de jongemannen die de koninklijke spijzen eten, en beslis dan over uw dienaren op grond van wat u ziet.’
De kamerheer ging op het voorstel in en gaf hun tien dagen.
Aan het eind van de tien dagen zagen zij er gezonder en beter doorvoed uit dan alle jongemannen die de koninklijke spijzen voorgezet hadden gekregen. Dus diende de kamerheer hun geen koninklijke spijzen en wijn meer op, maar gaf hij hun alleen nog groente.
En God schonk de vier jongemannen wijsheid, kennis en verstand van alle geschriften; bovendien was Daniël bij machte alle mogelijke visioenen en dromen uit te leggen.
Toen de door de koning vastgestelde tijd verstreken was, leidde de hoofdeunuch alle jongemannen voor Nebukadnessar.
De koning sprak met hen, en niemand kon zich met Daniël, Chananja, Misaël en Azarja meten. Zij traden in dienst van de koning.
En over welke kwestie van wijsheid of inzicht de koning hen ook raadpleegde, hij vond hen tien keer zo voortreffelijk als alle magiërs en bezweerders in heel zijn rijk.

 

Daniël 3, 52-56

Refr.: U wil ik loven, Heer, met heel mijn hart.

Geprezen bent U, Heer, God van onze voorouders,
geloofd en verhoogd in eeuwigheid.

Geprezen is uw heilige en luisterrijke Naam,
geprezen, geloofd en verhoogd in eeuwigheid.

Geprezen bent U in uw heilige en luisterrijke tempel,
geprezen, bezongen en verheerlijkt in eeuwigheid.

Geprezen bent U, die afgronden peilt
en op de cherubs troont,
geloofd en verhoogd in eeuwigheid.

Geprezen bent U op de troon van uw koninkrijk,
geprezen, bezongen en verhoogd in eeuwigheid.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 21, 1-4

Christenen mogen hun zekerheid niet zoeken in rijkdom, macht of prestige. De behoeftige weduwe geeft hiervan een prachtig voorbeeld. Zij offert van wat zij nodig heeft, zij geeft wat zij heeft. Wij geven vaak alleen maar van het overbodige. Dat wat betreft geld of materiële goederen.
Maar hoe staat het met ons ‘zijn’… Zijn we bereid ons helemaal te geven aan God, of krijgt Hij enkel maar een deeltje…

Toen Jezus opkeek, zag Hij hoe rijken hun giften in de offerkist kwamen werpen.
Hij zag ook dat een arme weduwe er twee muntjes in gooide, en Hij zei: ‘Ik verzeker jullie: deze arme weduwe heeft meer gegeven dan alle anderen. Want de anderen hebben iets van hun overvloed geofferd, maar zij heeft van haar armoede alles gegeven wat ze nodig had voor haar levensonderhoud.’

Van Woord naar leven

Dit evangelie komt confronterend over voor allen die het materieel en financieel goed hebben; voor de meesten van ons dus.

We zouden ons er van af kunnen maken door dit evangelie te spiritualiseren. In de zin van: zoals de arme weduwe alles gaf, zo moeten wij ons helemaal geven, ons hele zijn, opdat de Heer met ons kan doen wat Hij wil doen; volledige overgave dus. Op zich is dat mooi, en zelfs waar: we moeten ons helemaal geven aan de liefde; niet enkel een klein deeltje, maar ten volle.
Op zich is er ook niets verkeerd aan om de evangelies te spiritualiseren. Maar het gevaar bestaat erin dat we dit doen om de directe boodschap niet te moeten horen, om er ons niet door te laten raken.
Soms is het goed om het evangelie ook letterlijk te lezen en letterlijk te verstaan.

Jezus stelt de arme weduwe als voorbeeld voor ons allen: ze gaf alles, zelfs datgene wat ze nodig had om rond te komen.

Is het dat nu wat Jezus vraagt … zou je kunnen zeggen.
Moeten we nu alles gaan weggeven, ook datgene wat we nodig hebben ?

Onmogelijk is het niet. Franciscus van Assisi, en zijn eerste gezellen, deden het. Zij verkochten àlles wat ze hadden en gaven het geld aan de armen. Verder leefden ze zoals de armen van toen dat deden: in grotten en spelonken, bedelend, met niets. En daar bovenop gingen sommigen van hen nog leven met de melaatsen die samengedreven ver weg van de samenleving leefden.
En ook al moeten we niet allen Franciscussen van Assisi gaan worden … het zou goed zijn moesten er mensen opstaan om op dezelfde wijze weer het evangelie te gaan beleven … Het zou onze Kerk goed doen.

Maar de vraag blijft … wat kunnen wij met dit stuk evangelie …
Wel, ik zou zeggen: laat de woorden er staan zoals ze staan, en laten we ons bewust zijn van de realiteit dat we relatief (ik toch) weinig geven aan de armen. En laat deze realiteit gebed worden … gebed dat ons aanzet tot … gebed dat ons doet groeien … gebed dat ons tot meer gevende mensen gaat maken … gebed dat ons in Jezus’ naam zal doen handelen …

Soms doet het evangelie pijn. Laat die pijn er maar zijn. Dat ze vruchtbaar mag worden …

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Goede God,
doe ons groeien in het delen van wat we hebben, leer ons geven van onze overvloed, schenk ons moed en liefde dit met vreugde te doen. Het is moeilijk, Heer, te geven, help ons, sterk ons, wees ons genadig. Leer ons U te zien in de arme; bedelend om geld, voedsel, onderdak, liefde.
Help ons Heer.
Amen.